Boekbespreking

1975-02-28
  • Jaargang 19
  • nummer 9
Ir. J. van der Graaf, Als God roept ...
Uitg.mij. J. H. Kok, . Kampen, 1974 96 blz., prijs f 8,90.

In dit boekje zijn een aantal lezingen gebundeld, die ir. J. v. d. Graaf, algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk, rond de jaarwisseling '73-'74 gehouden heeft voor de NCRV-microfoon, samen met een aantal onderwerpen over het thema "roeping".
Die roeping gaat van God uit.
Daar moet de nadruk op vallen: God is het die uit-roept, uit-kiest (blz. 9). Die' roeping is persoonlijk en gemeenschappelijk, gemeentelijk. De naam isuitgeroepen over de mens individueel èn over de gemeente. Dat persoonlijk aspect, de "verborgen omgang" met God wordt aangeduid met de term "bevinding", maar de auteur snijdt alle verdenking van mystiek of: de roeping is wel persoonlijk, maar wortelt in een verbondsrelatie: "Hoe individueel het christen leven ook is, een christen is geen individualist"
(blz. 19).
In twee hoofdstukken levert de schrijver kritiek op de toekomstvisie van moderne theologen als Harvey Cox e.a., die zeggen dat er geen toekomst is dan die mensen maken, de toekomst van de stad van de mens. Het gaat in de Bijbel echter over de toekomst van God. Maar het hoort bij de taak van de mens signalen te geven van het komende Godsrijk, o.a, door de prediking. De mens wordt geroepen naar wat komt, naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Verder handelt de auteur over de roeping tot belijden en over de binding aan belijdenisgeschriften. Belijden is nazeggen van wat de Geest vóór-zegt in het Schriftgeworden Woord. Daarin zit ook een clement van getuigen, het getuigen van de kerk van haar opgestane Heer.
Getuigen mag niet opgaan in "dienst".
Dienst is ook een roeping, nl. dienst der verzoening, dienst der barmhartigheid, en dienst der gebeden en profetie. In dit "profeteren" is de kerk ook geroepen tot spreken in de samenleving, vanuit het Woord van God. Wanneer de kerk zwijgt, wie zal dan spreken? Als de kerk blijft zwijgen, is het te vrezen dat God Zelf gaat zwijgen.
Ook de lofprijzing behoort bij het leven van de individuele christen en van de gemeente; "Alles moet Hem eren": God heeft recht op de lof van zijn schepping.
Ondanks pessimisme over de ontwikkeling in onze tijd is er hoop voor de kerk: Door de overwinning van Jezus Christus is er uitzicht. Die zekerheid van de bevrijding moeten we niet laten overspoelen door de onzekerheid van wat we zien.
In een Appendix bespreekt ir. v. d. Graaf de roeping van de orthodoxie. Altijd is er een bepaalde spanning geweest tussen "orthodoxie" en "modernisme". Als opdracht voor de orthodoxie ziet de auteur: de objectieve waarheid van het Evangelie blijven stellen boven het subjectieve levensgevoel van de moderne mens. Helaas is de orthodoxie in Nederland gebroken door een sterke versnippering en dat zou moeten veranderen. En de orthodoxie mag haar wezenlijke kenmerken, nl. bevinding en godsvrucht, niet verliezen. Immers: "Naast het besef van Gods heiligheid tegenover onze nietigheid - God noem je niet zó maar de Vader - is toch de verborgen omgang met God het hart van de gereformeerde religie?" (blz. 92).
Dit boekje vormt een goede kennismaking (nieuw of hernieuwd) met de geest die er heerst in kringen van de "orthodoxie".
Wie daar slechts eenzijdig over is geïnformeerd (b.v. t.a.v. weigering van medische hulp in bepaalde kringen) of wie alleen maar denkt aan "zwartekousenkerk" en avondmaalsmijding vindt in dit boekje een goed tegenwicht.
Een paar kanttekeningen: In het begin van hoofdstuk 1 stelt de schrijver de vraag of de kerken reden hebben om wat jaloers te kijken naar opwekkingsbewegingen.
Hij stelt tegenover de massale toetredingen bij bepaalde geloofsgemeenschappen het kerk vergaderend werk van de Heilige Geest de eeuwen door.
Maar, vraag 'Ik me af, waar blijft dan in orthodoxe kring het leven uit de Geest, de "bezieling", het enthousiasme voor de zaak van God. Ik dacht dat er op dat punt wel reden is voor de kerken om enigermate jaloers te kijken naar die groepen die hun enthousiasme tonen.
Verder: Het hoofdstuk over de roeping van de orthodoxie (is het woord "roeping" hier niet onduidelijk, gezien de titels van de overige hoofdstukken?) is enigszins onduidelijk, doordat de schrijver onderscheidt tussen "orthodoxie" en "orthodoxie in engere zin". Wat het verschil is, is mij niet duidelijk geworden.
Ook vraag ik mij af of het juist is te zeggen dat alleen de orthodoxie de storm van de eeuwen trotseert en dat alleen geschriften uit de orthodoxe hoek een lang leven is beschoren. Is het oude dan alleen maar goed omdat het oud is?
Tenslotte: Afgezien van een aantal drukfouten is het boekje goed verzorgd, de hoofdstukken zijn overzichtelijk en er loopt een duidelijke lijn door. De omslag (van Hans Prins) is eenvoudig en de foto van de auteur gelukkig recent!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief