ARBEID ADELT
1975-04-04
Wat een heerlijk spreekwoord dat arbeid adelt. Meteen zegt een schampere stem: maar het is de vraag of de adel ook arbeidt. En een ander vult aan met: het werken is voor de dommen. Welja, het kan nog erger: we spreken uit de hoogte over "mensen uit de werkende stand"; zeker in tegenstelling tot mensen uit de luierende stand? Terwijl dus de een onze arbeid als een voorrecht ziet - wil de ander het als een noodzakelijk kwaad afdoen. En de laatste zal, als hij handig genoeg is, zich nog beroepen op de straf in het paradijs: dat we in het zweet van ons aanschijn werken moeten.- Jaargang 19
- nummer 14
Nu is het beroep op de "paradijsstraf" natuurlijk niet erg zinvoI. De móeiten van onze arbeid - het zweet, de distels, de barensnood - zijn begeleidende verschijnselen van onze arbeid geworden. Maar de arbeid zelf bestond al voor de zondeval: het bouwen en bewaren van de hof van Eden was de adellijke arbeid van de mens! "Gezegende arbeid", zei J. B. Selkirk, "als gij Gods vloek waart - hoe moest dan zijn zegen wel zijn!" Dat is toch gezonde taal niet? Al gaat deze schrijver van hetzelfde misverstand uit als Demokritos, die beweerde: "Geen groter zegen voor de mens dan de vloek van het paradijs".
Er bestaat vandaag groeiende belangstelling voor de arbeid. Dat laat zich horen, nu de werkeloosheid snel toeneemt, veel jonge mensen (ook academici in verontrustende mate) niet aan de slag kunnen komen en daardoor mogelijk nooit aan het maatschappelijk' arbeidsproces zullen deelnemen. De werkeloosheid is een beangstigend probleem, dat onze welvaartsdroom onaangenaam verstoort. Bij de moderne eisen van de vakorganisaties: eisen van gelijk loon voor allen, progressieve verdeling van de lasten en vermogensspreiding - is nu ook de moderne kreet gevonden: recht van allen op arbeid. Jawel - recht op arbeid, gelijk recht op arbeid. Daar hebben onze activisten eerst jaren gevochten om de vrije zaterdagmiddag. Toen om de hele vrije zaterdag. Toen om extra vakantie. In de strijd om de vrije vrijdag zijn z,e blijven steken - hoewel futurologen een werkweek van een tot drie dagen voor bereikbaar hielden. Weliswaar gaven al die vrije dagen evenveel nieuwe problemen; want wat moet je met die vrijheid doen, als je geen extra inkomsten ontvangt om er echt van uit te gaan? Maar nu er minder werk dan werkkracht overblijft ... moet ook de arbeid billijk worden verdeeld.
De arbeid stijgt derhalve in aanzien, De arbeid is niet meer voor de dommen. De arbeid is een begeerlijke zaak aan het worden. Ieder van ons kan zijn "rechten" doen gelden.
Nu zit daar een goed ding in. Door een gemis gaan we het gemiste pas goed waarderen, Er is grote zegen in onze arbeid, zegt de Schrift. Ja, eigenlijk geeft de Bijbel een doorlopend lied van de arbeid. Als de mens bij zonsopgang opstaat - wat is het eerste, waar hij aan denkt?
"De mens gaat uit tot zijn arbeid, tot de avond toe". 1) Het hart van de Prediker was ook verheugd over al zijn arbeid; 2) die vreugde was zijn eerste arbeidsloon. Een loon, waarop hij geen rechten deed gelden, maar dat hij uit Gods hand ontving. 3) Alzo: geen recht op arbeidsloon?
Dan ook geen recht op arbeid voor allen. Arbeidsvreugde is een Godsgeschenk De Heere geeft het aan wie Hij wil - of onthoudt het als Hij wil.
Toch. Mozes leerde Gods volk, dat wij de arbeider zijn loon moeten geven. Hij is dat waard, van de zijde van de werkgever gezien. Het loon van de dagloner mocht dan ook geen nacht worden vastgehouden.
4) Want de arbeider' is "zijn voedsel waard", zoals de Heiland citeerde, 5) of "zijn loon waard". 6) Dat gebod gold voor de werkgever, gaf geen rechten aan de arbeider. Zoals het gebod over de dorsende os, die niet gemuilband mocht worden,") niet voor de ossen is geschreven maar voor hun meesters. Vandaar ook de. bedreiging van de harde meester, die zijn naaste voor niets laat werken, hem zijn loon niet geeft. 8)
De oogst, het binnenhalen van "de vruchten van ons zwoegen", is een Bijbels feest. 9) Het schaapscheerdersfeest en de druivenoogst net zo.
Wij mogen blij zijn met ons van God ontvangen arbeidsloon. Dat is ons tweede loon op de arbeid. Geluklkig zijn wij, als wij de opbrengst van onze handen mogen eten. 10) Erg daarentegen is het, wanneer de Heere ons ons loon onthoudt; als Hij ons straft met honger. Bijvoorbeeld werkeloosheid! Als Hij "een droogte roept over de arbeid van onze handen"; 11) als Hij de werkstroom doet opdrogen: Want als Hij ons huis niet bouwt, dan werken de arbeiders er tevergeefs aan. 12) Als vreemden onze arbeid, ons bezit, ons vermogentje roven. 13)
Geen wonder dat wijsgeren, schrijvers en dichters alle eeuwen door de arbeid tot onderwerp kozen, Kunnen wij ons leven los denken van ons werk? Seneca zei het al: arbeid is het voedsel van edele geesten. Werk u gezond, zouden we vandaag zeggen. Wetenschappelijk heet dat: arbeidstherapie.
Werken is bidden, zo luidt een middeleeuws spreekwoord.
"Weinig arbeid, veel eigenliefde", zei Honoré de Balzac. En hij liet meteen de wederhelft horen: "veel arbeid, zeer grote bescheidenheid".
Friedrich von Schiller dichtte een lang en inhoudrijk vers, dat in de aanvang al zei: "Bij het werk, dat we willen doen, past een bezinnend woord". En: "met een goed gesprek schiet de arbeid lekker op". "De arbeid heeft bittere wortels", zegt een Duits spreekwoord "maar zoete vruchten". Staat dat laatste niet heel dicht bij de paradijsvloek"? En als u meent dat de Franse revolutie de pest aan het werk had, luister dan eens naar de vaders van de Revolutie. "Arbeid is vaak de vader der genoegens", schreef Voltaire. En zijn compagnon, J. J. Rousseau, schreef: "Matigheid en werkzaamheid zijn de twee beste geneesmiddelen".
Dat klinkt beter dan de taal van hun epigonen, niet? En wilt u er nog een van Voltaire: "Arbeid bestrijdt drie rampen: verveling, ondeugd en armoede". Alstublieft.
De bekende Franse fabelschrijver La Fontaine liet zich ontvallen: "Werk, span u in. Dat is het kapitaal, dat u het minst in de steek laat".
Werkers? Kapitalisten! "Werkdagen, vol moeite en inspanning", zei een vrouw, Frieda Schanz, "zijn de beste feestdagen". Een goede voor onze huismoeders? "Werken is: het leven vullen met bestendige inhoud van vreugde", meende Blüthgen. ,Ieder moet trachten het centrum van zijn leven te vinden in zijn werk: om van daar in alle richtingen uit te groeien", schreef de dichter Rilke. En geef mij maar deze: voor de werker is vrije tijd het recht, zijn eigen werkprogram op te stellen.
Dat is allemaal nogal wat. Bij de revaluatie van de arbeid, zoals wij die mogen beleven, zijn dat toch gezonde klanken. En de beloning van onze arbeid is een vreugde, die er extra bijkomt, bij de arbeidsvreugde.
- Wil iemand niet werken ... dan ontloopt hij tevens het eten. "De honger van de werkman werkt voor hem", zei Salomo, 15) "want zijn mond spoort hem aan".
Er is natuurlijk arbeid en arbeid. Arbeid in soorten zogezegd. In het gastenboek van de Martinikerk te Bolsward las ik een naam van iemand, wiens Goddelijk beroep dat van "putenleeger" was. Iemand uit Deventer, meen ik. Het ontroerde mij. Een arbeider van de stadsreiniging, die een gothische kerk in Friesland bezichtigde en- zich bedronk aan het kostelijke houtsnijwerk van de preekstoel. Een ander staat uren boven de' operatietafel met ritmisch beweeg van messen en tangen, in stage worsteling met de dood. Een even Goddelijk beroep. Hier zit iemand zijn rosse gedachten te ordenen om zo mogelijk de uwe wat te verrijken. Daar werkt een filosoof aan een proefschrift over cibernetica.
Maar werkers van het eerste of van het laatste uur; huismoeders of hooggeleerden; bosarbeiders of notarissen; ze hebben allen het loon van de arbeidsvreugde, En voor velen komt daar nog arbeidsloon boven op.
En dan is er nog een derde loon op de arbeid. Een extra premie. Voor werkers, die hun arbeid "in de Heere" verrichten. Dat hoeft geen kerkelijk werk te zijn, zo van predikant of koster of organist of zo.
Al komen degenen, die in de gemeente arbeiden, in aanmerking voor erkenning. 16) Maar ook de vrouwe~ die in de Heere arbeiden, vanen in de derde looncategorie. 17) Ook de profeten, die overvloedig gearbeid hebben. Ook de putenleeger, die in de kerk geboren is en zijn stad beschermt tegen virussen en infecties.
Want de Heere ziet onze arbeid, die "in Hem" verricht wordt. Van hoog tot laag. Hij maakt dat die arbeid niet ijdel is. 18) Hij kent ons werken en onze onvermoeide inspanning, onze volharding tegen het kwade en ons doen van het goede. 19) Mits we in onze arbeid de eerste liefde tot God en de naaste bewaren. En eenmaal zegt Hij: zalig de man, zalig deze vrouw, zalig dit kind, "dat in Mij sterft. Ze mogen rusten van hun arbeid. En hun werken volgen hen na. 20)
1) Ps, 104 - 2) Pred. 2 : 10 - 3) 2 : 24 - 4) Lev. 19: 13 - 5) Mrt, 10: 10 - 6) Luc. 10 : 7 - 7) Deut. 25 : 4 - 8) Jer. 22 : 13 - 9) Ex. 23 : 16 - 10) Ps. 128 : 2 - 11) Hagg. 1 : 1112) Ps. 127 : 1 - 13) Ps. 109 : 11 - 14) 2 Thess. 3 : 10 - 15) Spr. 16 : 26 - 16) 1 Thess. 5 : 12 - 17) Rom. 16 : 12 - 18) 1 Cor. 15 : 58 - 19) Op. 2 : 2 - 20) Op. 14: 13.