Ombuiging van de economie 1)
1975-04-25
Reeds (in het artikel van ds Hans Bouma, in hetzelfde nummer van "Kerkinformatie" - red.) is ter sprake gekomen hoe mens en schepping, hoe wij en de aarde door God op elkaar zijn aangewezen. De mens die zelf uit de aarde genomen is - de aardman - wordt tegelijkertijd er door zijn Maker op aangesproken, hoe hij met deze aarde, deze wereld omgaat. Van een grenzeloze uitputting van de aarde kan geen sprake zijn. Als God tegen de mens zegt, dat hij van alle vruchten van de aardbodem eten mag dan ligt daar tevens een wenk aan de mens in besloten, om dat wat vruchten vóórtbrengt, te respekteren. De God van de mens is ook de God van de bomen, de vissen, van de jonge zeehonden en van de lieveheersbeestjes: Zijn regenboog staat over hen allemaal. En wat Hij aan grondstoffen in de aarde heeft neergelegd - dat moet voor de mens als een kapitaal zijn, waaraan hij de zorg van een rentmeester besteedt.- Jaargang 19
- nummer 17
Met talenten moet je zorgvuldig omgaan - vooral wanneer het talenten van een Ander zijn.
Ook hebben wij gezien, wat er van de vervulling van die taken terecht gekomen is. De stijl, waarmee wij als westerse mensen met de aarde zijn omgegaan, is veeleer die van de grenzeloze uitputting dan die van het zorgvuldig beheer. Daarachter schuilt iets van de hoogmoed van ons, westerse mensen; de hoogmoed namelijk van het streven om onszelf en onze samenleving omhoog te stuwen door strijd te leveren tegen de natuur en tegen alle natuurlijke barrières. Zo komt de aarde, de natuur, niet naast ons, maar tegenover ons te staan; zo gaat ze dienen als voorwerp, als oefenmateriaal om door ons bij de verwerkelijking van onze vooruitgangsidealen te worden gebruikt. Zo vecht zich de mens een weg terug naar het verloren paradijs - wat hij op die manierechter nooit bereiken zal.
Wij zijn bezig stuk te lopen in ons grondstoffenbeheer - of liever in ons gebrek aan grondstoffenbeheer. Hetzelfde kan gezegd worden van onze omgang met het levensmilieu. Wat Paulus schreef aan de Romeinen, nl. dat de gehele schepping vanwege ons zucht en steunt, en reikhalzend uitziet naar het openbaar worden van de zonen Gods (wie worden hier anders aangesproken dan wij?). krijgt in onze hedendaagse milieuvernietiging een van zijn meest schrille illustraties. Wanneer door ons toedoen vele diersoorten uitsterven, is dat een wel of niet bewuste vorm van wanbeheer, een niet genoeg wijlen hebben aan de vruchten van deze schepping. De wereldoceanen zijn nu reeds bedekt met een vliesje olie van 0,1 mm dik; biologen vertellen, dat een olielaag van 1 mm ruimschoots voldoende is om de levensketens in de oceanen fundamenteel bij de zwakste schakel te verbreken.
Er zijn veel mensen, ook wetenschapsmensen, die deze problemen met een luchtig gebaar wegwuiven. Hun stelling is, dat heus wel tijdig de noodzakelijke technische of wetenschappelijke uitwegen gevonden zullen worden. Maar hun aantal is slinkend. Dat is ook niet verwonderlijk, wanneer we bedenken, dat al deze problemen in een direkt onderling verband tot elkaar staan. Willen we b.v. het grondstoffenprobleem nu eens stevig gaan aanpakken, zowel door nieuwe ontginningen als door de aanmaak van nieuwe vervangende kunststoffen - dan kan dat, maar dan moeten we ons niet erover verbazen, dat dit langs indirekte weg zowel het energieprobleem als dat van de milieuverontreiniging vergroot, En wanneer we aan de 'milieukant' beginnen, wordt onherroepelijk in bepaalde opzichten het grondstoffen- en energievraagstuk weer nijpender. De grondstoffen-, energie- en milieuproblemen grijpen op elkaar in. Als natuur-ontginnende mensen snoten we ons a.h.w. tegelijkertijd aan diverse randen en barrières. Deze wereld lijkt voor ons, aardbestormers, te beperkt te zijn.
