ANNO DOMINI

1975-02-21
  • Jaargang 19
  • nummer 8
Het jaar 1975 is uitgeroepen als een jaar, waarin van alles moet gebeuren.
Het jaar 1975 is het jaar van de vrouw. Ook het monumentenjaar.
En het jaar voor amnesty general, van strijd tegen gewelddadigheid; het jaar van de natuur; het jaar van de wereldvrede; het jaar van het milieubeheer; het jaar van het dier, het zevende eeuwjaar van de stad Amsterdam en opnieuw het jaar. van de vrouw.

Laten we even ons verstand gebruiken. Waarom is 1975 zo belangrijk?
Omdat, zei een van onze grote dagbladen, het vierde. kwartaal van de twintigste eeuw is ingezet: op 1 januari jongstleden. Nu, dat heeft het grote dagblad dan mis: het vierde kwartaal van deze eeuw kan pas op 1 januari aanstaande beginnen, met uw aller goedvinden. Een soortgelijke fout werd gemaakt op 31 december 1899. Er waren velen, die beweerden: dat de 19de eeuw toen ten einde was. Zelfs onze KS was onder deze schare. Maar desondanks werd er een denkfuut gemaakt; de 20e eeuw werd pas ingezet op 1 januari 1901, en als u het niet gelooft moet u het maar narekenen, van Christus af.

Wanneer alzo duidelijk is dat het jaar 1975 echt geen inzet van het vierde kwartaal der 20e eeuw mag 'heten, kunt u al die doeleinden, waarvoor dit jaar werd opgeëist, wat meer objectief bezien. Want kunnen wij mensen eigenlijk wel over de jaren beschikken? Ze onderwerpen aan onze doeleinden? Kunnen wij een lustrumjaar uitroepen naar onze wil? Schijnbaar kunnen we het, want het gebeurt. Evenwel, u verstaat de vraag: kunnen wij met de jaren omspringen alsof ze van ons zijn?

Het antwoord ligt al op uw tong. Het jaar is des Heren. Elk jaar, een gewoon jaar, een lustrumjaar, een sabbatsjaar, een jubeljaar of een eeuwjaar, is Anno Domini. Elk jaar is gerekend vanaf Zijn geboorte.
Elk jaar brengt Zijn komst naderbij, halleluja. En daarom is elk "gewoon" jaar een heilig jaar, een streep op Gods kalender.

Toch merkwaardig, dat deze ontkerstende wereld zich nauwkeurig houdt aan de christelijke tijdrekening. Al die mensen, die Christus uit hun leven radeerden, beroepen zich bij hun geschiedschrijving op het geboortejaar van onze Heiland. Zoveel jaren ervoor, zoveel eeuwen er na. Plaag hen er maar niet mee. Wees maar blij dat de jaren van onze Heer zijn, erkend of niet. Als straks de kerk in deze landen uitgeroeid en als tot niet schijnt te zijn gekomen, wel, hopelijk zal dan de jaartelling nog even doorgaan. Van Christus' komst op aarde tot Christus' wederkomst.

Men heeft herhaaldelijk getracht van deze regel af te komen. In het verre verleden werden de jaren naar belangrijke vorsten gedateerd\ Romeinse keizers hebben hun eigen tijdrekening opgezet. Er is nog altijd een calendas graecas. De Franse revolutie begon de historie ook al opnieuw. Alleen de Joden houden hun eigen Mozaïsche tijdrekening, maar, als ze "bij de tijd" willen zijn, houden ze tevens de Christelijke kalender aan; de laatste is zelfs doorslaggevend bij het zakendoen.

Het is een oud gebruik onder mensen om de eeuw als een volle maat te zien. Honderd jaren, tien maal tien vingers, het eerste kwadraat in ons decimaalstelsel, is een mijlpaal. Zo hoog, dat niemand er over heen kan zien. Het ritme van onze jaren bereikt dan zulk een accent, dat horen en zien vergaat. Men zegt dat het oudtestamentische "eeuwig" niet "eindeloos" zou betekenen - maar: deze eeuw uit en de volgende eeuw in. Dus het rijk van Salomo (psalm 72) zou verder gaan dan menselijke voorstelling gedoogt; feitelijk onbegrensd zijn.

Die eeuw! God heeft de eeuw in ons hart gelegd, zei Prediker. Wij mensen hebben het vermogen gekregen, vooruit te denken: voor morgen te zorgen, voor het volgend jaar plannen te maken, voor ons oudendagspensioen bij te dragen, over !het hiernamaals te peinzen. Dat is wat. Eekhoorns zorgen voor de komende winter; nog geen half jaar vooruit. Maar mensen hebben van God de opdracht om onbeperkt vooruit te denken. De eeuw ligt in ons hart, is ons meegegeven.
Niet de eeuwigheid. Ons verstand botst tegen de eeuwigheid als tegen een onneembare barrière. Maar ons verstand rekent wel met honderden jaren, met de eeuw. En, bij gebreke aan genoegzame denkkracht, maken wij van de eeuwigheid een aaneengesloten reeks van eeuwen, een eindeloze rozenkrans. Zonder nochtans iets van de eeuwigheid te verstaan.

Overigens houden de hedendaagse berekeningen doorgaans op bij het jaar tweeduizend. Allerlei plannen monden uit op tweeduizend. Allerlei voorraden, behoeften, grondstoffen, bevolkingsprognosen, voorzieningen en systemen eindigen bij tweeduizend. Niet bij 2001, zijnde het eerste jaar van de 21e eeuw. Maar bij 2000, zijnde het slot jaar van dit tijdsgewricht. En waarom dat?

Wij kennen het Franse woord fin de siècle: slot van de eeuw. In alle tijden heeft de mensheid, tegen het eind van een eeuw, een "fin de siècle-stemming" gevoeld. Vooral in de vorige eeuw. Die stemming kenmerkte zich, als vandaag, in een zekere vermoeidheid, gebrek aan zekerheid, moed en vertrouwen. Ook in een typerende geraffineerdheid, zegt Winkier Prins, een moede scepsis en nadrukkelijke geblaseerdheid.
Een in 1888 verschenen blijspel werd Fin de Siècle genoemd .
Ziedaar. De typerende geraffineerdheid kennen we allemaal. De zonde wordt zo geraffineerd bedreven, dat ze niet als zonde opvalt. De wetten worden terzijde gesteld op zulk een ... legale wijze, dat de rechtsorde nauwelijks .op haar fundament wankelt. De mensheid eet, veegt haar mond af en zegt: ik heb toch geen kwaad gedaan?

Dan de moede scepsis. Of we die kennen! De term "van mij hoeft het niet" is even algemeen als "de pot op met die kale drukte". Gezag, rangen, standen, gebod of gehoorzaamheid, - "hét zal mij de pet niet drukken". Heren en knechten zijn geëgaliseerd tot werkgevers en werknemers.

En aan alles wat lange tijd vast stond wordt getwijfeld. De twijfel is zeer in aanzien. Of de wereld door Gods wil is geschapen dan wel vanzelf is opgekomen uit het niet - niemand kan het navertellen. Of deze wereld een einde tegemoet gaat - wie kan dat nu met zekerheid zeggen? En indien wel, na ons dan maar de zondvloed. We zijn geblaseerd.
We geloven het wel.

Die fin de siècle-stemming is in de historie der mensheid eenmaal zeer hevig geweest. Dat was tegen het jaar 1000. Toen was het decimaalstelsel niet maar tot het kwadraat maar tot de derde macht gegroeid: tien maal tien maal tien. Een allerhevigst accent in ons tijdritme.
De mensheid heeft toen ernstig rekening gehouden met een nabij wereld einde. De mogelijkheden schenen immers uitgeput. Men was in kringlopen verstard. Het denken scheen stil te staan. Mensen verkochten hun goederen en gingen in kloosters. Men verootmoedigde zich in gebed en devotie. Men zag uit of de Zoon des Mensen op de wolken verscheen.

Het is niet doorgegaan. En plotseling ontwaakte de mensheid tot nieuwe initiatieven: ontdekkingsreizen, uitvindingen, boekdrukkunst, wereldkaarten, volksverhuizingen, kruistochten. De slavenstand werd afgeschaft. De mens bemerkte dat hij mens was. De mens werd zelfbewust.
Het humanisme ontstond. Er kwam belangstelling voor de antieke cultuur. Renaissance = wedergeboorte. Er werden Godshuizen, kathedralen, gebouwd, die de eeuwen moesten trotseren.

Maar heel die cultuur, vanaf de middeleeuwen tot nu ... is uitgebloeid.
Wat er aan eeuwigheidswaarden in school wordt thans betwijfeld.
In de boekdrukkunst: niet het goede woord, niet de verfijnde zegging van waardevolle gedachten - maar de grove schrijfwijze van schuttingtaal, uit de aarde, aards. In de muziek: niet het liefelijke, het welluidende, de sluitende drieklank - maar de schreeuwerige dissonant, in bonzend ritme uitgebraakt, In de schilderkunst: niet het nauwkeurige aanschouwen en het profetisch doorgeven - maar in kakelbonte kleuren wordt alle hardheid uitgebeeld; de schilder neemt souverein de kwast ter hand en rotzooit maar wat an, om met ene Karel Appel te spreken.

En in de kerk? In de conserverende kerk, het zoutend zout? Achter alle waarden staan vraagtekens. Door alle Bijbelboeken zijn vraagtekens gekrast. De authenticiteit van de Heilige Schrift wordt met een vraagteken versierd. De eerste Bijbelhoofdstukken zijn fraglich.
Het laatste Bijbelboek is een apocalyptisch vraagteken. En al zullen die vraagtekens officieel aangevochten worden door de orthodoxie - de wijze waarop dat gebeurt werpt talloze nieuwe vraagtekens op. De liefde van de meesten verkilt. Ons geloof wordt op gewelddadige wijze aangetast, gemolesteerd door ... kerkmensen. Er zijn onder ons geen grote dingen meer mogelijk, vanwege ons orthodoxe ongeloof.
De kerkelijke structuren wankelen. De ambten staan bloot aan mateloze wereldse critiek. De macht van het getal rukt vast aan met opgestoken vaan. Ook in de kerk. Juist daar komen de "zegeningen" van de Franse revolutie thans openbaar. Iedere ketter heeft zijn letter. Wij schieten met teksten. Wij schieten met scherp. Al deze dingen worden zo moede, dat men het niet kan uitspreken.

En toch. En toch zijn de jaren die we beleven van onze Heer. Elk jaar is Anno Domini. Elk jaar brengt zijn komst dichterbij. Of de kerk zal blijven bestaan ... is ons niet beloofd. Of de kerkelijke ambten overeind blijven : .. we weten het niet. Of een kerkverband nog nodig zal zijn - het lijkt er niet erg op. Johannes zag in een visioen de laatste twee getuigen dood op straat liggen; en een mensheid, die dat feit met vreugde overleefde.

Maar Johannes zag meer. Hij zag ook de opstanding van hen, die gedood zijn om het Woord van God en het getuigenis, dat zij hadden. En hij zag hun hemelvaart. Hij zag de ondergang van dit overrijpe avondland en zag een nieuw Jerusalem van God neerdalen. Hij zag een nieuwe aarde, waarop gerechtigtheid woont; waarop de wolf met het lam kan verkeren.

Dat alles hebben we dus nog te goed: wij, die Zijn verschijning liefhebben.
Laten we dus rustig onze monumenten restaureren en er blij mee zijn; al zouden het de graven der profeten zijn. Laten we vromelijk strijden, tegen onrecht en geweld, tegen het bederf van Gods schone schepping, tegen de zonde in ons en rondom ons. Laten we hongeren en dorsten naar gerechtigheid. En laten we onze vrouwen eren, niet slechts dit jaar. Maar laten we niet vergeten onze hoofden op te heffen: uit te zien naar het teken van de Zoon des Mensen.

En tenslotte nog iets. Men zegt, dat de mensheid nagenoeg 6000 jaar oud is. En God telt duizend jaar als een dag, zei Mozes. Men zegt dat Gods scheppingsdagen op grote schaal in millennia zijn herhaald. Dan moet het u opvallen, dat in het laatste millennium de mens "geschapen" werd: zichzelf ontdekte, zichzelf bewust werd als schepsel Gods, als kind Gods, als tegenstander Gods. Zou Gods sabbath aanstaande zijn? Zou God eindelijk eens gaan rusten van zijn werken: van zijn scheppen èn van zijn onderhouden van deze wereld?

Het is maar een vraag. Maar God geve het. Maranatha.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief