De Marskramer is thuisgekomen (3)

1975-03-07
  • Jaargang 19
  • nummer 10
lk was de vorige week nog niet uitgepraat over die boeiende figuur van Baas, In het laatste stuk van het artikel van toen memoreerde ik hoe hij met zijn schrijven in "De Reformatie"begon en dat hij daarin een reeks "hoofdartikelen" schreef waarmee hij het zoals !hij op zijn ironische manier vertelde "klaarspeelt alle gereformeerde kerkbodes 'van Nederland tegelijk, onder aanvoering van de gezagsvolle "Heraut" tegen (zich) in het harnas te jagen. Thijs Booij zal later niet zoveel stof doen opjagen als ik doe door mijn artikelenreeks in de (toenmalige) “Reformatie"."

Ik zal nu een paar fragmenten citeren uit die "hoofdartikelen".
Dan kan met "proeven" in welke geest hij schreef. Na een ongezouten kritiek op de dorre, taaie, lange, traditionele preken die er toen nog (?) vaak in de gereformeerde kerken werden gehouden. geeft Baas het volgende advies:

Ik geloof dat de oplossing eenvoudig is.
Laat de predikanten met ons de Bijbel gaan lezen. Laat hen die voor de gemeente uitleggen. Die uitlegging behoeft niet steeds de vorm te dragen van een rede, naar alle ei sen der homiletiek opgebouwd.
En de gemeente heeft het zo nodig. Wij weten zo weinig van de bijbel (Baas wees er herhaaldelijk op dat de bijbelkennis onder de gereformeerden in hoofdzaak wat teksten kennis is - C.V.) De verhalen zitten er nog zo wat in, maar overigens valt het niet mee. We kennen de klanken wel, maar verstáán zo weinig wat wij lezen. En eerlijk gezegd, maakt de prediking ons niet veel wijzer. Op de laatste vergadering van de Vereniging van Predikanten der Geref. Kerken, werd dit door Dr De Moor aldus erkend: "Veel cririek op de prediking komt daaruit voort, dat we te weinig de ganse Schrift brengen, te veel circuleren in een bepaalde kring van teksten. Legden we voor onszelf meer de gehele Bijbel uit, dan zou onze prediking rijker zijn."
Wanneer dit meer de hoofdgedachte wordt: van de prediking wordt niet in de eerste plaats stichting, ontroering, bezieling, maar uitlegging verwacht, dan kan ook het meer bescheiden talent (nI. om te "spreken" - C.V.) tot zijn recht komen. Doch die uitlegging zij praktisch.
Men brenge niet meer dan nodig: Westerse mensen over in een oosterse wereld en plaatse zoveel mogelijk de Oosterse mannen en vrouwen in ons midden. Steeds blijke: "Elia was een mens van gelijke beweging als wij." Wat ik hiermede bedoel wil ik illustreren met een aanhaling uit een artikel van dr e. E. Hooykaas over het werk van Prof. dr J. J. Hartman over Plutarchus. Deze stelt die wijsgeren als levend voor ons. De statige classici hebben zich daarover groen en geel geërgerd. Maar dr Hooykaas zegt: "Och, of wij op het gymnasium onze auteurs zo hadden mogen leren lezen. Ik had er voor over Virgilius levenslang op pantoffels voor mij te zien - al heeft de gehele oudheid geen pantoffels gekend - mits hij maar leven gekregen had."

Baas is met dat woord zijn tijd ver vooruit geweest. Vele jaren later gaan de theologen discussiëren over het thema "Thema- oder Textoredigt"? en de "Gleichzeitigkeit" van toen en nu!
Mediterend over Luthers woord dat het geloof een "onrustig ding" is schrijft Baas:

"Modern" is nog in veler ogen niet maar hij, die de Christus der Schriften verwerpt; maar een preek, die afwijkt van het geijkte model en van de oude klanken, heet in de volksmond een "moderne" preek, waarbij men dan terdege het woord modern in zijn kerkelijke betekenis gebruikt. Nu ja, waarom zouden we ook niet gerust zijn? Wij hebben de zuivere leer, plechtig met het Votum Dordracenum bekrachtigd. Wij hebben de zuivere kerkregerinz, en Scheiding en Doleantie op de deformatie veroverd.
Wij hebben vele, volle kerken en een keur van knappe predikanten. Wij verzorgen onze armen, onderwijzen onze jeugd en rijpere jeugd en verplegen onze zieken. Wij hebben een Koningin uit het oude Huis van Oranje, en christelijke ministers. De schoolstrijd hebben wij goeddeels gewonnen. Natuurlijk, wij moeten paraat blijven, om dat alles te consolideren.
Maar hebben wij overigens geen reden tot rust?
0, ik zou gerust zijn en u zoudt gerust zijn, als het geloof er niet was. "Gij weet, het geloof is een onrustig ding".
Het dwingt de mens zijn "slichting'" te peilen tot op de bodem. Het hitst de mens tegen zichzelf aan, zolang tot zijn stille stichting in het hete hijgen overgaat.
Het hitst de mens tegen de dingen aan, tot zijn berusting sist en smelt in de vlam van het heimwee. Het hakt de palmen van Elim om, opdat ons een perspectief geopend worde op Jeruzalem.
Het "ontziet" niets en "herziet" alles. Het plaatst de moeilijkheid, waar wij vandaag omheen lopen morgen weer vlak voor onze voeten. Het stoort onze nachtrust zolang, totdat we Eli en Samuël verstaan. Het jaagt ons zolang op, totdat wij niet langer rusten in welke werkelijkheid ook, maar alleen in het ideaal!

Is dit niet een doordringende, maar tegelijk ook zeer positieve kritiek op de gezapige burgerlijkheid welke in die dagen het gereformeerdendom zo dikwijls aanstotelijk maakte?
Nog één fragmentje wil ik citeren.
Er is, aldus Baas in onze kringen een tekort aan apocalyptisch besef.

En eigenlijk verklaart dat alle tekorten.
Want wij hebben vele perspectieven, in plaats van het éne perspectief: de komende Heer. Wij berekenen vele mogelijkheden, in plaats dat wij ons richten naar de éne zekerheid: Jezus Komt. En daarom is elke berekening een verrekening.
Als wij het beeld van de komende Heer uit het oog verliezen, doen wij niet aan evangelisatie, want "onze kerk zal er wel geen voordeel van hebben". Dan lachen wij als verlichte mensen, om occulte dingen, omdat de tijd van "bloed en vuur en rook damp" door ons naar het verre verschiet is verschoven. Dan verkilt onze sociale erbarming, omdat we steeds maar rekenen hoelang we met onze penningen nog wel "toe" moeten.
Dan wordt onze godsdienst repeteren in plaats van verwachten. De bekende De Liefde schreef eens in een nieuwjaarsbrief: "Mocht dit jaar het laatste der wereld zijn". Verstaan wij nog wel iets van deze stemming?"

Deze woorden werden voor meer dan een halve eeuw geschreven.
Kennen wij nu wel iets van deze stemming?

Een ongekend hoogtepunt bereikte Baas' journalistieke arbeid in zijn destijds, ik mag wel zeggen: beroemde rubriek "Even Parkeren".
Hij was de eerste "columnist" in de gereformeerde wereld.
In één kolom, of zelfs maar een stuk ervan, besprak hij "de daverende dingen dezer dagen", eerst uit de gereformeerde wereld maar ook wel uit die daarbuiten.
En hij deed dat op een volstrekt unieke, altijd humoristische wijze, vol ironie, maar dat alles gedragen, door een innig geloof in zijn Meester en een warme liefde voor Diens kerk. Het was voor de oorlog zó dat iedere Reformatielezer het eerst naar "Even Parkeeren" greep. Er is gelukkig een bloemlezing van verschenen die dezelfde titel draagt - Wie die te pakken krijgen kan moet zich die kans niet laten ontsnappen!Toen ik die dezer dagen nog weer eens doorlas dacht ik: wat zou deze man als hij een verdere journalistieke scholing had gekregen en in de "grote pers" was beland een grote zijn geworden. Hij zou een evenknie zijn geworden van mannen als Bomans en Carmiggelt.
Maar ik weet zeker dat Baas naar zo iets nooit heeft gehaakt, zelfs daaraan niet heeft gedacht.
Hij bleef trouw aan zijn pet, zijn markttrui, zijn zeepkist je op de mankt, zijn zaaltjes - en bovenal aan het Evangelie. En hij werkte dag en nacht voor een hongerloontje, blij in de Heer als een oer-gereformeerd man.
Ik wil ter afsluiting van dit artikel drie fragmenten citeren om te laten Zien hoe Baas zijn werk zag.
Men moet, zo schreef hij eens:

geen enkele methode van evangelisatie canoniseren. In de praktijk van het werk moet altijd enige mobiliteit bestaan. Beginselvastheid is broodnodig, maar zich in een schema vastbijten is verkeerd. Leven is gevaarlijk en gevaarlijk is het te werken. Er is vaak slechts één stap tussen een wijs man en een schematistische nar. Maar als ik geheel op de arbeid ingeschoten ben, zullen de hoofdlijnen van een waarlijk schriftuurlijke evangelisatie mij helder voor ogen staan en men sta mij toe dit in mijn vertelling in te lassen.
1e. Voorop moet gaan de volksprediking in woord en geschrift. Wielen ga zal op een congres uitroepen: "Wij zijn geen hengelaars, maar vissers van mensen!"
De Graaf zal de nadruk leggen op het bevel: "Onderwijst de volken" en dit z6 verstaan: grijp die volken aan in hun organische leven. Het is natuurlijk bijkomstig en van de omstandigheden afhankelijk of deze volksprediking op straat en in stadions, in zalen of in de bedrijven (de nieuwste vorm) geschiedt.
2e. In de tweede plaats volge de arbeid aan de gezinnen door huisbezoek en huiscatechisatie. Dat is het, wat wij meermalen in de Handelingen der Apostelen lezen: "Hij bekeerde zich tot God met geheel zijn huis". Zó heb ik het ook meermalen aanschouwd. Het is "de lijn des Verbonds", zoals de gereformeerden dit noemen.
3e. In de derde plaats volge de arbeid aan de afzonderlijke categorieën (jeugd, bejaarden, studerenden enz.). Bij deze arbeid aan de afzonderlijke groepen kan desnoods de zogenaamde "daad zending" ingeschakeld worden, maar deze behoort altijd ondergeschikt te blijven aan de prediking van het evangelie. Want die prediking zelve is een dáád!
4e. Heel deze arbeid geschiede in gewilde, bewuste soberheid. Geen surrogaatkerkje mag worden gesticht, maar altijd moet worden heengewezen naar de bediening van Woord en Sacrament in de Gemeente des Heren.
Zo heeft Brummelkamp het gezien en Lindeboom, Grosheide en "Wielenga, zo hebben Vollenhoven (de professor), De Graaf en ik het telkens opnieuw doorgesproken en uitgewerkt.

En het tweede citaat is dit:

Er is nog een zorg: ik ben gereformeerd straatprediker en zal dit steeds meer worden. Dit zal mijn mogelijkheden sterk beperken, maar ik zal niet anders willen.
Natuurlijk heb ik al mijn zusters en broeders hartelijk lief. Als jongen heb ik vaak met mijn buurman Maarten van "De Vergadering" (de zogenaamde Darbisten) gezeten op de bank van mijn huis en met hem gepraat over de dienst van God, Maar dat neemt niet weg, dat ik zelf tot de gereformeerde gezindheid behoor en de Institutie van Calvijn minstens vijfmaal heb doorgelezen. Een gereformeerd evangelist zal nooit tot een willekeurig mens zeggén: "God heeft u lief." - Wat weet hij daarvan? "Hij ontfermt Zich over wie Hij wil en Hij verhardt wien Hij wil." (Rom. 9: 18).
Dat wil niet zeggen, dat hij voor zijn publiek met een mond vol tanden staat.
Professor Lindeboom placht te zeggen: "God is ruimer dan wij met z'n allen".
Al sprekend gaat de gereformeerde evangelist uit van de Roeping. God komt souverein tot de mens en zegt: "Gij zijt van Mij! Volg mij!" De Dordtse Leerregels ("Ken je ze wel?" zou professor Fabius zeggen, ,,'t is net een gebedenboekje!") drukken dit zó uit. "Zovelen door de stem des evangelies geroepen worden, die worden waarachtiglijk geroepen.
Want God belooft allen die tot Hem komen, de rust der zielen en het eeuwige leven." Dit heb ik de mensen gepredikt, mijn leven lang."

En dan nog dit:

Ik wil een gereformeerd evangelist zijn en moffel de kerk niet weg, ik wijs heden naar het doopvont en naar de avondmaalstafel, ik speel geen dominee maar tracht steeds uit de Schrift heen te wijzen naar de Bediening des Woords in de gemeente des Heren. Dan trekken zich sommigen geërgerd terug. De weg van de minste weerstand te volgen is gemakkelijker, doch de prediking van het Verbond in zijn eis en belofte blijft niet ongezegend. Er is een 80-jarige vrouw, die zegt: "Ik wil niet ongedoopt sterven" en zij buigt de oude knieën bij het doopvont. Zelf is mijn Doop mij dierbaar. Als de dragers mijn baar op de schouders zullen tillen, begeer ik maar één grafrede: "Hij is gedoopt en heeft in de God van zijn Doop geloofd!"
Is dit niet een heerlijk woord?
Ik wil er dit artikel mee beëindigen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief