De Marskramer is thuisgekomen

1975-02-21
  • Jaargang 19
  • nummer 8
Een paar weken geleden is een zeer bizonder man ingegaan in het Vaderhuis waar ook voor hem een plaats was bereid. Ik aarzel niet hem een "grote" te noemen in het Koninkrijk Gods. Het is Nico Baas, een man die voor een kleine halve eeuw in gereformeerd Nederland algemeen bekend was.
Baas. "de straatprediker uit Amsterdam".
Hij was ongewoon begaafd, "singulier" in hoge mate. Met een enorme en diepe Schriftkennis, brandend van liefde voor zijn Heiland en met maar één hartstocht: het Evangelie' te prediken waar hij daartoe ook maar de kans kreeg. Een man, die niets voor zichzelf vroeg en met een fijne, christelijke humor, de moeiten en teleurstellingen des levens die ook hem niet bespaard bleven, heeft gedragen.
Ik wil graag wat van hem vertellen.
Vooral ook omdat hij een lichtend voorbeeld is voor alle christenen, speciaal voor de jeugd.
En ik geloof dat ik dat ook aan zijn nagedachtenis verplicht ben.
Van oorsprong was Baas een Zaandammer. Hij werd er in 1893 geboren.
Op een kostelijke manier heeft hij voor het Zaandam van omstreeks 1900 geschreven. Zijn vader was scheepsbouwer, catechisant van de grote evangelisator Prof. Lindeboom van wie de liberale jongelui in de Zaanstreek zongen:

Wij gaan naar Lindenau,
daar is de hemel blauw.
Een doom'nee Lindeboom,
die maakt de mensen vroom.

Lindeboom brengt de Afgescheiden kerk in Zaandam tot grote bloei 1) en maakt van zijn catechisanten evangelisten. Hij stuurt ze twee aan twee uit naar de dorpen en gehuchten in de omtrek om zondagsscholen te stichten en te leiden en de gezinnen te bezoeken.
Eén van die catechisanten was de vader van Nico Baas. Van die vader leerde hij dat je in allerlei relaties en contacten over het eeuwige heil" van de mensen moet spreken. Of het nu een coupé vol, fabrieksmeisjes was of een doctor in de wis- en natuurkunde een paardenkoper of een kamerheer van de koningin, een fabrikant, wiens brood hij at, of een schipper, die hem klandizie gunde, altijd leidde Baas' vader het gesprek naar de eeuwige dingen.
Zijn argumentatie was daarbij eenvoudig: "Mijn God zegt in zijn Woord".
Baas vertelde eens over de opvoeding in het gezin van zijn vader en wat er dan verder met hem gebeurde het volgende:

Zo ben ik opgegroeid in een sfeer van een verbondmatig. blijmoedig en agressief christendom. Dat is de enige verklaring, waarom ik evangelist geworden ben. Ik ben het type niet. Maar het is, eenvoudig een erfenis! Dit bedoelen gereformeerden, wanneer zij van het Verbond spreken: Gods genade in de lijn der geslachten.
Daar kom je niet onderuit! Als de Heer mij zoekt als jongen van 13 jaar - gereformeerden zeggen zoiets niet dikwijls, maar die uit mijn jeugd deden het wèlstaat voor mij vast, dat ik mijn leven geheel aan Zijn Dienst zal. geven. Daarbij gaan mijn gedachten uit naar de zendingsvelden, wat begrijpelijk is, want ik ben catechisant van de vurige zendingsman Ds Willem Breukelaar. De weg der studie, aanvankelijk ingeslagen, moet ik door langdurige ziekte weer verlaten.
Langzaam buigt God mijn gedachten en verlangens om in de richting van de evangelisatie. Ik begin op m'n eentje traktaten te verspreiden in Amsterdam en in samenwerking met anderen voor de kroegen in mijn eigen woonplaats. Maar gebaand is de weg ook nu niet. Een ziekte, die mij overvalt, dreigt eerder van mij levenslang een patiënt te maken dan een evangelist. "Het iou wel mooi geweest zijn", zegt mijn pastor, "maar.
zet het uit je hoofd". Het laat zich evenwel niet uit het hoofd zetten, het verlangen blijft en het gebed om de vervulling daarvan. Ik slijt enige jaren op een kantoorkruk à la Dickens en zit daarna als ambtenaartje gebogen over statistiek-kaarten. In die tijd begin ik in mijn vacanties en een enkele maal op vrije avonden op de kermis te Zaandam en op die te Edam te colporteren en te spreken. De sprekers vormen een zeer gemengd gezelschap. Ik treedop als hulp voor een hervormde broeder, met wie ik later vele jaren eendrachtig zal samenwerken.
Verder nemen van tijd tot tijd ook vrij-evangelische broeders en "broeders van de Vergadering" (kortweg "Darbisten" genoemd) als ook enige figuren, die ik niet kan thuisbrengen, aan deze arbeid deel. Is er een heilsofficier onder het gehoor, dan wordt hij uitgenodigd .eveneens op het kistje te stappen.
De kermistenten worden bezocht en met de bewoners een middagsamenkomst belegd.
Het zijn mijn eerste stappen op het pad, dat ik dertig jaren zal hebben te bewandelen. Dan verschijnt in "De Amsterdammer, Christelijk Volksdagblad", een advertentie, waarin "een net persoon"
wordt gevraagd "genegen om met een bijbelwagen te rijden". Ik solliciteer en word geacht aan deze bescheiden eisen te voldoen. In juni 1917 benoemd, aanvaard ik 1 september van dit jaar mijn nieuwe functie.

