Wie kan bestaan?

1975-03-14
  • Jaargang 19
  • nummer 11
Als het Lam de 6e zegel opent, breekt het licht door van de grote morgen, Dat gaat gepaard met veel verschrikkingen: het heelal wordt uit zijn voegen gelicht. En de kreet klinkt: de dag van de toorn van God en van het Lam is gekomen - wie kan bestaan? Kan iemand die dag over leven?
Nu mag Johannes zien, dat de groei op de akker van de wereld niet alleen is de groei naar het verbranden van het onkruid, maar ook naar het binnenhalen van de oogst (verg. Matth. 13 : 24-30).
Zal er nog tarwe over zijn? Daar zorgt de Here Zelf voor.
Johannes mag de aarde overzien, als een plat vlak. Op de hoeken staan vier engelen, die de stormen van Gods toorn vasthouden. Ze staan er, als een voortdurende bedreiging. Maar: ze moeten wachten.
Een vijfde zegel verschijnt uit het oosten. Met zijn metgezellen (in vs3 spreekt hij over "wij") moet hij eerst ,zijn taak volbrengen. Pas daarna mogen de andere vier de stormen doen losbreken. Opnieuw zien we de lankmoedigheid van God, die niet wil dat sommigen verloren gaan (2 Petr. 3 : 9).
waar de zon opgaat, waar het waar de zon opgaat, waar het licht vandaan komt) moet eerst de dienstknechten van God verzegelen; d.i. hun het eigendomsbewijs van de Here als een stempel opdrukken, en hen zo vrijwaren voor het gericht.
Johannes zal zonder moeite het gezicht uit Ezech. 9 hebben herkend.
Ook daar gaat iemand de gerichtsengelen van de Here vooruit: een man in linnen, met een schrijfkoker. Eerst gaat hij rond door Jeruzalem, om een merkteken aan te brengen op het .voorhoofd van hen, die zuchten en kermen over al de gruwelen, die daar bedreven worden. De getekenden worden behouden, als achter de man in linnen de gerichtsengelen van God komen.
Typerend voor de dienstknechten van de Here is, in die periode van diep verval, hun verdriet over de zonde en de afgoderij. Zo heeft Lot zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van Sodoms tegen alle wet ingaande werken. Zo zijn er ook in de eindtijd, net als in Jeruzalem vlak voor de ballingschap, rechtvaardigen die verdriet hebben om de zonde in de wereld. En die eindtijd - bij ons spreken daarover moeten we dat steeds voor ogen houden - begint op Pinksteren, Hand. 2. Door heel de geschiedenis .heen is de Here bezig, de Zijnen te verzegelen.

De Here doet dat volmaakt.
Johannes hoort hun getal: 144.000, verzegeld uit de stammen Israël.
Het is de eerste maal, dat in het boek Openb. de naam Israël wordt genoemd (afgezien dan van 2: 14, waar het om 'een voorbeeld gaat), De vraag komt .op: gaat het hier om mensen uit het volk Israël, of is de naam te nemen in de zin van: Gods uitverkoren volk, zijn gemeente van alle tijden? En daarmee in direct verband: zijn de 144.000 dezelfden als de schare die niemand tellen kan, of zijn het anderen? Gaat het in het eerste deel om gelovigen uit Israël, en in het tweede om gelovigen uit alle volken, of duiden beide delen van dit hoofdstuk dezelfde mensen aan? (Een derde opvatting, dat de 144.000 bijzondere dienstknechten Gods zouden zijn, laat ik nu maar buiten beschouwing.) Ik sluit me aan bij de mening, die beide gelijk stelt.
Het gaat in het eerste deel om het getal. Johannes ziet niets, dat komt straks. Hij hoort eerst hun getal. En dat getal heeft symbolische betekenis. Het is het getal van het volmaakte werk Gods: 12 x 12 x 1000. 12 is het getal van de gemeente Gods (stammenapostelen).
12 in het kwadraat is de volde gemeente, de afgebouwde kerk van alle eeuwen.
1000 (10 x 10 x 10) betekent: heel veel, door de Here tot volheid gebracht.
Deze symbolische betekenis van het getal maakt het m.i. aannemelijk het gelijk te stellen met "de schare die niemand tellen kan".
In die schare is de belofte aan Abraham vervuld: zijn nageslacht is als het zand der zee, als de sterren aan de hemel. Door het noemen van de 12 stammen wordt de gemeente kenbaar als het ware zaad van Abraham (verg. Gal. 3 : 29). Daarbij wordt duidelijk, dat de Here geen voorkeur heeft voor de ene staf of andere. De stammen worden in een tamelijk willekeurige volgorde genoemd.
Zo komen trouwens ook in het O.T. nooit zo precies op een rijtje voor als we ze vroeger op school leerden.
Nieuwtestamentisch gezien is het heel natuurlijk, dat de stam van de Leidsman vooropgaat. Uit die stam is de Christus ,geboren, de voorganger, de Leidsman van ons geloof. De leeuw uit Juda.
De oude priesterstam Levi staat zo maar tussen de anderen in.
Geen bijzondere plaats meer, want heel de gemeente is een koninkrijk van priesters.
De naam van Efraïm ontbreekt.
U vindt: Manasse en Jozef. Efraïm is de grootste stam geweest van het noordelijk rijk. Deze stam verzette zich het meest tegen het koningschap van David en zijn zonen. De samenvatting van de scheuring van Gods volk. Die breuk is geheeld in Christus. De naam, waarin de breuk en de rivaliteit a.h.w. verpersoonlijkt zijn, verdwijnt. In de kerk ,van de voleinding is geen plaats voor scheuring en voor verzet tegen de Gezalfde des Heren.
Evenmin is daar plaats voor afgodendienaars. Daarom ontbreekt ook de naam van Dan. In die stam hebben afgoderij en beeldendienst het eerst een hoogtepunt bereikt, Richt. 18.
Een ernstige waarschuwing, voor ieder die de afgoden en denkbeelden van deze tijd zou willen overnemen.

Die afgoderij en (denk) beeldendienst zijn voor de kinderen Gods een groot verdriet (verg. het zuchten en kermen uit Ezech. 9); en ze brengen ook de gerichten van de Here over de aarde.
Aan hun verdrukking ontkomen zij, die hun gewaad hebben gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam. D.w.z. die de vergeving van hun zonden en de dagelijkse vernieuwing van hun leven hebben gezocht bij Christus.
En daarin tegen de stroom van hun tijd hebben opgeroeid. Zij worden verzegeld. Zij worden behouden. Zij mogen feestvieren.
Dat feest vindt plaats in Gods tempel: het is een schare van priesters.
Ze dragen palmtakken. Dat wijst op het israëlitische loofhuttenfeest.
Daar wijst ook vs 15 naar: Hij, die op de troon gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden.
Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten.
Het loofhuttenfeest had in Israël tweeërlei betekenis. Het werd gevierd aan het einde van de oogst. Wie dit feest kon vieren, hoefde geen honger en dorst meer te hebben. Het was ook de herinnering aan de tocht door de woestijn. In Lev. 23 lezen we als bedoeling: Opdat Uw geslachten weten, dat lik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde: Ik deed ze ontkomen aan de grote verdrukking. Israël werd bevrijd - maar om van de vrijheid te kunnen genieten, moest het ook de reis door de woestijn maken.
Is zo niet de gemeente, die de Naam van de Here belijdt, op weg naar het oogstfeest van de Here?
Op weg door de woestijn (verg. hoofdstuk 12), maar veilig. Want het Lam, dat in het midden van de troon is,zal hen weiden en hen voeren naar de waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
Het Lam is hun herder. Zelf sprak Hij: Ik hen de goede Herder. Ik geef Mijn leven voor de schapen, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Zij zullen ingaan en uitgaan en weide vinden (Joh. 10).
Geloven is: onze gewaden wassen in het bloed van het Lam. Ons stellen onder de hoede van deze Herder. Door Hem worden we geleid naar het feest van de oogst.
Door de woestijn, door verdriet, door verdrukking, brengt de grote Herder Zijn schapen tot de ene kudde. De schare, die niemand tellen kan, waarover de Here Zelf Zijn tent spreidt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief