De Marskramer- is thuisgekomen (2)
1975-02-28
Ook deze week moet me nog wat van het hart over de "amsterdamse straatprediker" Nico Baas, die onlangs in heerlijkheid werd opgenomen.- Jaargang 19
- nummer 9
Zijn gave om pittig, boeiend, levendig, humoristisch te schrijven over de "dingen van Gods Koninkrijk"
kreeg een prachtkans zich te ontplooien toen in oktober 1920 "De Reformatie" het levenslicht zag.
Op het eerste nummer ervan prijkt onder de lange rij van me dewerkers ook alzijn naam. Ik heb er geen bewijs voor maar ik weet wel zeker dat dr Wielenga de bijbelcolporteur-met-markttrui-pet-en-handkar in de Reformatie-familie - nou ja: familie? - heeft binnen gehaald. Met ongelooflijke levendigheid en warmte gaat hij daarin schrijven over evangelisatie. Hij verdedigt de noodzaak ervan met klem en vuur en zoekt tastend naar de juiste aanpak daarvan. Hij vertelt van bezochte congressen en houdt de litteratuur erover goed bij en beschrijft alles wat hij zo beleeft boeiend en warm.
Vooral de jongeren verslinden zijn sappig proza. Na een halve eeuw herinner ik men nog levendig welk een indruk zijn geschrijf op mij maakte.
Eenmaal waagde hij zich op, glad ijs. Of, beter gezegd: liet hij zich lokken naar een terrein waarop het voor zo'n blijmoedige, ietwat brutale, ironische alles-zeggerwat-
ie-op-zijn-hart-heeft, vooral in me tijd, gevaarlijk was. Baas gaat nl. hoofdartikelen - deftig gezegd: leaders - schrijven in de eerste nummers van de derde jaargang. Hoe dat zo kwam vertelde hij zelf zó - het is het begin van het eerste artikel:
"Lezer van "De Reformatie" ik ben minstens even verschrikt als u verbaasd N.B, op de voorpagina van ons blad aan het woord te vinden. De zaak is deze, dat de redactie van oordeel was, dat nu eens een niet-geleerd en nieteerwaard man - een "leek" zouden wij zeggen, maar dat is geen reformatorisch woord - enige hoofdartikelen moest schrijven. Ja, maar ik kan geen leaders schrijven, verre van daar! Ik kan alleen wat met de mensen praten. En dat wil ik ook nu gaan doen.
Stel u het zo voor, dat ik zondag na de kerk eens bij u kom oplopen. Op een kopje koffie. Apropos, dat is ook reeds een heilzame reformatie in onze levensgewoonten.
Een "portje", een "advócaatje" als van ouds hebben de meesten van ons uitgebannen. Het is mijn bedoeling dat u mij onder 'n kopje koffie of thee leest. En laat ons - voor zover we tot de zogenaamde sterke sexe behoren, maar dat is sterke verbeelding! - er een sigaartje bij aanpijpen. Dan zijn we echt "onder ons". En wat we elkaar onder 'n sigaar vertellen, daar worden we immers niet boos om, is het wel?"
Zo begon Baas zijn "praatjes" over "Reformatie-mentaliteit".
Openhartig, ook argeloos, schrijft hij fris van de lever over preken, belijdenis, liturgie, gezang en gezangen en alles wat er zo al in het kerkelijke leven te koop is.
Maar wat heeft hij daarover moeten horen!
Onmiddellijk, lang voor hij uitgebabbeld is, komt er grote deining in het gereformeerde kamp.
Als Baas daar niet op heeft gerekend kende hij toen de gereformeerde "leiders" uit die tijd beslist nog. niet goed! Wat hij met een tinteling van plezier onder zijn gereformeerde Amsterdamse makkers grif kwijt kon viel als een steen in de stille vijver van het gereformeerde leven van die dagen. Baas draafde als een dartel jong paard tussen de schapen van de rustig liggende, ijverig herkauwende gereformeerde kudde uit die dagen. En hij deelde, al rond huppelend, hier en daar en ginds hard aankomende klappen uit. Soms heel raak. Soms - dat moet ook gezegd worden - er helemaal naast. Maar - nooit stekelig, minachtend of uit de hoogte.
Ja. aanstonds maakt men zich in de kerkelijke pers tot tegenweer gereed. Onder Baas' derde "koffiepraatje" achtte de redactie van "De Reformatie" het nodig een noot te plaatsen! Je kunt er uit proeven dat ze de lieden die het geschrijf van Baas zouden willen aangrijpen om de jonge frisse krant - er werden toen veel wenkbrauwen over gefronst - bij voorbaat de wind uit de zeilen te nemen.
De "noot" luidt als volgt:
"Waar N.B. in zijn artikelen uitnodigde over het onderwerp, dat hij, behandelt, van gedachten te wisselen, kan gemeld, dat na beëindiging van zijn artikelenreeks weer andere geluiden daarover zullen worden gehoord. In verband hiermee wordt verzocht om geen ingezonden' stukken naar aanleiding van zijn artikelen te sturen. Om deze reden zullen ook de "Stemmen" ("uit de kerken"een vaste rubriek in De Reformatie van die tijd - C.V.) welke wij reeds ontvingen, niet worden geplaatst."
Men merkt het: de bui hangt al.
Baas' vierde artikel begint zo:
,,0 wee! Daar hang ik nu als een kurkzak tussen twee mailstomers. "Het Handelsblad" en "De Heraut" hebben het met elkaar aan de stok. Nu heeft de schrijver in Het Handelsblad mij de Heraut-redacteur onder de neus geduwd met de opmerking dat ik zo fris rook. "De Heraut" heeft de neus opgetrokken en geantwoord dat ik "een leek" was. Altijd goed verstaan: een leek tussen twee haakjes, want effectieve leken bestaan er bij ons niet. Het is dus heel iets anders dan wat de Roomsen een leek noemen. Erg gemakkelijk uit te leggen is het niet. Een "leek", maar geen leek. Geen leek, maar toch wel een "leek"! Hoe rijk ;ian theologische vaktermen wij ook zijn, hier schiet. onze woordenschat te kort. Gelukkig is de volkstaal hier de vaktaal ver vooruit, het volk zegt in zo'n geval: het is maar ,,'n koekebakker". Nu stel ik het oordeel van "De Heraut" op hoge prijs, maar ik ben niet uit het hout gesneden van die brave dorpeling, die eens tot zijn predikant de opmerking maakte: "Ik denk niet meer, ik laat dr Kuyper denken". En mijn simpele gedachten wil ik vrijmoedig verder opbiechten. Als penitentie zal ik gelaten alle bestrijding ondergaan, mits ik ten slotte toch de absolutie krijg en wij "goede vrienden" blijven."
En daarna praatte Baas nog twee lange artikelen vol.
Maar De Heraut - dat wil zeggen: H. H. Kuyper, de kleine Kuyper, zoon van de grote - had zijn batterijen reeds voor hij uitgepraat was tegen de "bijbelcolporteur-
met-de-markttrui-aan-en-de-pet-op”in stelling gebacht. En weldra daverden de schoten ervan in de gereformeerde lucht-. Zoals toen van zelf sprak richtten onmiddellijk ook een reeks kerkbladredacteuren, getrouw aan de leider, hun windbuksen op de olijke Amsterdammer en hoorde men tussen de kanonschoten van De Heraut ook de droge plofjes dáárvan. Dr. De Moor zette als een goedhartige en neerbuigende vader de amsterdamse op zijn knie en gaf met opgestoken
vinger, het brutaaltje in De Reformatie een hartig lesje -- in een "Open Brief".
En toen toonde Baas dat hij niet alleen humoristisch maar ook wijs was. Hij deed er namelijk het zwijgen toe! Of zijn humor opkwam uit zijn wijsheid, of zijn wijsheid uit zijn humor - dat weet ik niet. Wel weet ik zeker dat humor en wijsheid onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn.
Dat heb ik bij Gispen - de oude - heel goed begrepen.
Baas gaat onder alle rumoer door met "preken". Hij doet het overdag op de markt. Vijftien jaar lang elke avond in een zaal of zaal tj e in Amsterdam en daar buiten. Hij woont in een lilliputtershuisje aan de peripherie van Amsterdam. Een "boekenkast" heeft hij niet, laat staan een studeerkamer.
De schetsen voor zijn toespraken maakt hij op de wastafel in 'n klein logeerkamertje. Hij heeft de handen vol met het opzoeken van stakkers en stumpers.
Hij praat met prostituees en jonge anarchisten. Aan hen kan hij zijn boodschap kwijt.
En - Baas kent geen wrok of verbittering - hij gaat ook door met het schrijven over evangelisatie in De Reformatie. Hij. bezweert zijn lezers in alle tijden en wijzen dat die voor de kerk van Christus nodig is als brood, ja, een zaak van leven of dood! Onderwijl ook alles wat hij daarover te pakken kan krijgen lezend en - in voortdurend contact met mannen als Wielenga en - later - Knoppers, Vollenhoven, Dirk Sikkel en Simon de Graaf zoekend naar de fundering en de beste methode daarvan. Totdat hij na dertig jaar sjouwen en ploeteren "op" is en zijn werk moet overgeven aan Overduin.