Polemiek en ethiek
1975-03-28
De laatste tijd heb ik regelmatig de vraag gehoord: zullen de binnenverbandse en de buitenverbandse vrijgemaakten weer bij elkaar komen?- Jaargang 19
- nummer 13
Vooral door de overgang van ds Arntzen is deze vraag voor velen sterker gaan leven. Er zijn ongetwijfeld mensen, die ds Arntzen zouden willen volgen. Anderen voelen zich verder van de binnenverbanders verwijderd dan ooit. Weer anderen zijn dichter in de buurt van de christelijke gereformeerde kerken gekomen en nog weer anderen weten eigenlijk niet wat ze er van moeten denken. Dit is een probleem, dat de toekomst van het christendom betreft: hoe staan christenen tegenover elkaar?; juist christenen als binnen- en buitenverbanders die voor nietvrijgemaakten zo dicht bij elkaar lijken te staan.
• Ethische fout
In het persbericht, waarin de kerkeraad van de vrijg. geref. kerk van Breukelen meedeelde, dat ds Arntzen zijn ambt niet langer meende te kunnen uitoefenen, werd door ds A. verklaard dat de kerk van Breukelen zich wil houden aan Gods Woord en de belijdenis.
Zowel kerkeraad als predikant verklaarden niet in het openbaar te zullen spreken en schrijven over wat in Breukelen is voorgevallen.
Enige weken later lezen we in de krant, dat ds Arntzen de kerkeraad van Breukelen verwijt: niet ik heb u verlaten, maar u hebt mij niet gevolgd; u liet mij alleen. Prof. Douma kreeg zelfs van ds Arntzen toestemming een brief door hem aan de kerkeraad van Breukelen gericht, te publiceren in DeReformatie.
Als ik zulke dingen lees dan vraag ik me af: kan dat nu allemaal maar? Mag dat zomaar?
Dit lijkt toch nergens op!
Of komt hier weer eens naar voren, dat sommige gereformeerden ijzersterke dogmatische redeneringen kunnen geven en kerkelijke zaken haarscherp kunnen uitvlooien, maar ethisch (m.b.t. de naastenliefde) heel zwak staan?
Dit is een rethorische vraag.
Als gereformeerden, vooral als vrijgemaakt-gereformeerden, staan we wat dut betreft in een slechte traditie.
• Gunning-Kuyper
Kuyper heeft vele malen de gelegenheid aangegrepen om in zijn Heraut-artikelen de ethischen te bestrijden. Meestal bleef het niet bij bestrijdingen, maar spuwde hij bij wijze van spreken op hen.
Zeer bekend is hoe Kuyper in de Heraut van 3 februari 1878 Gunning's boek 'Het leven van Jezus' kraakte. Niet alleen het boek, ook Gunning als persoon werd gekraakt.
Nu wil ik ogenblikkelijk zeggen, dat de theologische kritiek op Gunnings beschouwing begrijpelijk en ook terecht en noodzakelijk was. Laten we Kuyper in zijn theologische kritiek gelijk geven, maar daarmee is de ethische vraag: handelde Kuyper goed in zijn polemiek met Gunning, nog niet beantwoord.
Kuyper wist, dat Gunning een scherp oog voor de zonden van de mens had. Gunning had Kuyper meerdere malen op z'n zonden gewezen en Kuyper had dat toegegeven.
Kuyper kende de gelovige Gunning, die fel kon zijn, maar die altijd de christelijke naastenliefde toonde.
Kuyper heeft in zijn Heraut-artikelen in 1878 Gunning niet alleen bestreden, maar persoonlijk vreselijk gekwetst, gediskwalifiseerd en voor de mensen verdacht gemaakt.
Ouders namen hun kinderen van zijn katechisatie. Sommigen groetten hem niet meer op straat.
In brieven zegt Gunning later tegen Kuyper: u hebt mij 'ten allerdiepste gekrenkt', ja beledigd, u hebt mij in m'n christen-zijn aangetast, als evangeliedienaar onteerd, u hebt mij als een afvallige ten toon gesteld, mij verdacht ,gemaakt, ik kan zelfs moeilijk meer preken.
Gunning waarschuwt Kuyper voor onoprechtheid, die voort kan komen uit de positie van het leiderzijn of willen zijn. Meestal wil een leider slechts op ondergeschikte punten schuld belijden; tot radikale zelfkritiek komt hij nauwelijks.
In het konflikt Gunning-Kuyper gaat het niet slechts om een theologische kwestie, Kuyper heeft Gunning in zijn christen-zijn aangetast en beledigd. Ethisch ging hij over de schreef. Dit kunnen we niet bagatelliseren met de opmerking, dat Kuyper theologisch het gelijk meer aan zijn kant had dan Gunning Dit argument neutraliseert het ethisch fout zijn van Kuyper geenszins, laat staan dat het die ethische misstap goed zou maken.
• Schilder
Ook in Schilders persarbeid kan men staaltjes keiharde polemiek tegenkomen. Hij beukte er soms op los.
Het is o.a. van ds Buskes bekend, dat hij eens met Schilder polemiseerde, Het dreigde een polemiek-zonder-eind te worden. Buskes zocht Schilder thuis op. Het was een hartelijk gesprek, Na een kwartier wilde Buskes al opstappen en zei: ik ben hier niet bij ds Schilder van De Reformatie.
Hierop antwoordde Schilder: we ontmoeten elkaar hier persoonlijk, In de krant heb ik met het persoonlijke niets te maken en bestrijd ik beginselen.
Alsof beginselen los van de mensen staan.
Ondanks zijn briljant intellekt, zijn geniale invallen en zijn inspirerende wijze van bijbelonderzoek.
heeft Schilder evenals Kuyper hoe tragisch - medechristenen van zich verwijderd en vervreemd.
Hij heeft niet alleen beginselen bestreden en in het slijk getrapt, maar ook mensen beledigd.
Hij kon vlijmscherp uitleggen hoe dom en ongereformeerd bepaalde gedachten waren, maar zijn broeders die hij bestreed voelden de pijn van zijn bestrijding.
Meer dan tien jaar heeft prof. Kamphuis in De Reformatie in de rubriek 'kerkelijk leven' geschreven.
Nu gaat het mij niet om zijn mening over kerkelijke en 'theologische zaken, het viel mij op dat zijn pers arbeid uitschieters van zeer felle polemieken bevat.
Zijn wijze van schrijven heeft gemoederen van lezers opgezweept en broeders gekwetst.
Hij riep in De Reformatie gemeenteleden zelfs op om hun kerkeraden niet te volgen.
Hoe kan men zoiets kwalificeren?
Had het schrijven van prof. Kamphuis niet de schijn van opruiing?
Had het niet de schijn van het nog ernstiger en moeilijker maken van een toch al zo moeilijk kerkelijk leven? Zijn schrijven is bij velen niet overgekomen als vrede stichtend of de gemeenten dienend. Te veel mensen hebben het ervaren als hard en als scheurmakerij. Hoe goed prof. Kamphuis zijn persarbeid voor zijn geweten bedoeld zal hebben, ethisch leek het nergens op.
Juist ethisch moet men in de pers uitermate op zijn hoede zijn.
Wie kent niet het gevaar van de scherpe tong? Wolk mens heeft daar niet eens fouten in gemaakt?
Het is overigens een bekende bede van psalm 141: Here, stel een wacht voor mijn mond, waak over de deuren van mijn lippen."
Dit geldt voor gesprekken tussen een beperkt aantal mensen. In grotere vergaderingen geldt deze voorzichtigheid des te meer. Moet er dan nog iets gezegd worden over de noodzakelijke behoedzaamheid in persarbeid? Dat blijft nooit binnenskamers. Het bereikt duizenden, ook buiten eigen kring.
Het effekt van persarbeid is veel groter en gevaarlijkér dan van een gesprek. Het effekt van het geschrevene heb je niet in de hand en kan verwoestend zijn.
Praat vergaat, schrift grift.
Here, zet een wacht. voor mijn mond en twee voor mijn pen ...
Sinds enkele jaren schrijft prof. Douma in de rubriek 'kerkelijk Leven' van De Reformatie. Doet hij dit merendeels op hoogstaande wijze en zullen velen door zijn beschouwingen onderricht worden, wat de ethische kant van zijn schrijven t.o.v. de buitenverbanders betreft, ben ik teleurgesteld.
Dezelfde redenen, die ik noemde i.v.m. Kuyper, Schilder en Kamphuis gelden ook nu. Prof. Douma staat in een bepaalde traditie en wat het polemiseren betreft (in veel opzichten) in een slechte.
Een voorbeeld. In een persgesprek met drs De Jong voegde prof. Douma in De Reformatie (27-4-'74) hem toe als konklusie: "Wij zijn zonen van Calvijn en niet van Erasmus".
Terecht antwoordde ds De Jong in Opbouw (7-6-'74): "Wat denkt Douma dat het effect is van zo'n vergelijking bij mensen, die van Erasmus niet meer weten, dan dat 't een figuur is, die de strijdschuwde, geen kleur bekende en verder een halve humanist was?
De ietwat theatrale tiraden, waarmee Douma zijn artikel afsluit, is dus onnodig stemming-makend, vind ik."
Ds De Jong ging verder. Niet alleen zijn gedachten zijn bestreden, maar ook hijzelf. Hij vervolgde: "Ik mis de achting, waarop ik recht heb en dat niet vanwege een titel, maar vanwege Christus en zijn gemeente, die ik in het ambt· dien. (... ) En niet alleen voor mijzelf, maar ook voor de vele' anderen, die op gelijke wijze in De Reformatie, van de oprichting af, behandeld zijn. Dit verder hoogstaande en waardevolle blad staat in dit opzicht in een treurige reuk, al zijn er goede uitzonderingen (... ) Ik wil me een ogenblik tot tolk maken van al degenen, wien de geestelijke mode van hun tijd niet toestond van hun gewondheid blijk te geven. (... ) Ik wil gewoon eens zeggen, dat 't zeer doet."
Men merkt het, dat ik alleen op de ethische en niet op de theologische kant van de zaken inga.
In een later artikel in De Reformatie noemt prof. Douma vele bezwaren tegen de buitenverbandse vrijgemaakte kerken op, maar de vraag dringt zich bij mij op: Waarom alleen de verschillen?, waarom niet wat ons samenbindt?
Dat is er toch ook nog!
Of spreekt het zo vanzelf wat ons samenbindt? Ligt dat er toch al duimen dik bovenop? Daar klinkt in prof. Douma's schrijven vrij weinig van door. De vraag doet zich m.i. voor: mag men ethisch zo polemiseren, dat de artikelen stijf staan van de onderlinge verschillen en tegenstellingen zonder te laten merken dat er zo veel is dat ons samenbindt? Ik voel mij door enkele polemieken van prof. Douma verder van hem verwijderd dan ik voordien had gedacht en voor mogelijk had gehouden.
(Volgende week het slot.)