De verantwoording en oproep van Dr. M. J. Arntzen

1975-03-07
  • Jaargang 19
  • nummer 10
Bij het commentaar dat ik in voorafgaande artikelen gaf op de verwikkelingen in de kerk van Breukelen had ik nog geen kennis kunnen nemen van de lijvige verantwoording en oproep, die dr Arntzen inmiddels op de kerkeraadstafels heeft gelegd.
Met dit stuk van 16 folio-vellen heeft de schrijver de kerken binnen of buiten verband niet gediend; integendeel hij zorgde voor een nieuw stuk polarisering, waaraan we echt geen behoefte hebben.
Het stuk is niet binnen de kerken gebleven, maar heeft brede publiciteit verkregen; zo meldde het dagblad Trouw, dat wij van dr A. niet mogen lezen, met een grote kop dat hij niet wist dat het bij ons zo erg was.
Het liefst ging ik niet op de beschuldigingen aan het adres van onze kerken in dit stuk in.
Vanwege de verwarring die er is gesticht en in antwoord op vragen, die worden gesteld, nemen we de pen weer ter hand; daarbij houd ik mij zoveel mogelijk aan dit eigen geschrift van Arntzen.

In het eerste artikel schreef ik: A. is wel onder ons geweest, maar niet van ons geworden.
Er is mij gevraagd of ik deze woorden handhaaf, na kennisname van de verantwoording en een stuk van dr J. Douma in De Reformatie van 22 februari jl.
In mijn studie-jaren werd wijlen Prof. dr K. Schilder niet moede ons te zeggen dat het in de vrijmaking niet ging om de één of de andére verbondsbeschouwing, maar om een kerkelijke binding aan leeruitspraken en om schorsingen en afzettingen.
Je zou kunnen zeggen dat onze vrijgemaakte kerken uit het verzet hiertegen zijn geboren.
Er was toen een synode, die waakte over de leer en over gangbare meningen en krachtens haar door de Koning van de kerk verleende autoriteit predikanten en ouderlingen uit hun ambt zette en nota bene een hele gemeente buiten verband sloot!
Daarom zijn vrijgemaakt-gereformeerden van huis uit waakzaam op het punt van bindingen, schorsingen en buiten-verband zetten.
Uit het stuk van dr Arntzen en zijn gedrag maak ik op dat hij aan dit soort handelingen niet zo zwaar tilt.

In zijn verantwoording memoreert A. dat de kerk van Breukelen zich indertijd zeer heeft ingezet voor ds Van der Ziel in Groningen en vraagt dan of het nu de moeite waard was, of het recht zozeer in geding was dat men zoveel tijd en moeite besteedde aan een kwestie ver buiten Breukelen; immers ds v. d. Ziel bevindt zich thans evenals ds Schoep zonder verontrusting in de syn. gereformeerde kerk.
A. is voorts van mening dat de kerk van Breukelen door de kerken van Utrecht en Bilthoven is "meegesleept" buiten verband en ook hiervan geldt: was het de moeite waard.
We moeten wanneer we spreken over gedaan onrecht, over onheuse bejegening wel nuchter blijven.
want de ervaring leert dat bij een kerkstrijd aan beide zijden harde dingen worden gezegd en wij moeten niet denken, dat wij in dit opzicht ook maar iets beter zouden zijn dan de broeders en zusters binnen verband, aldus de verantwoording.
Deze uitlatingen maken duidelijk hoe zeer dr Arntzen een vreemdeling onder ons is gebleven, want wie vrijgemaakt is, spreekt niet zo. Wanneer er buitensluitende handelingen worden verricht luistert het heel nauw, want in de kerkelijke tucht moet duidelijk; worden dat de kerk, kerk is, en geen club van gelijkgezinden.
Daarom hebben we ons op de synode van Delfshaven indertijd maanden bezig gehouden met de toetsing van de gronden voor. de schorsing van ds v. d. Ziel. Ook hebben we, toen een synode een wettig afgevaardigde van de kerken van Noord-Holland wegstuurden op grond van een vertrouwelijk d.i. een aan de kerken niet van te voren bekend gemaakte instructie dit een aantasting van de rechten van de kerken genoemd en toen de synode van Hoogeveen de kerken van Noord-Holland, een hele provincie!, buitensloot, zuchtten we: dit is nog erger dan in 1944.
Hiervan verstaat dr Arntzen heel weinig; hij weet niet wat het betekent om geschorst of uit een kerkelijke vergadering te worden weggezonden; we moeten nuchter blijven, want er valt over en weer wel eens een hard woord.
Dr A. zegt: Ds v. d. Z. en Ds S. zijn niet verontrust en daarmee is voor hem de zaak bekeken.
Achteraf verwondert me dit niet zo erg van de man, die in zijn boek Het primaat van de paus, uitgegeven in 1966 schreef: Maar het is ontegenzeggelijk waar, dat er óók gegevens zijn in het N.T., die pleiten voor een meer hiërarchisch-geordende kerkregering. (pag. 6).
Daarom blijf ik stellen: A. is wel onder ons geweest, maar niet van ons geworden".

Verklaring convent Utrecht 1974/75

Op het laatstgehouden convent van onze kerken diende het voorstel van de commissie kerkverband om aan de voorgestelde regelingen voor het kerkverband een verklaring te laten voorafgaan, waarin de kerken duidelijk maken wie ze zijn en in welke geest zij de artikelen voor het kerkverband begeren te hanteren.
In deze verklaring staat o.a. dat de eenheid van de kerken allereerst en ten diepste bestaat in hetzelfde geloof, in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en in de gemeenschappelijke belijdenis.
De kerken verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de formulieren van de oude christelijke kerk en in de drie formulieren is uitgedrukt, haar eenheid en grond voor haar samengaan te vinden.
Na de opening van de eerste zitting van het convent stelde dr Arntzen aanstonds voor deze verklaring of pre-ambule aan te nemen.
Daaruit zou een mens afleiden, dat hij dit een goede verklaring vond.
Hoort nu echter dezelfde dr Arntzen in zijn verantwoording:

"Niet zonder oorzaak, broeders en zusters, heeft men in deze pre-ambule de oude formulering, zoals de synode van Dordrecht 1618/19 die vaststelde, veranderd en afgezwakt. De synode van D. eiste, dat men zou verklaren, dat de drie formulieren van enigheid in alles overeenstemmen met Gods Woord. Maar men verklaart nu in de pre-ambule, in het belijden van de waarheid van de H. Schrift, zoals die uitgedrukt is in de Drie Formulieren van enigheid, eenheid en grond voor samengaan te vinden ...
Het is duidelijk dat hier helemaal niet erkend wordt dat de belijdenis in alles overeenstemt met Gods Woord. De bijbel is uitgedrukt in de belijdenis.
Hoe? Gebrekkig? Met fouten?
In achterhaalde taal en met verouderde voorstellingen, waar wij thans weinig meer mee kunnen aanvangen? Al die mogelijkheden worden opengelaten".

Het spijt me voor dr Arntzen, maar hier is zijn verontrusting echt op hol geslagen.
Hij verdenkt de commissie kerkverband er van dat deze broeders bewust, niet zonder oorzaak, een nieuw ondertekeningsformulier voor dienaren van het Woord hebben ingevoerd, waarin de binding aan de belijdenis is afgezwakt.
Maar dit is helemaal niet het geval.
De nu door Arntzen aangevochten verklaring is zoals ik al schreef bedoeld als een soort presentatie.
In het concept accoord van kerkelijk samenleven staat in artikel 17 te lezen:

"De ambtsdragers zullen de Drie Formulieren van Enigheid ondertekenen als blijk van hun instemming met de leer van de kerk. De dienaren des Woords zullen dat doen in een regionale vergadering, met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier. Indien een dienaar de ondertekening weigert zal de uitoefening van zijn dienst opgeschort worden tot hij zich nader zal hebben verklaard en bij volhardende weigering zal hij uit zijn dienst worden ontslagen".

Hiermee is aangetoond dat met het aanvaarden van de verklaring niet heimelijk een nieuw ondertekeningsformulier is ingevoerd.
De beschuldigingen van dr A. raken op dit punt dus kant noch wal.
Hij kan wellicht deze zaak eens bespreken met dr J. Douma, die in zijn door mij al genoemde kritiek op onze kerken in De Reformatie van 11 januari beter weet te onderscheiden en spreekt van een pre-ambule met op zichzelf een goede formulering.

Geen reden voor verontrusting?

In Breukelen is volgens de toelichting geen sprake van een herder, die de schapen in de steek liet; integendeel, hij wilde waken voor de hoogheid en heiligheid van het ambt, maar dit werd hem door de kerkeraad onmogelijk gemaakt en zo dwong de raad hem heen te gaan.
Een herder moet er namelijk op toezien dat er geen verkeerde leer in de gemeente wordt gebracht.
Je vraagt dan wanneer zou dat toch gebeurd zijn in Breukelen.

Weest u maar gerust, het is niet gebeurd; maar zo lezen we: het gevaar dat het gebeurt is niet denkbeeldig, Naast hartelijke instemming met de belijdenis vond dr A. ook vaak allerlei reserves en vertelt dan over "een predikant" die in 1965 iets in Opbouw schreef, een andere predikant die in 1969 iets verklaarde en hij noemt terloops nog de in de kerken buiten verband voergestelde formulering dat we de belijdenisgeschriften aanvaarden "omdat en voorzover zij met de Heilige Schrift overeenstemmen".
U bemerkt, ook hier gaat het van kwaad tot erger en het eindigt met de volgende peroratie: men moet weten dat elk van de predikanten, die men kan laten voorgaan, die men kan beroepen, recht achter de belijdenis staat. En helaas weten we dat van velen niet.
Ook hier slaat de verontrusting op hol door op uiterst lichtvaardige gronden zulke ernstige beschuldigingen over onze predikanten uit te spreken, Ik aarzel niet dit schandelijk te noemen. Moet er krachtens de leer, waarvoor dr A. zo ijvert, niet meer gewaakt worden voor de goede naam en eer van de dienaren van het evangelie?
De uitdrukking t.a.v. de formulieren "voorzover zij overeenstemmen" kennen we uit de historie maar al te goed en het is eenvoudig fantasie dat deze formulering bij ons is voorgesteld, laat staan zou dienen.
Maar hoe komt dr A. nu tot al die beschuldigingen.
Hij sohrijft: Een theologisch student, die in deze kerken vergunning kreeg in de prediking voor te gaan, hield bij zijn examen in de provincie Utrecht een zeer horizontalistische preek en verklaarde dat hij wilde blijven in de weg van hetgeen in de drie formulieren beleden werd. Deze student stelde zich dus niet rechtuit. zonder reserve achter de belijdenis.
Wat zullen we hiervan zeggen.
Allereerst dat uit de verantwoording blijkt dat dr Arntzen niet een zodanig evenwichtig getuige is, dat het verantwoord is alleen op zijn oordeel af te gaan.
Onze dienaren van het Woord hebben zich voor zover mij bekend met het ondertekeningsformulier aan de kerken verbonden; er kunnen uitzonderingen zijn en bij de nadere regeling van het kerkverband zal deze zaak vanzelf aan de orde komen.
Van de regio's mogen we verwachten, dat zij bij het verlenen van preekconsent staan voor ons belijden.
Vast staat dat onze kerken het gereformeerd belijden willen handhaven, maar evenzeer dat dit niet moet gebeuren op de rnanier waarvan dr A. in zijn verantwoording enige verontrustende staaltjes ten beste geeft, Voor een eerste reactie is dit wel genoeg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief