Over "de christelijke opvoeding in de kerk"
1975-04-11
- Jaargang 19
- nummer 15
TER VOORBEREIDING VAN DE JAARVERGADERING
Als men enigszins volledig zou willen spreken over de "christelijke" opvoeding in de kerk zou men heel veel overhoop moeten halen. Want daarbij zou o.a. aan de orde moeten komen de prediking, de catechese, de pastorale zorg, de onderlinge omgang van de gemeenteleden, de "grote" en de "kleine", in allerlei relaties. En voorts zou men daarbij moeten evalueren wat filosofen, theologen, psychologen, sociologen, andragogen, paedagogen, didactici en andere "wetenschappers" daarover zeggen. Dat alles is uiteraard niet mogelijk. Ik wil hier alleen een paar opmerkingen maken in verband met het thema dat ons zal bezig houden met de bedoeling dat die uitgangspunt zullen zijn voor de discussie. Ik bedenk daarbij dat die discussie gevoerd zal worden in een vergadering van "gewone kerkleden". En dat het daarbij speciaal zal gaan over de "kerkjeugd" .
1. Om daarmee te beginnen: onze kinderen zijn "bondgenoten" van God. Hoewel zie "in zonde ontvangen zijn" en ,,geneigd zijn tot alle kwaad" heeft de HEERE mèt hun ouders ooik hen in zijn verbond opgenomen. Die verbondsrelatie is fundamenteel voor het leven en ook voor de opvoeding van de kinderen van en in de kerk.
2. Onze kinderen zijn eveneens leden van de kerk, de gemeente van Christus. Dat is van het "lichaam"
waarvan Christus het Hoofd is. Die kinderen zijn geen "individuën". Dat revolutionaire woord hoort nergens, maar het allerminst in de kerk thuis. Als leden van Christus' lichaam zijn de kinderen ook "elkanders leden"
ongeacht milieu, bezit, cultuur, capaciteiten "stand" enz.
3. Dit alles wèrd en blijft verzekerd en verzegeld in de alle dagen aktueel blijvende doop waarin God de Vader aan ieder gedoopt kind betuigt en verzegelt dat Hij met de dopeling een eeuwig verbond der genade opricht; de Zoon verzegelt dat Hij die wast in zijn bloed en de Heilige Geest verzekert dat Hij in de gedoopte wonen wil om hem/haar "toe te eigenen" wat hij/zij in Christus heeft, namelijk de afwassing van de zonden en de dagelijkse vernieuwing van het leven.
4. De gedoopte kinderen, onze kinderen, "hebben" ze de Geest.
Niet in die zin dat ze over Hem hebben te beschikken. Hem "in eigendom" hebben, maar wel zo als een volk een koning "heeft", zoals zeilschepen de wind in de zeilen "hebben". Na de doop bidt de gemeente God of Hij door Zijn lieve Zoon het gedoopte kind met zijn Heilige Geest altijd wil regeren opdat het christelijk en godzalig opgevoed worde, De betekenis van deze wat aforistische uitdrukking is dat,wanneer de Heilige Geest onze kinderen regeert, Hij dat onder meer doet door dat kind opvoeders te geven die hun opvoedende taak christelijk en godzalig vervullen. Dat geldt van vaders, moeders, onderwijzers, leraren, predikanten, en wie er verder opvoeders zijn. Die behoren alle goede instrumenten te zijn waardoor de Heilige Geest de kinderen regeert.
5. Ook het doel van de christelijke opvoeding - niet in de laatste plaats de kerkelijke - wordt in het gebed na de doop op echt Schriftuurlijke wijze omschreven.
Er wordt namelijk gebeden: dat het gedoopte kind "in de Heere Jezus" moge wassen - groeien - en toenemen dat het de vaderlijke goedheid en barmhartigheid die God het bewezen heeft gelovig moge erkennen en belijden; dat het in alle gerechtigheid, onder zijn en aller enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus moge leven en dapper tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk moge strijden en overwinnen en -als laatste, .hoogste en eeuwige - God en Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God eeuwig te leven en te prijzen.
6. Uit het zo juist gezegde volgt dat de Heilige Geest bij het genoemde ",regeren" der kinderen “middelen" gebruikt, namelijk ouders, onderwijzers, leraren, catechetenen nog allerlei andere mensen. Maar hierbij moet nog wat gezegd worden. De Heilige Geest realiseert namelijk die genoemde regering, onder inschakeling van deze mensen, door middel van Gods Woord, het Evangelie van Jezus Christus. Hij regeert namelijk zowel onmiddellijk - d.w.z. zo dat die regering van het begin tot het eind uitsluitend en alleen zijn werk is maar tegelijk niet middelloos. De activiteit van de Heilige Geest waardoor hij geloof, bekering, levensvernieuwing, volharding, overwinning bewerkt, sluit namelijk niet uit, maar vereist zelfs het gebruik van het Evangelie dat dan ook "zaad van de wedergeboorte" en "voedsel der ziel" wordt genoemd.
7. Het centrum, de kern, de alles omvattende inhoud van het Evangelie is onze Heere Jezus Christus.
De Christus staat in een radikaal andere verhouding tot de christelijke godsdienst dan alle z.g, hogere godsdiensten tot de mannen 'naar wie zij genoemd zijn. Jezus is niet de eerste belijder van de godsdienst die naar Hem is genoemd.
Ook niet de "stichter" ervan.
Evenmin de eerste en voornaamste christen - Neen, Hij is de Christus, de gezondene van de Vader. Hij is niet maar de verkondiger van de waarheid - Hij is de Waarheid zelf. Ook niet de wegwijzer of de gids op de weg naar het heil - Hij is Zelf de Weg. Hij is maar niet de schenker van het leven - Hij is het Leven.
Kortom: Hij is het heil, het is "in" Hem. Christus is om zo te zeggen het christendom zelf. Hij staat daar midden in. Hij is de gezondene van de Vader die het Koninkrijk op aarde sticht, uitbreidt, bewaart tot het einde der eeuwen, om het dan te voleindigen en over te geven aan de Vader.
Hij is dat Koninkrijk Hij is de auto-basileia.
8. De opvoeding in de kerk is naar haar aard "onderwijzing in de christelijke religie". Zo noemde Calvijn ook zijn hoofdwerk. Hij typeerde dat ook als een boek ten dienste van allen die zich toeleggen op de vroomheid. Alle intellectualisme is daarbij contrabande.
Deze onderwijzing richt zich vóór alles op de persoon en het werk van Christus. In het Apostolicum heeft de kerk op voorbeeldige wijze tot uitdrukking gebracht. Het gaat daarin inderdaad om de persoon en het werk van Christus.
De catechismus zegt op verbluffende rake wijze dat het een christen nodig is te .geloven al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, dus: in de belofte van het Evangelie.
En de inhoud van die belofte 'wordt, zo gaat hij verder, in de artikelen van het Christelijk geloof in "een hoofdsom" samengeval.
Ook bij het éérste artikel daarvan wordt gezegd dat de eeuwige Vader van onze Heer Jezus Christus de hemel en de aarde met al wat er in is uit het niet heeft geschapen!
9. Deze onderwijzing omvat ook het "leren bidden'". Het komt er daarbij op aan er op te wijzen dat het bidden het hart van het leven des geloofs is; dat het ware bidden betrokken is op de belofte Gods; dat voor het ware bidden het kennen van de werkelijke nood en ellende der mensen nodig is; dat het ware bidden culmineert in de lofprijzing van God; en dat God om Christus' wil de gebeden verhoort, al geschiedt dat vaak op andere manier dan wij wensen en verwachten.
10. De kerkelijke onderwijzing dient te geschieden aan de hand van de Heidelbergse Catechismus ..
Die is als zodanig door de Ned. Geref. Kerken aanvaard. De kwaliteiten ervan hoeven niet genoemd te worden. Het gebruik ervan is een voortreffelijk middel om de kerkjeugd te beschermen voor de binding aan particuliere opinies van de catecheet of aan de opvattingen van een of andere gangbare theologie. Het is ook een belangrijk hulpmiddel om de enigheid des Geestes te bewaren door de band des vredes en er voor te waken dat de catechisatie ontaardt in een cursus ter opleiding van theoloogjes in plaats van een middel ter vorming van vrome christenen (Kuyper).
11. De catechismus dient steeds gebruikt te worden als de kerkelijke weergave van de boodschap der Heilige Schrift. Steeds moet bij het onderwijzen aan de hand daarvan de weg worden afgelegd van de Schrift naar de Catechismus.
Vooral moeten de "kernwoorden"
der Schrift worden besproken, verklaarden geleerd.
Hierbij zijn goede hulpmiddelen Jager's "Kernwoorden", Venk's "Voorzeide Leer" en Jansen's "BeIijdenis der Kerk naar de Schriften".
12. Van enorme betekenis voor de christelijke opvoeding van de kerkjeugd is het "geestelijk klimaat" in de gemeente. Het komt vooral met het oog daarop er op aan dat zij "volhardt in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broeds, en in de gebeden. Fataal is als in de gemeente intellectualistische dorheid, hardheid, twisten en conflicten heersen en hardnekkig wordt vastgehouden aan en polemieken worden gevoerd over perifere kwesties. De kerkelijke conflicten en scheuringen van 1944 en 1968 waren katastrofaal speciaal voor de kerkjeugd Ze werden voor vele jongeren een "skandaIon", een ergernis.
13. Van grote betekenis is voorts de levenshouding, het geloof, de "vroomheid" van de catecheet. Dr Dam schreef eens: "Als het waar is dat iemands on- of zwakbewuste gedragingen hem niet minder typeren dan wat hij doet en spreekt met klaar besef dan zal, ook zonder dat hij het merkt, van iedere opvoeder, christen of geen christen, een onnaspeurbaar fluidum uitstromen, dat met paedagogische energie is geladen. De levenstoon verschilt, al naar gelang de Christus als enige Redder en Here erkend wordt of verworpen.
En zo moeilijk het is die levenstoon in zijn bestanddelen te ontleden, zo onnaspeurbaar subtiel is zijn aldoordringende invloed. En het kind reageert (ik zag niet: critiseert) in zulke dingen ongelooflijk fijn."
14. Bij de opvoeding in de kerk moet ook worden bedacht dat het Evangelie een ergernis en dwaasheid ds en blijft voor de mensen "zoals ze geboren worden". En dat ook de kinderen des verbonds "van nature geneigd zijn God en de naasten te haten". Het christelijk geloof heeft daarom tot keerzijde een erkenning van en berouw over eigen zonde. In verband daarmee moet de christelijke opvoeder bedenken dat wat de jeugd vóór alles nodig heeft door hem niet kan worden bewerkt. En dat wat hij kan bewerken niet het "éne nodige" is. In de christelijke opvoeding is hij een instrumentmeer niet - waardoor de Heilige Geest - en Die alléén - zijn verlossend, vernieuwend, bevrijdend werk in het hart en leven der kinderen wil tot stand brengen.
15. De kerkelijke onderwijzing isgericht op de toelating tot het Heilig Avondmaal. Janse begint terecht zijn voortreffelijk "Belijdenis der Kerk naar de Schriften"
met een bespreking van het doops, formulier en beëindigt die met een bespreking van het Avondmaal.
Dit zijn enkele opmerkingen over de christelijke opvoeding in de kerk - meer niet! - ter inleiding op de discussie daarover.