Met fijne humor en ongelofelijk raak beschrijft Baas het Amsterdam waarin hij als "net persoon genegen om met een bijbelwagen te rijden" door de hoofdstad dwaalde. Baas werd in een mum van tijd een volbloed Amsterdammer!
Hij zou ook in dezelfde tijd een Limburger, Brabander of een Vlaming hebben kunnen worden!
Met een scherpe opmerkingsgave observeert hij de stad en vooral de kerk waarin hij als net persoon etc. terecht kwam. Prachtig zijn zijn typeringen van mensen en toestanden in de Geref. Kerk uit die tijd. Wie de mensen die hij op de korrel neemt gekend heeft leest ze met innige pret.
Men hore: "In de Gereformeerde Kerk van Amsterdam regeert ds Bastiaan van Schelven, profeteert Johannes Cornelis Sikkel en evangelist Doctor Bastiaan Wielenga."
"Bij de jongere dominees moet men een half uur vóór de tijd binnen zijn, wil men kans hebben op een zitplaats. Overigens staat het mansvolk deze zitplaats gewoonlijk weer af aan een zuster, die laat is, en staat tegen de muur of in het looppad. Na een kwartier of drie rijst er wel een broeder op om hem "te verbeurten". De evangelisatie is een twistappel.
Wel heffen Kuyper en Bavinck hun schild over haar op, maar de ouderen blijven in haar een gevaar zien voor de kerk. Van Schelven zal in zijn massieve preken niet nalaten te polemiseren tegen het methodisme om er verdrietig aan toe te voegen: "helaas, dat sommigen onder ons ... ". Zowel mevrouw Wielenga als mijn huisvrouw zullen dikwijls thuiskomen uit de kerk en haar mannen zeggen dat ze weer in de preek op hun baadje gehad hebben."
En dan vertelt Baas over zijn werken in de "top" van de kerk:

De Graaf vangt de profetenmantel op, van Sikkels (de "oude Sikkel" - C.V.) schouderen gegleden, en Dirk Sikkel volgt zijn vader in diens priesterlijke ambtsbediening. Al leeft hij wat in de schaduw van De Graaf, die diepe sporen trekt, zijn kanselwerk is superieur van gehalte en, homeletisch bezien, veel beter dan dat van De Graaf. Na de brede oecumenische scholing, die ik van Wielenga heb ontvangen worden deze beide mannen - Sikkel en De Graaf - mijn innig geliefde leermeesters en tevens mijn vrienden. Het gaat niet ineens., Op de eerste commissie-vergadering, die wij samen hebben zullen Dirk Sikkel en ik als bisons met gebogen koppen op elkaar toerennen. Deze botsing is evenwel het begin van een trouwe vriendschap, die nooit zal worden verstoord. (Baas gaat Dirk Sikkel begroeten met een "Dag Herder" en die zal hem riposteren met "Dag Schaap"! - C.V.). De Graaf za llanger een vraagteken achter mij blijven zetten totdat hij ineens - zoals hij tegenover een student verklaart - "de aanleg voor theologie in mij ontdekt". H'm! het is overigens bij die aanleg gebleven! Wij werken vele jaren ten nauwste samen bij het concipiëren van richtlijnen voor de evangelisatie náar gereformeerd beginsel.
Wij respecteren 'elkaar ten hoogste. "Ze likken elkaar om het hardst", zal Harrenstein, schaterend van de lach op een commissie-vergadering uitroepen. Evenwel behoudt elk op vele punten zijn eigen inzicht; ik sta dichter bij de titaan Schilder dan De Graaf doet en veel dichter dan Sikkel. Maar dat alles speelt zich veel later af. Onder deze veranderingen functioneert het kerkelijk leven in Amsterdam maar traag. Heeft Hoedemaker reeds geklaagd: "Amsterdam maakt lam en tam", dr J. A. de Moor zegt in zijn afscheidspredikatie bij zijn vertrek naar Utrecht: "Amsterdam is een arbeidsveld, dat teleurstelt." Geen Amsterdammer vergeeft hem dit volkomen, want wij zijn trots op onze kerk ondanks de kamferballetjes. Wielenga ziet van zijn grootse conceptie van de evangelisatie weinig komen, Harrenstein loopt zich na 12 jaar dood op de grauwe ellende van een achterbuurt, waarin hij op een geheel eigen wijze gewerkt heeft. Zelf ren ik de eerste vijftien jaar door alle staketselen heen. Brutaal in de ogen van sommigen, handel ik alleen in het besef van mijn roeping. Langzaam krijg ook ik iets van het zwaar-op-de-handse, dat kerkelijk Amsterdam van die jaren kenmerkt.
Nieuwe predikanten met een eigen aanpak grom ik aan als een waalse hond. Tot ik na dertig jaar· afknap. , . "

Maar ik houd op met citeren. Ik zou er een paar nummers van Opbouw mee kunnen vullen!
Baas gaat met zijn bijbelwagenmet-tent als "Houder van handkarren in 2755" Amsterdam in.
En hij spreekt op het Amstelveld temidden van "standwerkers", ,marktkooplui" en "zwemmers"
- mensen die hun waren op de grond uitstallen en ze dan al redenerend en gesticulerend aanprijzen.
Hij treedt op in de buurt van de "koninklijk gebreveteerde tandarts" Japie de Hollander en de beroemde Cacadorus Baas verschijnt op de "Nieuwmarkt""
waar ze hem het "hemelmannetje" noemen, maar hen nooit kwaad doen, al maken ze het hem soms wel geducht lastig. Iedereen kent hem op het Amstelveld en de Nieuwmarkt. En ze luisteren graag naar de geboren verteller.
Met markttrui aan en pet op staat hij op zijn "zeepkistje".
In 1925 wordt Baas "gepromoveerd" tot "bijbelcolporteurstraatprediker".
Hij moet een toespraakje houden waarvoor hij zich een half uur mag voorbereiden.
Als hij bij het derde vak precies kan zeggen wat het verschil is tussen Afscheiding en Doleantie davert een lach door de zaal en weet hij dat de promotie een feit zal worden. Daarna komt het optreden in allerlei zaaltjes en zalen, in het Sarishatepark en in heel het land.
Onder al deze bedrijven door studeert Baas hard! Hij doorkruipt, zoals hij vertelde E Voto van Kuyper en Calvijns Institutie vijf maal en verdiept zich in de werken van grote volkspredikers als Spurgeon, De Witt Talmagè, Moody en Tinney e.a. - Baas kent ook talen! Hij mag tegen een vreemdeling wel een zeggen: "Setze sich, Sir please!", maar staat Fransen, Duitsers, Amerikanen en Engelsen behoorlijk correct te woord. - In zijn jeugd heeft hij gepluisd in oude boeken als "Franckens Kern" (een dogmatiekje in zakmormaat) en in Johannes à Marck's "Merch der heylige Godgeleertheyt" in perkamenten band met gothische letters.
Het bloed der afgescheidenen verloochent zich daarbij in hem niet, noch zijn bijzondere voorliefde die hij als jongen had voor figuren als Buddingh en Ledeboer.
Wielenga's woord: "Onze kerken zijn ziék, zij zijn ziek op het punt der bekering" is hem uit het hart gegrepen. Later zal Schilder invloed op hem uitoefenen. Schilder, "de scherpe geest, die de gevaren der komende tijden onderkend heeft als niemand anders. De strijder, die hem altijd doet denken aan het gedichtje van Willem de Mérode:

Van top tot teen één wapen,
staat hij in felle dos,
en trots versiert zijn slapen
de rode verderbos!"

Kortom: Baas is evangelisch, oecumenisch, agressief gereformeerd!
Al gauw begint Baas te schrijven.
Hij produceert een aantal traktaten en brochures en een schetsen bundel En dan vooral een bizonder boekje "De jonge arbeider en het oude geloof". Hij schreef het tijdens een ziekte. Het werd geboren, zoals hij vertelde, uit liefde tot hen die dolen als schapen zonder herder. Baas verstónd de jonge arbeiders, vooral de jonge revolutionaire idealisten onder hen. Hij was toen hij het schreef 26 jaar! Baas werd wel als spreker door hen uitgenodigd en hij koesterde sympathie voor hen. Hij wilde hen duidelijk maken wat een christelijke levensvisie is. De rijkdom, de schoonheid ervan.
Ik heb het na een halve eeuw opnieuw gelezen. En ik stond nog méér verbaasd dan in 1920 over dit meesterstuk van 'n jonge man die volledig autodidakt was. Het is een boekje van 140 bladzijden.
Het bespreekt de vragen: Is de godsdienst een gevaar voor de arbeider?
Wie ben ik? Vanwaar ben ik gekomen? Waarvoor ben ik op de wereld? Waar ga ik heen?
Welke godsdienst is de Beste?
AlIezend raak je in steeds grotere bewondering voor de belezenheid, de frisheid van de taal, de geest en de scherpzinnigheid van de man die zo iets schrijft! En vooral van het blijde geloof en de brandende liefde tot de Meester en de verloren schapen.
Dr B. Wielenga schreef er het volgende van:

Eindelijk een daad!

In particuliere gesprekken, en ook in plechtige referaten op onze evangelisatiecongressen, is herhaaldelijk gezegd: Wij moeten inwerken op het volk met doeltreffende literatuur! - maar moedeloos werd er aan toegevoegd: Waar zijn de mannen, die het kunnen, wie heeft de inspiratie om het woord te spreken tot "de menschen van den tegenwoordigen tijd"?
Algemeen is het pijnlijk gevoel van armoede en onmacht, bij degenen, die het bestaan met het oude evangelie de moderne ontkerstende massa te benaderen.
Men doorleeft de noodzakelijkheid, dat het werk der evangelisatie zich aanpasse aan de evolutie der zonder, waarvan deze eeuw ons het verbijsterend schouwspel biedt, - men is overtuigd, dat men het volk, hetwelk de materialistische of socialistische levens theorie, deels instinctief, deels bewust, heeft ingedronken, niet meer aan de ziel kan komen met goedbedoelde maar tamme traktaatjes en naïeve zondagschoolboekjes, waarin "treffende" bekeeringen van verwilderde individuen worden verhaald (de wereld zelf is immers bezig de Staten "droog te leggen"), - men ziet met schrik, hoe de vijand, tot den opmarsch tegen kerk en positief christendom besloten, het volk met een stortvloed van brochures en tijdschriften' (bekostigd desnoods door gestolen juweel en) voor ongeloof en revolutie bevrucht, - en vraagt bezorgd: Wat doet de kerk tot verweer, - wat doet Gods volk tot overwinning van de overwonnenen?
Eindelijk een daad!

Broeder Baas komt hier met een proeve van propagandaliteratuur, die aan de geschiedkundige evolutie van het evangelisatiewerk beantwoordt, en ze bevordert.
Hij is de man om het voorbeeld te geven.
Wij willen andere pogingen, die in den laatsten tijd op dit gebied gedaan zijn niet miskennen, ze hebben ook waarde, - maar ik meen te mogen zeggen, dat br. Baas op dit oogenblik vóór alles de aangewezen man is om de baan te breken, daar bij hem wordt gevonden de zeldzame combinatie van de kennis van het Woord van God en de kennis van het volk. Als straatprediker stond hij eenige jaren midden in de branding.
Hij heeft gewerkt in de diepte. En God gaf hem het woord ter rechter tijd om de bevooroordeelde zielen weer in contact te brengen met het oude evangelie.
Maar, waarde auteur, mijn aanbevelingswoord van uw boekje mag niet ontaarden in een lofspraak op uw persoon en arbeid. Ik weet, dat ik er u mee zou hinderen in plaats van bemoedigen. Ik schrijf dit woord niet zoozeer voor u, noch voor de afgewekenen, die gij met -dit geschrift zoekt te bereiken, maar voor de kerk en de christenen, die u in uw werk moeten steunen met de daad van liefde voor Gods koninkrijk.
Ik dank God, dat gij door de daad van uw geschrift ons wakker maakt tot medewerking.
Moge dit boekje door financieele hulp van goedwilligen in tienduizenden exemplaren onder het volk worden verspreid, en geve God den wasdom op de uitstrooiing van het zaad, het levende zaad ...

Het is mij een raadsel geweest dat dit boekje - het past uiteraard niet meer geheel in onze situatie al zegt het óók daarover prachtige dingen - niet in tienduizenden exemplaren is verspreid. Maar de jaren rond 1920 vormden ook een dieptepunt in het leven van de Gereformeerde Kerken. Ze voelden zich ten volle "gearriveerd".
En voor heel velen was de evangelisatie een hoogst bedenkelijke aangelegenheid. Die rook naar Methodisme en Leger des Heils. De kerkdeuren stonder toch iedere zondag voor iedereen open!


1) Juist dezer dagen werd in Zaandam herdacht dat voor honderd jaar een gróte nieuwe kerk, dank zij Lindeboom's activiteit geopend werd

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief