Hoe de Israëlieten de eenheid bewaarden
2012-11-24
Zoals je op Europees niveau twee tegengestelde bewegingen ziet – enerzijds meer Brussel en anderzijds meer lokale autonomie – zo zie je dat ook op kerkelijk gebied. Enerzijds zijn er tal van initiatieven die de eenheid zoeken en anderzijds is er onderlinge vervreemding en verwijdering binnen kerkverbanden en lokale gemeenten. Niets menselijks is ons dus vreemd in de kerk, maar het roept wel de vraag op naar echte eenheid en hoe je die beoefent. In Jozua 22 vinden we een prikkelend voorbeeld. - Jaargang 56
- nummer 23
De geschiedenis begint op een hoogtepunt in het boek Jozua. Na een periode van strijd mag het volk gaan genieten van de beloofde rust. Daarom mogen de stammen Ruben en Gad en de halve stam van Manasse naar hun erfdeel terugkeren ten oosten van de Jordaan. Zij hadden hun ‘tour of duty’ bij het veroveren van Palestina eervol volbracht. De atmosfeer is vol van geloof, dank en blijdschap, maar bepaald niet ‘gearriveerd’. Zo krijgen de ‘overjordaners’ de ernstige aansporing om met hart en ziel trouw te blijven aan de HERE en zijn woord. Het goede dat je mag smaken, is iets dat je dagelijks met alle inzet moet blijven zoeken. De zekerheid van het geloof is per definitie niet iets dat wij in handen hebben. Het is de ‘vreemde’ zekerheid waarop Paulus doelt in Filippenzen 3. Hij heeft het nog niet gegrepen, maar blijft ernaar jagen vanuit de zekerheid dat hij gegrepen ís. En dan gebeurt iets herkenbaars. In hun gedrevenheid schieten de overjordaanse stammen door. Zij bouwen een joekel van een altaar aan de oever van de Jordaan. Later blijkt dat zij dit doen om de eenheid van het geloof te garanderen voor de komende generaties. Want geografisch leven ze aan de rand en ze onderkennen het gevaar dat ze op den duur ook geestelijk op afstand zullen komen. In de wetenschap dat de dienst van het altaar en de verzoening die God daar
geeft het geheim van de eenheid van het volk waarborgt, bouwen zij een groot symbolisch altaar. Enthousiast en met zuivere intenties, maar niet handig. De overjordaners zijn zo vol van hun eigen goede intenties dat zij zich niet realiseren dat hun bouwsel totaal anders kan overkomen, met alle conflictstof van dien.
Niet mals
De achtergebleven stammen blijken in eenzelfde hooggespannen sfeer te verkeren als hun overjordaanse broeders, want ook zij reageren heftig. Het bericht van het pas gebouwde altaar valt totaal verkeerd, met de onmiddellijke mobilisatie van een strafexpeditie als resultaat. Als buitenstaander geloof je je ogen niet. Door de opbouw van zijn verhaal maakt de bijbelschrijver ons even tot die beduusde buitenstaander. Hebben ze jaren zij aan zij gestreden voor God en zijn Rijk (dan weet je toch wat je aan elkaar hebt!) en dan deze plotselinge omslag. Maar opnieuw: hoe herkenbaar. Hoe vaak is het niet gebeurd dat in tijden van reformatie en opwekking interne conflicten zomaar hoog oplaaiden en bondgenoten en strijdmakkers in de kortste tijd veranderden in de felste tegenstanders? Wat een schade had voorkomen kunnen worden als de ijver voor God met iets meer bezonnenheid gepaard was gegaan. Prachtig hoe het in Jozua 22 – zij het
langs het randje van een bloedige broedertwist – dan toch anders wordt opgepakt. Van beide zijden! De Palestijnse stammen zoeken eerst het gesprek via een zware afvaardiging. Eerst het gesprek, dat is zo’n basisregel die in de hectiek van de confrontatie zo gemakkelijk sneuvelt. Ondertussen zijn de beschuldigingen niet mals. Trouwbreuk, afkeren van de HERE, opstand: dat altaar laat toch geen andere conclusie over. In de wet van Mozes (Deuteronomium 12) was de HERE op dit punt ondubbelzinnig duidelijk geweest. Het hart van Israëls verbondenheid met de HERE en met elkaar lag bij de dienst van het altaar en daarom was elke blijk van slordigheid op dit punt, laat staan eigenwilligheid en willekeur, dodelijk voor die verbondenheid. De Israëlieten weten uit recente ervaring hoe dit het oordeel van God over de gemeente kan afroepen en ook daarom is er geen tijd te verliezen. In termen van het nieuwe verbond zou het neerkomen op een wijziging of relativering van het Evangelie van de gekruisigde Christus. Paulus spreekt daar in de brief aan de Galaten een ‘vervloekt’ over uit en legt in de eerste brief aan de Korintiërs een link tussen het misbruiken van het avondmaal en de vele sterfgevallen in de gemeente. Dat de Israëlieten hier meteen bovenop springen, is dus in overeenstemming met de ernst van de verdenking. Tegelijk worden deze zware verwijten gedragen door het verlangen om te behouden. En dat springt er voor mij uit aan de kant van de Israëlieten. Royaal bieden zij aan eigen grondgebied op te geven als zij daarmee hun broeders, ja heel Israël, kunnen behouden. In alle felheid blijken zij gedreven te zijn door de liefde van Christus. Niet minder indruk maakt de reactie van de overjordaners. Zij worden in hun diepste intenties miskend en in hun gelovige integriteit aangetast. Het is zo menselijk om dan in felle verontwaardiging af te weren en terug te slaan. Maar zij geven hun broeders met hun tuchtmaatregel gelijk. Een teken hoe echt hun intenties zijn en hoe hecht zij aan de HERE verbonden zijn. Royaal en kwetsbaar waarderen zij hun verontruste broeders in hun felle reactie: als ze inderdaad het altaargebod van Mozes hadden overtreden, had standrechtelijk de straf voltrokken mogen worden. De verdenking wordt niet als belediging opgevat, maar als oprechte zorg.
Maar het omstreden altaar is niet wat het lijkt. Na hun verantwoording blijken de beide partijen juist verrassend één te zijn in wat hen beweegt en wat voor hen het allerbelangrijkste is: de ene dienst van het altaar als grond van hun eenheid met de HERE en met elkaar. Deze bevrijdende en hartverwarmende ontknoping is voor priesterzoon Pinehas het bewijs dat de HERE in hun midden is. De dreiging van scheuring én van het oordeel van God maakt plaats voor een dankbare bevestiging van zowel de geloofseenheid als de aanwezigheid van God in het midden zijn volk.
Hartverwarmend
Wat ik oppak uit deze geschiedenis is in de eerste plaats het diepe besef dat het in de eenheid van de kerk gaat om God en de dienst van het altaar die Hij aanbiedt. Het gaat om Gods aanwezigheid in de verzoening door de gekruisigde Christus. Wie in welk streven naar eenheid dan ook hieraan voorbijgaat, zoekt een valse eenheid die onder Gods toorn
komt. Er is alleen eenheid in de waarheid van de gekruisigde Christus. En dan geen waarheid in dogma’s en belijdenisgeschrift en alleen, maar één die als in Jozua 22 de harten vervult met liefde en ijver. Het tweede dat ik oppak, is dat we in situaties van onderlinge vervreemding allereerst het gesprek moeten zoeken, tegemoetkomend en kwetsbaar. In de hoop dat ondanks alle blijken van het tegendeel er toch een verrassende en hartverwarmende eenheid van hart en ziel blijkt te zijn. Dan mag blijken dat – om maar één spanningsveld te noemen – de liefhebbers van opwekkingsliederen en van psalmen, van het orgel en van het drumstel beide gedreven worden door het verlangen om zichzelf en de ander te bewaren bij de genade van de gekruisigde Christus. God is dan echt in ons midden!
Ds. Ton Vos is predikant van de NGK Assen en lid van de redactie van Opbouw.