• TWEE REACTIES
In zo'n situatie zijn met name twee reacties mogelijk. De eerste - die ons ook het meest na ligt - is die van het ondanks alles toch maar dóórzetten; de reactie van het er op wagen dat alles toch nog wel op z'n pootjes terecht zal komen. En als dat niet gebeurt? Wel, dat is een mogelijkheid waarin wij, beperkte mensen, nu eenmaal niet kunnen voorzien. Dan ligt dat aan de wereld, die in feite te begrensd is, die in feite te weinig naar onze maat is gesneden Een gevaarlijk argument is dat wel: het ligt maar één duimbreed af van een verwijt aan de Maker van deze wereld. Het doet denken aan het verwijt, dat het volk Israël eens aan Mozes toe schreeuwde, toen het zich aan alle zijden ingeslotenwist: Heb jij ons misschien hier gebracht om ons te laten ómkomen?
Heeft God misschien een wereld geschapen om ons er doelbewust op te Laten vastlopen? Een schijnvariant van deze denktrant is deze, dat we er op rekenen, dat onze Schepper het met ons niet zo ver zal laten komen - en dat dan vervolgens terugvertalen naar het heden: we kunnen rustig voortgaan met wat we doen, want Gods voorzienigheid zal niet toestaan dat we in een situatie terechtkomen, waarin alles is opgebruikt en wij in ons eigen afval omkomen, Er zullen heus wel tijdig nieuwe oplossingen dagen; laten we daarom onbezorgd voortgaan.
Er is echter ook een andere, een tweede reactie mogelijk. Dat is de reactie die toe wil naar de wórtels van de problemen, die teruggaat naar het pijnlijke punt van het mogelijk-foute begin. Met name van christenen mag deze reactie worden verwacht. Want God heeft geen wereld gemaakt die zo begrensd is, dat wij er wel op móeten vastlopen. Hij heeft een goede wereld geschapen - dat wil zeggen: een wereld waarin het goed te leven is voor mensen en volkeren, die verantwoordelijk willen zijn. Zijn schepping is als het ware afgestemd op een wijze van beheer als van rentmeesters. Zij is er niet op afgestemd om een voorwerp van grenzeloze uitbuiting te zijn. Daarom is het ook niet zo bijster verwonderlijk, dat wij nu blijken of lijken op verschillende punten te gaan vastlopen.
Dat ligt namelijk niet aan de begrensde wereld, maar aan onze onbegrensde onderwerpingsdrang. De wortel van het probleem schuilt niet hierin, dat deze begrensde wereld niet naar onze maat is gesneden, maar- dat wij onvoldoende in deze wereld aan onze eigen maat, aan de maat van het rentmesterschap, toegekomen zijn.
Uiteraard heeft dit ook z'n betekenis voor onze visie op het bevolkingsvraagstuk.
Evenmin als de aarde er op is afgestemd om een voorwerp te zijn voor een onbegrensde economische exploitatie, is ze er op afgestemd om een onbegrensde voortplanting van het menselijk geslacht mogelijk te maken. In het boek Genesis wordt clan ook door de Heer de menselijke voortplanting (als mandaat aan de mens) gebonden aan een grens en een zin, namelijk het vervullen van de aarde. Anders gezegd: evenals de economische en technische mogelijkheden van deze schepping geheel en al zijn aangelegd op hun verantwoord beheer en gebruik, geldt dat ook van de gave van de sexualiteit. En gelet op het geleidelijk vervuld raken van de aarde, wijst een verantwoord gebruik van die gave eerder op de opdracht, het menselijk geslacht in stand te houden dan het nog aanmerkelijk uit te breiden.
• WIJZELF VERANTWOORDELIJK
Vanuit de gedachte van het rentmeesterschap valt bij de hedendaagse grondstoffen; en milieucrisis dan ook allereerst af te leiden, dat de God van deze aarde ons ook vandaag voor het beheer daarvan tot en met verantwoordelijk houdt. Zo gezien zijn de crises evenzovele signalen, dat wij kennelijk op deze wereld op een verkeerde manier aan het huishouden zijn. Dan zullen we op weg moeten naar een andere levensstijl.
