Het vertrek van Dr. M. J. Arntzen (2)

1975-02-28
  • Jaargang 19
  • nummer 9
In het Nederlands Dagblad stond te lezen, dat dr Arntzen heeft verklaard niet te kunnen instemmen met de methode, het tempo en de uitwerking waarin onze kerken bezig zijn te komen tot een geordend kerkelijk leven.
Het kan dr A. bekend zijn, dat hij niet de enige is bij wie onbehagen over de moeizame ontwikkeling in de zaken van het kerkverband leeft.
Op de eerste vergadering van het jongste convent van onze kerken, waar collo A. nog aanwezig was, is duidelijk aangegeven aan welke methode van handelen wij de voorkeur geven.
Er is een ruime meerderheid van kerken die wil komen tot een nader geordend kerkelijk samenleven overeenkomstig de door de commissie functionering kerkverband opgestelde regels.
Volgen we de methode, die we zo dikwijls op kerkelijke vergaderingen hebben zien toegepast, dan kan door stemming een snelle beslissing worden genomen. Maar na alles wat we aan heerschappijvoering op kerkelijke vergaderingen hebben ondervonden zoeken we een weg, waarin een meerderheid niet gaat heersen over een minderheid.
Daarom is op het convent in twee zittingen gepoogd niet door overstemming maar door overeenstemming tot een beslissing te komen.
Vandaar dat op het convent voornamelijk die kerken aan het woord kwamen, die bezwaren houden tegen het in Spakenburg genomen besluit om voortaan niet meer in een convent, maar via afvaardiging in landelijke vergadering bijeen te komen.
Duidelijk is in deze vergadering gezegd, dat we een weg zoeken, waarop niet de meerderheid over de minderheid heerst noch ook de minderheid over de meerderheid.
Wat mij in deze vergadering opnieuw opviel is, dat de zaak van het kerkverband zó gevoelig ligt, dat ze emoties losmaakt.
Er komen steeds weer broeders, die zich geroepen voelen ons als het ware voor het laatst, te waarschuwen dat we aan de rand van de afgrond zijn gekomen.
Het is verdrietig om daarbij te constateren hoe men in zijn ijver voor wat de goede zaak wordt geacht. de voorstanders van een overeenkomstig het gereformeerd belijden geordend kerkelijk samenleven, minder fraaie motieven aanwrijft.
Een treffend staaltje hiervan is te vinden in een ingezonden in ons blad van 14 febr. jl. van de hand van br. D. J. Buwalda, die meent het woord: "Wat gaat het ons aan? Gij moogt toezien" in stelling te moeten brengen tegen de broeders die hij verantwoordelijk acht voor de beslissingen.
Duidelijk is dat deze broeder het convent niet heeft bijgewoond.
Had hij meegemaakt dat we twee zittingen hebben besteed om tot overeenstemming te komen en dat niemand er over prakkizeerde de bezwaarden uit te sluiten, maar gezocht werd naar een wijze waarop ook de bezwaarden konden meedoen, hij had deze woorden wellicht in de pen gehouden.
Ik had de stille hoop dat we deze manier van polemiseren hadden afgeleerd en het is een ontnuchtering te ervaren dat een geest, die je in de loop der jaren zo hebt leren verfoeien, zo nu en dan weer de kop op steekt.
Wanneer je vervolgens overdenkt dat het op het genoemde convent slechts ging over de vraag: welke principiële bezwaren zijn er tegen een landelijke vergadering via afgevaardigden van regio's, die zo ernstig zijn, dat kerken hieraan niet mee kunnen werken? m.a.w. waar verbiedt de Here ons deze weg te gaan; dan is het toch wel beschamend dat hier twee zittingen van afgevaardigden van zo'n negentig kerken aan besteed moesten worden.
Het "bewijs" uit de Schrift inzake het punt dat aan de orde was werd niet geleverd; de bekende bezwaren en de bekende waarschuwingen werden opnieuw naar voren gebracht.
De verwachting dat we in kort beraad tot overeenstemming zouden komen bleek een illusie en tenslotte was er geen andere weg open dan: stemmen.
Duidelijk is dat de zaak erg gevoelig ligt naar beide zijden.
Wanneer dr A. bezwaar maakt tegen de methode, geen overstemming maar overeenstemming, deel ik dit niet, al is mij duidelijk geworden dat we wat idealisme op dit punt moeten prijsgeven, omdat het niet verantwoord is zo veel tijd van zo veel afgevaardigden te vragen als we met de zaak niet verder komen, ook moet voorkomen worden dat een minderheid zou gaan heersen over de meerderheid, al is dit nog zo in de mode.
Daarbij worde nog eens uitdrukkelijk vastgesteld dat niemand onder ons een zoveelste hiërarchie begeert, we willen een kerkelijk samenleven, waarin onze eensgezinde en gezamenlijke onderwerping aan de Heer en Zijn Woord naar ons belijden duidelijk is in het meeleven en dienen en in het toezien op elkaar.
De klacht van dr A. over het tempo is zoals uit het vorenstaande blijkt m.i. terecht, maar geen rechtvaardiging om te gaan naar een gemeenschap waar de normen van de K.O. zo snood zijn geschonden.
Het komt wat vreemd over, wanneer Dr A. bij zijn overgang ook als argument hanteert het ontbreken van een bindend advies aan de a.s. predikanten om te studeren aan een gereformeerde theologische hogeschool.
Het gaat hier over het advies aan onze studenten om in Apeldoorn, aan de theol. hogeschool van de Christ. Geref. Kerken te gaan studeren.
Dit advies is gegeven, Dr A. zou een bindend advies willen.
Kunnen kerken een bindend advies in deze zaak geven? Het zou lijkt me een novum zijn in gereformeerde kerken. maar dit nu daargelaten.
Deze klacht bij een overgang naar de kerken binnen verband is wat wonderlijk, want waaruit zijn onze moeiten inzake de opleiding ontstaan.
Aan de theologische hogeschool in Kampen, waar praktisch alle vrijgemaakte theologen zijn opgeleid nam men ter onzaliger ure een attestenbesluit dat inhield dat de poorten voor studenten uit kerken buiten verband gesloten werden.
Een aantal studenten moest de studie afbreken: in die dagen was er nog niet de mogelijkheid voor onze jongens om in Apeldoorn te studeren, zo kwamen onze theologische studenten in de verstrooiing en zij zwermden uit naar alle kant.
Het zou toch wel erg onbillijk zijn van de studenten, die al een keer hun studie elders moesten voortzetten te eisen dat ze opnieuw afbreken en nu in Apeldoorn verder gaan.
Maar nu dr A. is overgegaan kan hij wellicht er voor gaan pleiten dat Kampen zijn poorten weer voor onze studenten opent.
Op het laatste convent is gebleken dat de zaak van opleiding en begeleiding de aandacht heeft en er is bezorgdheid uitgesproken over de opleiding aan diverse universiteiten.
Dit gesprek heeft de aandacht getrokken van dr J. Douma, die erover schrijft in de Reformatie van 11 januari jl., en nog al wat kritiek levert op uitlatingen van drs H. de Jong, één van de begeleiders.
Aan dr Douma zou ik willen zeggen, dat onze kerken medeleven in de situatie waarin wij wat de opleiding van predikanten betreft verkeren, op prijs stellen, maar hij zal begrijpen dat het wat wrang overkomt, wanneer een hoogleraar van de theologische hogeschool, die onze studenten buitensloot, met voornamelijk negatieve .kritiek komt. Er is dacht ik een uitnemender weg om de verantwoordelijkheid, die ook dr Douma heeft voor de situatie waarin wij verkeren, te honoreren.
In zijn polemiek tegen collo De Jong, waarin Prof. Popma nu nog moet komen opdraven als getuige á charge tegen onze kerken, valt weinig op te merken van begrip voor de verhoudingen waaronder ds De Jong zijn werk in de begeleiding moest beginnen, de pastorale zorg die nodig was om studenten op te vangen, die de overgang van Kampen naar de V.U. moesten maken.
Wanneer ik lees dat onze kerken worden vergeleken met een kruiwagen vol kikkers, die de eigenschap hebben dat zij makkelijk wegspringen maakt dit op mij meer de indruk van leedvermaak dan van meeleven.
De vergelijking wordt aldus uitgewerkt: "de één vindt het zijn roeping in de synodale kerken te gaan preken. De ander wil gereformeerd predikant blijven en botst tegen een omgeving op, die niet weet wat het gereformeerd belijden weerspreekt.
Een derde studeert theologie aan de rijksuniversiteit om uiteindelijk niet in de kerken buiten verband als predikant terecht te komen."
U merkt hoe vreemd het gaat in die kruiwagen.
Het is niet zo'n moeilijke opgave voor onze lezers om de namen van deze "kikkers" in te vullen en gelijk duidelijk wat een sterk vertekend beeld hier van de kerken wordt gegeven. Dr Douma zou zich wel eens kunnen vergissen in het saamhorigheidsgevoel in de kruiwagen; hij zou ook kunnen weten dat het overgrote deel van onze kerken, als vroeger, leeft bij Schrift, belijdenis en de k.o. Ik ontken niet dat er hier en daar dingen zijn, die we betreuren; maar ga nu niet in detail in op zijn betoog. Een discussie heeft alleen zin, wanneer die er op uit is de zaken zuiver te stellen en misverstanden, zo die er zijn, uit de weg te ruimen. Ik herhaal: we zijn dankbaar voor meeleven met het wel en ook met het wee in onze kerken, maar dan graag in positieve zin en met aanvaarding van de verantwoordelijkheid voor elkaar.

Op de wat vage klacht van dr Àrntzen inzake de handhaving van de belijdenis kom ik in een volgend artikel terug.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief