Het boek Daniël
1975-04-25
Ware wijsheid- Jaargang 19
- nummer 17
Indien iemand van u in wijsheid tekort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt: en zij zal hem gegeven worden (Jac. 1 : 5).
Deze woorden zijn Daniël en zijn vrienden nog niet bekend geweest; maar de zaak zelf was hun allerminst vreemd. Zodra ze vernemen wat er aan de hand is en hoe het strenge bevel van de koning reeds ten uitvoer wordt gebracht, verzoekt Daniël beleefd om enig uitstel.
En op voorhand belooft hij reeds de uitlegging, en uiteraard de droom zelf, bekend te zullen maken: zó zeker is hij van Gods hulp.
Deze mensen, van wie gezegd is dat ze tienmaal voortreffelijker waren dan al de geleerden, al de bezweerders in het ganse rijk, vertrouwen geen moment op wat ze zelf aan kennis bezitten. Er is bij hen alleen een onvoorwaardelijk vertrouwen op de God des hemels.
Hij is immers bij stervelingen komen wonen? En ook al duurt het niet lang meer voor Hij Zijn woonplaats in Jeruzalem zal verlaten, toch is Hij niet onbereikbaar geworden, voor wie op Hem vertrouwt.
Met een beroep op Zijn barmhartigheid leggen ze Hem de zaak voor, waarvan alle wijzen van Babel hebben gezegd, dat het een onmogelijkheid is. Maar bij de HERE zijn alle dingen mogelijk.
Mensen kunnen heel wat en ze verbeelden zich vaak dat ze nog veel meer kunnen. Maar de wijsheid - waar wordt zij gevonden, en waar toch, is de verblijfplaats van het inzicht? Dat is de vraag die Job reeds heeft gesteld (Job 28 : 12). Daniël weet het antwoord.
Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht. Hij is geen God van verre die alles houdt voor Zichzelf alleen, maar Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben, dat wil zeggen: Als er wijzen zijn en mensen van inzicht, dan zijn ze er alleen omdat God wijsheid en kennis heeft gegeven. En Hij geeft op het gebed. Ook nu. Ja, nu zeker niet minder. Want Hij is bij de stervelingen komen wonen in Hem die de ware tempel is en door Wien we toegang hebben tot de Vader.
We moeten maar steeds minder verwachten van wat wij aan kennis hebben en aan mogelijkheden bezitten en steeds meer van onze trouwe Vader in de hemel.
De droom
De droom van Nebukadnezar openbaart twee dingen: de gedachten van de koning en de gedachten van God.
De koning was naar bed gegaan én had daar liggen denken over de toekomst. De droom openbaart zijn begeerte: een gouden hoofd te zijn en te blijven. Maar ook de onzekerheid wordt openbaar: Zal zijn rijk kunnen standhouden of zal het Babel vergaan zoals het Assur is vergaan? Een wereldrijk stichten is een grootse onderneming, maar een wereldrijk bestendigen is nog wel wat anders. En welke zekerheid kan een mens zichzelf verschaffen; hoe kan de toekomst gedwongen worden zich, te voegen naar de macht en de wil van de mens?
De droom vergroot zijn onzekerheid.
Het gaat beslist niet naar wens; zoveel heeft hij direct wel begrepen. Als hij wakker wordt is het dan ook helemaal met zijn slaap gedaan en zijn geest is verontrust.
Zekerheid moet er komen, hoe dan ook. Rondlopen met deze onverklaarde droom is rondlopen met verterende onzekerheid. Wat zijn die verschillende onderdelen van het beeld, dat hij zag? En vooral: Wat is die steen, die het beeld vergruizelde? Is dat een onafwendbare grootheid of zijn er misschien tegenmaatregelen te nemen?
En welke macht is werkzaam geweest om zijn droom zo helemaal de verkeerde kant te laten uitgaan? Want dát er een macht heeft gewerkt en dát deze droom iets te zeggen heeft, dat ver boven zijn eigen gedachten uitgaat, is wel zeker.
De uitlegging
Inderdaad is deze droom meer dan een neerslag van Nebukadnezars gedachten. Hij, die verborgenheden openbaart heeft bekend gemaakt wat er geschieden zou.
Het beeld van goud, zilver, koper, ijzer en leem stelt voor de menselijke machten, die de heerschappij uitoefenen over de hele wereld.
Welke machten? Wellicht kunnen we beter de vraag z6 stellen: Welke machten niet?
Het gouden hoofd is Nebukadnezar zelf: de koning is het rijk. En kan hij zich niet op een heerlijkheid beroemen, die alleen door de glans van het goud kan worden weergegeven? De koning der koningen?
Daniël erkent zijn grootheid, maar slechts omdat de God des hemels, die koningen afzet en aanstelt, hem het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft.
Maar wat volgt daarnà? Andere koningen van Babel, naar de mening van sommigen. Of heerschappijen van andere volken, Meden, Perzen, Macedoniërs, Syriërs, Romeinen, alle wereldmachten? Het wordt niet door Daniël gezegd en mogelijk is het niet de bedoeling om bij elk onderdeel van het beeld aan één duidelijk bepaalde macht te denken.
De droom heeft aansluiting aan Nebukadnezars gedachten. Nu weten we dat destijds bij veel volken de opvatting leefde, dat de wereldgeschiedenis zou verlopen in verschillende perioden. Aan het begin wordt gesteld een gouden eeuw een tijd van vrede en welvaart.
Herinnering aan een verloren gegaan paradijs? Daarop volgt dan een zilveren een koperen, een ijzeren eeuw, waarna dan tenslotte een wereldredder zal opstaan om de gouden eeuw terug te brengen.
Heeft mogelijk Nebukadnezar zich de stichter van de gouden eeuw gewaand?
Babel was groot en machtig.
Het sieraad der koninkrijken, de trotse luister der Chaldeeën (Jes. 13 : 19).
Maar ondanks alle pracht, die mensen kunnen ten toon spreiden, ondanks alle dromen over gouden tijden, die soms bijna werkelijkheid' lijken te worden, is heel het menselijk bouwwerk anders niet dan een kolos op lemen voeten.
De gouden eeuw zál komen en her eeuwigblijvende rijk van vrede en welvaart is meer dan een onvervulbare.
droom. Dit rijk. evenwel is niet het eindpunt van de menselijke geschiedenis en machtsoefening, maar het komt van God. Zijn Koninkrijk, dat alle menselijke rijken zal verpulveren, zoals de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losgeraakt van de berg, het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde.
De Wereldredder is verschenen en Zijn woord is ons bekend: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden, En ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
Deze samenvatting van Ps. 118: 22; Jes. 8: 14 en Dan. 2: 44, is gegeven door de Koning der koningen, in Wien alle oordeels- en heilsaankondigingen worden vervuld omdat de God des hemels Hem het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft en Hem gemaakt heeft tot heerser over allen en alles.