Niet omdat de bestaande stijl van 'redenen van buiten' niet langer op deze beperkte wereld te handhaven is, maar omdat er zich in de kern van de levensstijl-zèlf verkeerde, niet-verantwoorde trekken hebben vastgezet.
Dat wijzelf inderdaad hieraan schuldig zijn, blijkt onder meer uit de waardering van zowel arbeid als goederenbezit, die in onze westerse wereld gemeengoed is. In dit westen hebben we sinds jaar en dag het economisch leven geplaatst in het perspectief van het verkrijgen van een zoo groot mogelijk nut voor een zo groot mogelijk aantal mensen. En dan wel zo, dat daarbij de menselijke arbeid veelal is gezien als een vorm van onnut, dus van een zoveel mogelijk vermijden inspanning, terwijl het nut is vereenzelvigd met het verkrijgen van een zo groot mogelijke hoeveelheid van consumptiegoederen.
Daaruit is een samenlevingsstructuur gegroeid waarin we a) pogen arbeid zoveel mogelijk te laten overnemen door machines, óók wanneer de arbeid zelf daardoor steeds meer ontmenselijkt - en b) arbeid en machines zó kiezen, dat een maximale stroom van consumptiegoederen er het gevolg van is. Zo, op die manier, wordt immers het grootst mogelijke 'nut' voor ons allen bereikt? .En als iets 'nuttig' is, is het immers ook 'goed'? .
Nu we echter thans in onze westerse samenleving met de gevolgen van deze levenshouding te maken hebben - zowel in de vorm van vaak onmenselijke arbeidsmethoden, als in de vorm van milieuverstoring en grondstoffenuitputting - is er eens te meer reden om ons af te vragen, of het niet onze eigen levenshouding is, die ons mede dit oordeel bezorgt, Zullen we niet opnieuw moeten leren, dat het ook in het economisch leven niet om nut, maar om sjaloom zal moeten gaan? Want sjaloom wijst heen naar vrede, en naar een verzadigd worden met goederen, in plaats van de eeuwige honger naar meer. Het wijst ook heen naar arbeid die zinvol is, omdat er iets van het verantwoordelijk meescheppen en mee-vormen met de Schepper van hemel en aarde. in is opgenomen.
Ons echte geluk - en dat is wat anders dan nut - is meer gediend met een genoeg aan goederen dan met een teveel, en is meer gediend met arbeidverrijkende dan puur arbeidbesparende technieken.
Wat voor de menselijke arbeid geldt, geldt ook voor onze stijl van consumeren en distribueren. In al deze levensvormen hebben zich ongetwijfeld elementen van wanbeheer, verkwisting onbarmhartigheid genesteld; elementen, die ons eerder van het persoonlijke levensgeluk verwijderen dan dat zij er toe bijdragen.
Het zijn elementen, die - dit moet er onmiddellijk bij worden vermeld - door ons op het eerste gezicht vaak niet of nauwelijks als een tekortkoming van onszelf worden ervaren. Wij zien het als tekortkomingen van b.v. het maatschappij systeem, waartoe wij allen behoren.
Wij zijn namelijk steeds geneigd onszelf zo veel mogelijk buiten schot te laten, en het kwaad geconcentreerd te zien in iets, wat toch ten diépste buiten ons hart en onze eigen levenskeuze omgaat.
1) Overgenomen uit: "Bezitten of Bezeten zijn" - nr. 44 van “Kerkinformatie" Uitgave van de informatiedienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In dit nummer vindt u naast het artikel van Prof. Goudzwaard artikelen van o.a. ds H. Bouma, prof. drs W. Uytenbogaardt, prof. dr J. Verkuyl, dr C. Klapwijk, dr B. Rietveld, drs C. H. Koetsier Dit hele nummer is bedoeld als een "handreiking voor de kerken en haar leden, waarin wordt opgeroepen tot een bijbelse bezinning op onze levensstijl in deze tijd en waarin wordt opgewekt tot verantwoorde produktie, distributie en consumptie" (pag. 4). Losse nummers kosten f 2,-, te bestellen door dit bedrag met vermelding van: 'nr. 44 - Kerkinformatie' over te maken op giro 513153 van het Algemeen Kerkelijk Bureau, Koningslaan 11, Utrecht. (Redaktie)
(wordt vervolgd)