Geesten uit de afgrond
1975-04-04
De Here komt! Dat kondigen de bazuinen aan. Hij komt met het vuur van Zijn oordelen, dat genomen is van het altaar, waarop de gebeden van alle heiligen geofferd zijn. Bij de eerste bazuinen zag Johannes iets als vuur vallen.- Jaargang 19
- nummer 14
Ook bij de vijfde bazuin is dat zo.
Johannes ziet een ster op aarde liggen, die uit de hemel gevallen is. Hij ziet haar niet vallen, hij ziet haar liggen, maar kent haar oorsprong. In vs 11 blijkt: die ster is de engel van de afgrond, Ze draagt de naam: Abaddon, Apollyon, Vernieler. De satan zelf.
Van hen zegt de Here Jezus in Luk. 10 : 17: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen.
Van de satan en zijn engelen zegt de bijbel: Ze zijn aan hun oorsprong ontrouw geworden (Judas : 6) De Here heeft ze voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard gehouden. IJl 2 Petr. 2 : 4 lezen we, dat de Here hen, door hen in de afgrond te werpen, aan de krachten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren, .
Voor dat oordeel komt, worden ze nog een poosje losgelaten: de gevallen ster krijgt de sleutel van de afgrond. De satan mag zijn legermachten op de aarde los laten.
Uit de put stijgt dan dikke, zwarte, licht en lucht bedervende rook omhoog. Het wordt donker.
Angstwekkend en wanhopig makend donker.
Als de rookwolk een sprinkhanenzwerm voortbrengt, blijven die angst en die wanhoop. Straks blijkt immers: de mensen zullen niet meer willen leven. Ze zoeken de dood, zonder die te vinden. Dat is toch wel de uiterste wanhoop.
Ons spreekwoord zegt: zolang er leven is, is er hoop. En: hoop doet leven. Maar onder de pijn, die deze sprinkhanenzwerm gaat veroorzaken, wil niemand meer leven.
De mensen zoeken de dood. Het leven is de moeite niet meer waard.
Op die manier maakt de Here de wereld rijp voor Zijn grote dag.
En daarmee ook voor de bevrijding van Zijn volik. Dat leert Ge geschiedenis op dezelfde manier als het boek Openbaring.
Eén van de plagen, waarmee de HERE Egypte sloeg, was een sprinkhanenplaag. En de profeet Joël ziet een leger van sprinkhanen als voorbode van de dag des HEREN (hoofdstuk 1 en 2). In Joël 2 gaat het beeld dan verschuiven: de sprinkhanenzwerm - wordt een vijandelijk leger, dat het land gaat vernietigen.
Ook de sprinkhanen, die Johannes ziet, de geesten uit de afgrond, treden op in de mensenwereld.
Ze hebben een mensengezicht.
Daaruit mag m.i. worden afgeleid, dat de geesten optreden door mensen. Door menselijke gedachten, filosofieën, ideologieën, heerszucht. Laten we er niet naïef aan voorbijzien, dat in god-loze en god-loochenende filosofieën demonische machten op aarde bezig zijn.
Die machten krijgen een enorme invloed. De sprinkhanen, die Johannes ziet, hebben de gedaante van een oorlogspaard ze zijn vechtlustig. En ze komen tevoorschijn als overwinnaars: ze dragen een krans. Ze zijn ook vrijwel onoverwinnelijk, goed beschermd door een borstschild als een ijzeren harnas. Ze hebben leeuwentanden: dreigend en verscheurend.
Hun haar is als vrouwenhaar, waarmee de verleidelijkheid zal worden aangeduid.
Het grootste venijn zit in de staart: ze hebben staarten als schorpioenen, waarmee zie de mensen pijnigen.
Dit alles gebeurt met groot geweld.
Hun optrekken klinkt als het gedruis van een leger, als het geratel van oprukkende tanks.
Dit giftige geweld zal de mensen brengen tot de wanhoop, waarover ik boven sprak: het zoeken van de dood, zonder die te vinden.
Waaraan moeten we denken ter verklaring van dit visioen? Er zijn uitleggers, die denken aan ziektent aan epidemieën van een wel pijnlijke en nare, maar niet dodelijke kwaal.
Toch komt het me voor, dat we, met name omdat de geesten in de mensenwereld optreden (hun mensengezicht) de verklaring in een andere richting moeten zoeken. Ze zal m.i. meer in de lijn liggen van Paulus' spreken (Ef. 6) over de geestelijke boosheden in de lucht. We hebben de tekening die dr Francis A. Schaeffer geeft in zijn boek: de God die leeft, van de ontwikkeling van het moderne denken en de moderne kunst. In de geschiedenis van de cultuur ziet hij een breukpunt optreden: de lijn der wanhoop. Hij tekent de verschillende stappen op die wanhoopslijn, te beginnen met de filosofie van Hogel, doorgaand in kunst, cultuur, theologie en moderne mystiek. Hoeveel uitingen van het moderne levensgevoel getuigen niet van uitzichtloosheid en leegte?
We voelen iets van de alle gevoelens neerslaande tyrannie van het communisme, als we denken aan Hongarije 1956 en aan de onderdrukking van de Tsjechoslowaakse "lente", die nog vers in ons geheugen liggen. Maar meer nog dam onder die druk vertoont zich de wanhoop in de westerse welvaartsmaatschappij. In vrijheid kan het menselijk gevoel zich uiten. Maar wat de meeste weerklank vindt - de top-10, 20 of 30 haalt - is niet altijd het vrolijkst; integendeel. We zien de troosteloosheid groeien; wellicht het sterkst waar mensen - meestal jongeren - vluchten in gebruik van drugs. Is er een mogelijkheid, om aan de wanhoop te ontkomen.
Vol vertroosting en bemoediging laat het visioen zien, dat aan het demonisch ongedierte beperkingen zijn opgelegd.
Het zijn sprinkhanen - maar ze mogen: zich in hun vernielzucht niet uitleven. Hun wordt gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden. De sprinkhaan mag niet doen wat in haar natuur ligt: alles kaal vreten.
Een tweede beperking is: de pijniging duurt vijf maanden. Zo lang schijnt het sprinkhanenseizoen te duren. Dus: maar één seizoen mogen ze hun giftig werk verrichten. Er komt weer een eind aan. Mede daardoor zal ook van deze plaag, net als bij de profeet Joël als die over de sprinkhanenplaag spreekt, die aan de dag des HEREN voorafgaat, een sterke roep tot bekering uitgaan. Hier staat het er niet bij, maar in het volgende gedeelte, bij de 6e bazuin, wel: zij bekeerden zich niet.
En dat was toch eigenlijk wel de bedoeling; in ieder geval mogelijk.
De weg uit de wanhoop wordt ook duidelijk aangewezen. Want de sprinkhanen zullen geen schade kunnen doen aan de mensen, die het zegel Gods hebben. Die vallen aan de uiterste wanhoop niet ten prooi. Zij zijn het eigendom van de levende God, die hoop en troost geeft. Hoofdstuk 7 heeft over die verzegeling gesproken.
Dat zegel Gods beschermt Zijn kinderen.
Ik denk nu weer aan Luk. 10 : 17.
De Here Jezus zei daar: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel val en. En Hij vervolgt: Zie, Ik heb U macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden eh tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal U enig kwaad doen.
Macht tegen de hele legermacht van de vijand!!
Waarom tobben we eigenlijk zo vaak, en kijken we zo hoog op tegen de vijand? Al grijnst ook de open hel ons aan met al haar duiv'lentallen - toch zal geen vrees ons nederslaan ... zong Luther. Het vervolg: toch doen wij 't krijgslied schallen! - mag wellicht wat te krijgshaftig klimken. die eerste regels zijn waar! Het gevaar zit er in, dat een mens in een krijgshaftige houding de kracht van de tegenstander onderschat, zijn eigen vermogens overschat. De verzegelden, over wie we met hoofdstuk 7 spraken, zijn, naar uit Ezech. 9 bleek, niet de meest militante figuren waarschijnlijk.
Ze treurden om de zonden van hun volk. Ze leefden ootmoedig met de HERE, hun God. Maar ze hebben macht op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand.
Is dat niet genoeg?
Over alle menselijke hopeloosheid heen reikt de hoop van Gods kinderen naar de beloften van hun Vader; alle demonische machten in deze wereld ten spijt. Want die machten moeten halt houden voor het zegel Gods. Voor het ootmoedig geloof en vertrouwen van de kinderen des Heren. Dat is onze troost - en onze kracht in deze wereld.