Persschouw

1975-03-14
  • Jaargang 19
  • nummer 11
Er zijn in ons land veel politici, maar weinig staatslieden. Zou er onder de actieve politici wel één zijn? Naar een bekend woord van Churchill is het verschil tussen politici en staatslieden dat de eersten aan de eerstvolgende verkiezing, de laatsten aan de komende generaties denken.
Een man die zonder twijfel een staatsman was en is is dr Drees Sr.
Een echte socialist en een echte democraat.
Er is dezer dagen in de bekende en veelal interessante "A.O.- reeks", die uitgaat van de Stichting Ivio een interessante aflevering verschenen waarin een interview met de "Minister van Staat" dr W. Drees is opgenomen. Het is zeer de moeite waard daarvan kennis te nemen. Ik wil hier enkele uitspraken van hem doorgeven.

• (De redenen waarom dr Drees voor de P. v.d.A. bedankte) waren enerzijds het streven naar een zogenaamde progressieve volkspartij, waarbij het eigen gezicht van de socialistische PvdA verloren zal gaan en anderzijds de heilloze polarisatie waartoe de partijleiding onder druk van een kleine minderheid steeds meer begon over te gaan. Hoe volkomen heilloos polarisatie in ons land is, heeft de kabinetsformatie van verleden jaar duidelijk bewezen: zolang er meerdere partijen zijn, zolang men derhalve toch regeringscompromissen moet sluiten omdat men zelf geen meerderheid kan behalen bij de verkiezingen, moet men tijdens de verkiezingscampagne niet doen alsof dat wèl zo is. Zo te handelen is niet alleen onverantwoord, maar ook misleidend ten opzichte van talloze kiezers.

• In de toekomst is een botsing binnen de PvdA onvermijdelijk. De links-extreme achterban wil de greep op de partijleiding versterken. Deze tendens zal eerder toenemen omdat er veel te veel verwachtingen zijn gewekt dan men kan realiseren. Vroeger slikte men heus óók niet alles: denkt u eens aan de grote moeilijkheden waarin met name Troelstra in 1913 verkeerde ten aanzien van het al of niet deelnemen aan de regering.
Maar nooit heeft een dergelijke situatie geleid tot fundamentele tegenstellingen zoals men ze nu binnen de PvdA kan waarnemen. Misschien zal het feit dat de PvdA nu regeringspartij is, deze tegenstellingen naar buiten toe althans enigszins verzachten, maar mijns inziens zal dit slechts van tijdelijke aard zijn.

• - Een eventueel uittreden uit de Navo heeft geen enkel effect. Persoonlijk ben ik er absoluut tegen, aangezien ik er van overtuigd men dat er dankzij de Navo in dit deel van de wereld geen oorlog heerst. De Navo als geheel moet onderhandelen met de Warschaupact landen over bewapeningsvermindering.
De dictatoriale regimes zijn natuurlijk volstrekt verwerpelijk, maar je helpt de bevolking van deze landen zeker niet door uit de Navo weg te lopen. Optreden tegen hen binnen de Raad van Europa bijvoorbeeld, juich ik ten zeerste toe; bovendien, dat is duidelijk gebleken, kunnen dergelijke initiatieven wel degelijk positieve resultaten hebben. Maar ik wil hier nog iets aan toe voegen: zelfs al zouden meerdere landen uit de Navo treden, dan nog bereikt men niets voor de bevolkingen van dictatoriaal bestuurde landen. Integendeel, ik geloof dat dit deel van de wereld (West-Europa) - en hiermee deel ik op dit punt de visie van mr. Van Riel - zal worden 'ge-Finlandiseerd', dat wil zeggen dat er weliswaar na het eenzijdig uiteenvallen van de Navo geen militaire aanval hoeft te worden verwacht, maar dat wij, gelijk Finland, economisch en politiek geheel en al afhankelijk van het Oostblok zouden zijn.

• - Als de Nederlandse regering dit (het verbreken van diplomatieke betrekkingen met dictatoriaal bestuurde landen) inderdaad serieus en consequent zou gaan doen, dan zouden we maar weinig landen overhouden waarmee de betrekkingen kunnen worden gehandhaafd! Mijn mening is dat ons land, welke bezwaren men dan ook mag hebben tegen de wijze waarop bepaalde (en men kan eigenlijk wel zeggen: de meeste) landen ter wereld worden bestuurd, juist de contacten zoveel mogelijk gaande moet houden.
Actie voeren langs de daartoe geëigende wegen, dat is een vanzelfsprekende zaak.
Maar ook daarmee is voorzichtigheid geboden, opdat ons land internationaal niet als een risée worde beschouwd.

• (Het grootste bezwaar tégen het optreden van de z.g. "progressieve drie" is) de volkomen verwerpelijke polarisatie.
Polarisatie wil zeggen: we spreken met niemand met wie wij het vóór de verkiezingen niet eens zijn geworden. Dat is óók een negeren van de verkiezingsuitslag!
Het is volstrekt onwezenlijk en ondemocratisch dat men van de confessionelen heeft geëist te bukken voor de dwang van de progressieven. De KVP kan nu eenmaal nog niet worden gemist als regeringspartij, maar hierbij wil ik er wel sterk de nadruk op leggen dat ik bijzonder groot bezwaar heb tegen de wijze waarop de KVP twee keer een breuk forceerde met een constructief meewerkende PvdA, in 1959 en in 1966.
Een minderheidskabinet te vormen in ons land is dwaasheid z6nder te willen overleggen.
Polarisatie is ondemocratisch tot en met en brengt het landsbestuur in gevaar.
De wijze waarop het kabinet-Den Uyl toch nog tot stand is gekomen vormt een bevestiging van mijn mening: ondanks alle verkiezingsuitspraken hebben de progressieven toch moeten onderhandelen met de KVP en de ARP.

• Nederland moet ervoor oppassen niet als een lastige en machteloze bemoeial te worden beschouwd. Wij moeten rekening houden met de uiterst kleine positie die wij in de wereld innemen. Ons land moet wel een. oordeel uitspreken als lid van de V.N., de EEG, de Raad van Europa en andere organisaties waarvan wij deel uitmaken. In organisatorisch verband hebben wij zeker een taak, maar de regering moet zich juist voorzichtig opstellen en terughoudendheid betrachten, want anders hebben wij helemaal geen invloed meer.

• Een volkomen democratisering van het bedrijfsleven is volgens mij niet mogelijk: men denke bijvoorbeeld aan het feit dat er veelal zeer snel beslissingen moeten worden genomen en aan de vaak bijzonder ingewikkelde technische problematiek.
In feite is er nu al sprake van een vrij sterke democratisering: de raad van commissarissen wordt op gelijke voet benoemd door de ondernemingsraad, aan welke vrij ruime bevoegdheden zijn gegeven, ook al is het beslissingsrecht gebleven bij de directie.
De arbeiders kunnen niet individueel allen bij de beslissingen worden betrokken: als voorbeeld noem ik het internationaal verspreide Philipsconcern, waar het onmogelijk zou zijn om iedereen te raadplegen inzake b.v. de jaarlijkse productie van computers.

• ·(Dr Drees geeft twee voorbeelden van verandering in zijn politieke opstelling): In de eerste plaats mijn standpunt tegenover de monarchie. Vele jaren was de S.D.A.P. republikeins gezind, al heeft dit nooit in het partijprogramma gestaan. Maar in de jaren dertig is hierin verandering opgetreden; vooral tegenover het nationaalsocialisme ontstond een tendens tot nationale samenwerking, een toenemende neiging om de tegenstelling oranje-rood te laten varen. Dit is geen individuele verandering geweest, de hele partij heeft dit standpunt aanvaard.
Men vindt mij nogal monarchaal. Bij de troonsbevestiging van koningin Juliana in 1948 was ik zelf premier en daarna zijn er in de loop der jaren bepaalde banden van persoonlijke aard gegroeid.
Voor ons land is er geen enkele reden om de monarchie af te schaffen.
Eenzelfde verandering heeft zich voorgedaan tegenover het probleem van de landsverdediging. Ook ten aanzien van dit punt is in de jaren dertig door de toenemende Duitse bewapening en agressie (bezetting van het Rijnland) en het falen van de Volkenbond tegenover de agressie van Italië en Japan voor de S.D.A.P. gaan gelden: Nederland moet zich kunnen verdedigen; dat wil zeggen dat ook hier sprake is van een groei naar grotere nationale eenheid.

• - De inflatie is slechts ten dele een nationale zaak; men moet de invloed van de internationale inflatie zeker niet onderschatten.
Een waterdichte verklaring van dit verschijnsel is overigens niet zo gemakkelijk te geven. In de eerste plaats is daar natuurlijk de zogenaamde 'loon en prijsspiraal', dat wil dus zeggen hogere en vervulde looneisen hebben als gevolg hogere prijzen. Maar belangrijk is ook de ruimere opvatting die de laatste jaren valt te constateren tegenover de overheidsuitgaven. Men kan niet aan de indruk ontkomen dat er tegenwoordig gemakkelijker wordt gedacht over het uitgeven van overheidsgelden dan in vroegere jaren en dat men bij het opzetten van het een of ander van overheidswege niet altijd voldoende (zoals ik als minister-president wèl placht te doen), zich afvraagt wat dit wel zou kunnen en of mogen kosten.

• Bij de laatste kabinetsformatie zagen we dat, ondanks alle herhaaldelijke beloftes om niet te gaan onderhandelen, dit toch gebeurt! Burger deed het heel erg handig, maar het was allemaal alleen maar woordenspel als men de progressieven hoorde beweren, dat er van onderhandelen geen sprake was. Deze hele vertoning is één grote bevestiging geweest van de onhoudbare verkiezingsopstelling van PvdA, PPR en D '66: men blijft te maken hebben met minderheden die m6eten onderhandelen. Weigert men dit, dan handelt men volkomen ondemocratisch omdat men daarmee het beginsel van onze parlementaire democratie verloochent.
In de samenleving van vandaag zijn er tendenzen waar te nemen in de richting van vaak onnodige opwekking en stimulering van tegenstellingen in plaats van het te zoeken in overlegmogelijkheden.
Bij bepaalde groepen is het dan ook echt 'in' om elke tegemoetkoming aan hun wensen of een gedeelte ervan, alleen maar te zien als een 'zoethoudertje' en als men een wetenschappelijk tintje wil geven dan spreekt men, in navolging van Marcuse van wie wij overigens de laatste tijd niet veel meer hebben vernomen, van 'repressieve tolerantie': er màg dus geen waardering zijn voor bepaalde resultaten, hoe belangrijk ze ook mogen zijn. Ook de presentatie van het 'conflictmodel' tegenover het 'harmoniemodel' in de verhouding werknemers en werkgevers doet hier en daar nogal opgeld. Maar men dient niet te vergeten dat zowel de ondernemers als de werknemers er gezamenlijk belang bij hebben dat het bedrijf goed wordt beheerd, dat de arbeidskosten niet dermate stijgen dat inkrimping of zelfs sluiting van het bedrijf het gevolg is.

• Maatschappijkritisch te zijn is tegenwoordig nogal in de mode en dat is allemaal heel. mooi, maar zeker niet nieuw: of wij in onze jonge jaren geen bezwaren hadden tegen de samenleving!
De wijze waarop men tegenwoordig zijn maatschappijkritische instelling tot uiting brengt vind ik te vaak negatief en bovendien zinloos: het heeft nu eenmaal geen enkele zin zich als het ware buiten de tegenwoordige maatschappij te stellen en er tegenaan te trappen. Mijn richtsnoer is altijd geweest te proberen binnen die maatschappij met strijd en constructieve werkzaamheid veranderingen aan te brengen. En tenslotte: men heeft democratie, algemeen kiesrecht, vrijheid van meningsuiting. Toch zie ik een toenemende neiging om onwettige acties geoorloofd te vinden; als voorbeeld verwijs ik naar de hele gang van zaken rond del000 gulden collegewet. Internationaal gezien vind ik de toestand slecht. Er is veel gewapende strijd; er heerst ontstellende armoede, gepaard gaande met overbevolking, waartegen de ontwikkelingshulp nauwelijks kan opwegen. En de afstand tussen de rijke en de arme landen neemt alleen maar toe.
Ten slotte laat ik volgen een artikel dat dr Drees gepubliceerd heeft in N.R.C. over actiegroepen.

• De overheid is in hoge mate schuldig, mede door haar houding die de acties aanmoedigt. De studenten, die tegen het collegegeld in verzet kwamen, hebben dat tot de helft zien verminderen. De boeren die het verkeer belemmerden zonder zich erom te bekommeren welke schade zij toebrachten aan mensen die niets met de kwestie te maken hadden, liet men vrij hun gang gaan en ze hadden het genoegen dadelijk toezeggingen te krijgen omtrent materiële verbeteringen. Studenten kunnen zoveel gedeelten van een universiteit bezetten als ze willen, zonder dat er iets tegen hen wordt ondernomen.
Er waren meningsverschillen bij de kinderbescherming: een belangrijk onderwerp dat rustig overleg eist. Een groep bezette een gebouw van de kinderbescherming.
In plaats van de deelnemers daaruit te doen verwijderen, snelde de staatssecretaris van justitie toe en deed toezeggingen.
Tegen de jongste volkstelling werd een grote actie ontketend, waarbij met onzinnige argumenten de mensen werden opgeroepen de formulieren niet in te vullen.
Had de actie een enigszins algemeen succes gehad, dan zouden statistische gegevens uit zijn gebleven die voor tal van punten van beleid van belang zijn. De overgrote meerderheid van de bevolking heeft de formulieren wel ingevuld, maar er waren toch duizenden die bleven weigeren.
Bij herhaling was gesteld dat weigering strafbaar was en zou worden vervolgd.
Men kon een boete van f 500,- oplopen. Achteraf echter deelde de minister van justitie mede dat toch maar van vervolging werd afgezien. Later gaf hij ook meer algemeen te kennen dat men een wet bezwaarlijk kon doen eerbiedigen als er velen zijn die haar niet naleven.
Een aanmoediging voor nieuwe acties!
De plaatselijke overheden blijven niet achter. Ik beperk me tot één voorbeeld uit Den Haag. Surinaamse jongeren bezetten een gebouwen dreigen dat bezet te houden totdat voor een speciaal centrum voor jonge Surinamers was gezorgd.
Hoe reageert het gemeentebestuur? Een wethouder zegt toe onmiddellijk voor een gebouw voor hen te zullen zorgen.
Nog dezelfde week wezen b. en w. een gebouw op de Prinsengracht daarvoor aan. Helaas, daarnaast is een algemeen jongerencentrum en de leden van de staf daarvan namen het niet. Ze dreigden ontslag te zullen nemen als het plan doorgaat; ze vrezen o.a. teveel last van drughandelaars waarmee ze al vroeger te maken hebben gehad. (Het is opmerkelijk dat drughandelaars zich nogal vrij schijnen te kunnen bewegen in de buurt van jongerencentra, soms ook in de gebouwen, zonder dat de politie zich geroepen voelt in te grijpen).
Weer bezwijkt het gemeentebestuur dadelijk.
Dan maar niet op de Prinsengracht, maar ergens anders.
Hoe is de regering opgetreden bij de acties van de boeren en van de chauffeurs?
Ze was vooraf van de voornemens op de hoogte. In plaats echter van een waarschuwing aan het actie-comité van de boeren, dat met alle middelen tegen sabotage van het verkeer zou worden opgetreden, en in plaats van maatregelen daartoe, werd er bij de burgemeesters op aangedrongen vooral geen geweld te gebruiken bij optreden tot beveiliging van het verkeer.
De regering die over de nodige middelen beschikte om zonder geweld actie te verhinderen, deed zelf dagenlang niets.
Toen chauffeurs van het internationale goederenvervoer wegen blokkeerden bij veilingen en grensovergangen en daarmede voor miljoenen schade toebrachten aan exporteurs, verklaarde de minister van binnenlandse zaken, in een vergadering van een Tweede Kamercommissie dat wat overheidsoptreden betreft de verantwoordelijkheid in eerste aanleg lag bij de burgemeesters, terwijl hij toegaf dat de middelen om zware wagens weg te slepen van het leger zouden moeten komen.
De oplossing werd echter ten slotte gezocht in urenlange onderhandelingen, waarbij het in de mist bleef wat is toegezegd om de vervoersondernemingen tot beëindiging van de actie te bewegen.
Het is het telkens weer gelijkend zwakke beleid van de overheid dat het aantal onwettige acties doet toenemen.
Een belangengroep die tot actie overgaat, maakt grote kans resultaat te bereiken.
Niet alleen wordt op deze wijze bij herhaling grote schade berokkend aan anderen, maar ook de democratie wordt erdoor ontwricht. Reeds bestond het gevaar dat één of andere talrijke groep uit electorale overwegingen voordelen toegewezen krijgt die het evenwicht van het geheel verbreken. Het wordt veel ernstiger als zulke voordelen langs onwettige weg kunnen worden afgedwongen.
Meent men tekort te zijn gedaan, dan zijn er vele wegen waarlangs men aandacht van regering en parlement kan trekken, ook door massale demonstraties. Ook zonder dat dienen klachten en bezwaren ernstig te worden genomen en moet aan de kant der overheid bereidheid bestaan tot diepgaand overleg. Het moet echter vaststaan dat zij niet wijkt voor pogingen haar te dwingen en dat. tegen wetsovertredingen met kracht zal worden opgetreden.

Als vastberadenheid elke onwettige actie nutteloos doet zijn, zal de aardigheid er spoedig af wezen. Onze democratie zou ermee gediend zijn.
Zou deze heldere en indringende diagnose van onze steeds meer verziekende samenleving leiden tot een therapie daarvan?
Wie gelooft dat nog?

P.S. In de recensie van de rede van prof. Jager van verleden week stond een grappige drukfout. Midden in de kolom op pag. 80 stond een regel die zo luidde: "daristen" en "priesters", dat moet nl. zo zijn: "hebraïsten" en "puristen".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief