PAASCHEN

1975-03-28
  • Jaargang 19
  • nummer 13
Paaschen, Paaschen,
luide klinke nu de slag
van lerke en vinke,
nu de stem van mensche en dier!

Paaschen, Paaschen,
wijdt het vier,
wijdt het vier en,
pint de lampen,
laat den verschen wierook dampen:
Hallelujah 't jok is af van de dood
en van het graf!

Paaschen, Paaschen,
opgestanden is de Heer,
dien is de Heer,
dien booze handen hadden
aan het kruis gedaan:

Paaschen, Paaschen,
vrij voortaan
heeft Hij hout en steen
en ijzer overwonnen,
die, verrijzer, Hallelujah,
één uit al,
leeft en immer leven zal!

Paaschen, Paaschen,
dwaze mannen dachten
Hem in 't graf te spannen,
met Pilatus' zegelmerk:

Paaschen, Paaschen,
ijdel werk, ijdel waken:
God almachtig is verrezen
eigenkrachtig,
Hallelujah, dóór den steen,
eer de zonne in 't oosten scheen.

Paaschen, Paascben,
luide klinke nu de taal
van lerke en vinke
nu de taal van mensche en dier!

Paaschen, Paaschen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en spijst de lampen,
laat den blauwen wierook dampen:
Hallelujah, God is groot:
overwinnaar van de dood!

lerke = leeuwerik







Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief