Psalm 149: een geestelijke jihad
2012-11-24
Wraak, ketenen, ijzeren boeien. Psalm 149 spreekt van een jihad-achtig ideaal en heeft daarmee veel gemeen met de islam. Maar God ontwikkelt die jihad op zijn weg met het volk Israël stap voor stap tot een geestelijke strijd. Een strijd die ook wij vol geestdrift zouden moeten voeren.- Jaargang 56
- nummer 23
Sinds de protestantse kerkgemeenschap in 1968 de beschikking kreeg over een nieuwe psalmberijming is Psalm 149 een geliefde en graag gezongen psalm geworden. Menige kerkdienst is met deze klanken begonnen. De dichter-berijmer Jan Wit heeft dan ook prachtig recht gedaan aan het feestelijke karakter van deze psalm. De melodie, voorheen volslagen onbekend, ligt nu goed in het gehoor. Toch is het begin van de psalm gemakkelijker bij te vallen dan het vervolg. Wat de vromen op hun legersteden uitzingen (vers 5) is zonder meer een jihad-achtig ideaal. Dit is wat zij over Gods volk zeggen: ‘De lofverheffingen Gods (te vergelijken met zoiets als Allahu Akbar!) zijn in hun keel, een tweesnijdend zwaard is in hun hand, om wraak te oefenen aan de volken, bestraffingen aan de natiën; om hun koningen met ketenen te binden, en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken. Dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Hallelujah!’ (Psalm 149:6-9). De gedachte hierachter is dat er een verticale oorlog woedt tussen God en zijn wereld. Dat moeten we altijd weer bedenken bij zulke felle teksten. De wereld is van God afgevallen en de Here God berust daar niet in. Hij blijft de lof van zijn afgevallen wereld zoeken. Het loven van God waarmee de psalm begint, moet daarom algemeen worden. Israël is maar een klein volk tussen de andere naties en de verheerlijking van Gods naam komt nog maar van een beperkt aantal mensen. Hoe kan daar uitbreiding aan gegeven worden? Dat kan, zo droomt de strijdvaardige dichter, niet anders gerealiseerd worden dan langs de weg van het geweld en van een soort heilige oorlog. Voor andere middelen heeft hij geen oog.
Bescheiden
Als ik dit jihad-achtig noem, bedoel ik niet de Bijbel te beledigen. Ik zie ook echt het verschil niet over het hoofd tussen de Here God en Allah. Ik wil alleen maar zakelijk wijzen op een overeenstemming tussen het Oude Testament en de Koran. Het Oude Testament heeft, naast andere functies, de functie dat het ons begrip leert opbrengen voor hoe andere godsdiensten dan de onze het doen. Want het heeft met die andere religies veel gemeen. Met het jodendom natuurlijk, maar ook met de islam en zelfs met het hindoeïsme. Dat kan ons de verachting afleren die wij haast instinctmatig voor die andere religies hebben. Wij moeten inzien dat wij veel van wat ons bijvoorbeeld in de islam tegenstaat ook zelf in huis hebben. En dat moet ons bescheiden maken. De Bijbel is evenwel – anders dan de Koran – een weg. Hij volgt een traject van toen naar later, van oud naar nieuw, van het Oude Testament naar het Nieuwe Testament. Dat mist de islam. Het Oude Testament zegt: ‘Zo is God met zijn heilswerk begonnen.’ Om ons dan vervolgens op een weg naar voren mee te nemen en ons te leren: ‘Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden’ (Zacharia 4:6). Dat kent de islam niet.
‘O’, zegt u gerustgesteld, ‘dus we kunnen dat aanstotelijke, dat stuk over het krijgsgeschreeuw en het tweesnijdende zwaard en de wraak die voltrokken moet worden wel overslaan?’ Nee, dat kunnen we niet. Die vechtlust, die brandende ijver om Gods naam te verbreiden hebben we nodig om de gemakzucht en de onverschilligheid uit onze luie leden te ranselen.
Ootmoedigen
De psalm zelf bevat al aanwijzingen welke kant hij met zijn jihad op wil. Vers 2: ‘Israël verheuge zich in zijn Maker, laten de kinderen Sions juichen over hun Koning.’ Deze zin zegt niet alleen iets over de mensen die hier zingen, maar ook over de God die zij dienen. Er is in dit vers een toespitsende beweging gaande. Het gaat van Israël naar de kinderen Sions en van God de Maker van Israël naar zijn messiaanse koning. Daarmee, met die twee toespitsingen, zitten we midden in de boodschap van het Oude Testament en wordt precies de kern van het oude Israëlitische geloof getroffen. Sion was het kritische midden in Israël. Na de zonde met het gouden kalf in de woestijn was het zeer duidelijk geworden dat de Here God alleen maar uit kracht van de verzoening omgang met zijn volk kon hebben. Daarom ging het volk na de uittocht uit Egypte naar Kanaän, en in Kanaän naar Sion toe (Exodus 15:13,17). Daar zou de Here zijn zegen gebieden (Psalm 133:3). Er waren er in het volk die om precies die reden Sion lief hadden (Psalm 26:8), maar er waren er ook die om dezelfde reden Sion haatten (Psalm 129:5). Dat bedoel ik met dat ‘kritische’ midden van Sion. Sion trok een scheidslijn tussen ware en onware Israëlieten. De eersten heetten dus kinderen Sions. Ootmoedigen, volgens vers 4.
Wat de koning betreft: daar gaat het om de messiaanse koning die God gesteld had over Sion, zijn heilige berg (Psalm 2:6). Hij was het die het volk bij Sion moest brengen en het met de verzoening vertrouwd moest maken. Daarom worden in de Bijbel ook alleen die koningen geprezen die met Sion het goede voor hadden, David voorop. De messiaanse koning was het nauwst verbonden met Sion. Psalm 110:2 zegt zelfs dat de Here God de machtige scepter van zijn messiaanse koning uitstrekte vanuit Sion. Dat wil zeggen dat het bij die koning om een messiaans regime ging, dat gedompeld en gedoopt was in het geheimenis van de verzoening. Samengevat ‘verbijzondert’ het volk Israël zich in vers 2 in de kinderen Sions en ‘verbijzondert’ God, Israëls Maker, zich in de messiaanse koning. Er vormt zich zo uit Israël een Godsvolk dat zich onder een messiaanse koning oriënteert op het geheimenis van de verzoening en daarin z’n hoogste vreugde vindt (Psalm 149 is duidelijk een loflied). Het is het Godsvolk van de ootmoedigen, want er was ootmoed (een besef van kleinheid voor God) voor nodig om van dat Sion en van die koning heil te verwachten, zoals voor ons nederigheid vereist is om alles van Christus te verwachten. Sion en de messiaanse koning zijn in het Oude Testament dan ook de twee verwijzingen naar de Christus.
Stapjes
Nu weten wij dus wat voor soort mensen het zijn die in deze psalm juichen en jubelen en die zo graag willen werven voor hun koning. Het zijn de ootmoedige vromen die klein zijn geworden onder de verzoening en vergeving van hun zonden en die dat nu ook gunnen aan de volken rondom hen. Zij dromen dus op een heel bijzondere manier over die oorlog met z’n heftige krijgskreten en tweesnijdende zwaarden (vers 6). Ik zeg ‘dromen’ vanwege het opmerkelijke woord ‘legersteden’ dat in vers 5 valt. Waarom legersteden, bedden? Misschien is bedoeld dat de legerstede de plaats is waar de gedachten zonder de gebruikelijke afleidingen een hoge vlucht kunnen nemen, waar gelovige mensen zich een voorstelling kunnen vormen van hoe het gesteld is met de komst van Gods Koninkrijk. Kent u dat niet, dat wakker liggen in de nacht en dat bezig zijn met de dingen des Vaders? Jubelend, zoals hier staat, maar ook wel zorgelijk? De ootmoedigen dromen daarbij niet van geweld met wapens en gewoon oorlogstuig. Tenminste, op den duur niet. Men begreep gaandeweg wel dat een andere, meer geestelijke kracht nodig was. Gaandeweg, zeg ik, want de Schrift is de weg naar dat inzicht in stapjes gegaan. Daaruit spreekt het pastorale van Gods leiding. We moeten de oorlog uit het tweede deel van de psalm daarom niet meteen gaan vergeestelijken, door bijvoorbeeld te zeggen: dat tweesnijdend zwaard is natuurlijk het zwaard des Geestes waar Paulus het over heeft in de passage over de geestelijke wapenrusting (Efeze 6:10-20). Ik zou dat niet direct fout willen noemen, maar het is te kort door de bocht. Er ligt een stuk weg tussen dat tweesnijdend scherpe zwaard van de psalm en het zwaard van Paulus. Een stuk weg waarop Israël heeft moeten leren dat het met het letterlijke zwaard toch niet al te ver kwam. Israël heeft (om maar het belangrijkste voorbeeld te noemen) het land Kanaän met het zwaard op de vijand veroverd, maar waar heeft dat toe geleid? Uiteindelijk tot de balling schap en het verlies van het land. Langs die weg werd Israël duidelijk gemaakt dat een meer blijvend bezit van de erfenis van de Here God zelf moest komen. En zo kwam Israël stapsgewijs tot het inzicht dat alleen het zwaard des Geestes opgewassen was tegen de vijand en ‘een kracht Gods tot behoud is voor een ieder die gelooft’ (Romeinen 1:16).
Laaiende ijver
Te direct en te rechtstreeks vergeestelijken is willekeurig. Vergeestelijking veronderstelt een ontwikkeling. Een ontwikkeling waarin het volk Israël gaandeweg een Sionsgemeenschap werd en de Here God stapsgewijs met zijn messiaanse koning voor de dag kwam (twee opstapjes naar Christus). Door die ontwikkeling groeide het volk in zijn afhankelijkheid van God en werd het steeds meer een gemeente van ootmoedigen, die de gebruikelijke wapens bij de messiaanse koning inleverde, ja, uiteindelijk bij Hem, Christus, die gezegd heeft dat allen die voor de vestiging van het Koninkrijk naar het zwaard grijpen ook door het zwaard zullen vergaan (Matteüs 26:52).
Maar het begon er dus mee dat God zich bij de opvattingen van Israël – en dat waren eigenlijk de opvattingen van alle volken – aansloot. Bij de opvatting dus van een jihad ten behoeve van Gods Koningschap over de naties. En het mooie daarvan was dat Israël zich oefende in een strijdlust en laaiende ijver voor de goede zaak, zoals je die bij moslims ook wel eens ziet en waar je jaloers op kunt zijn. Wat een vurige hartstocht voor de zaak van Allah! De Bijbel vergeestelijkt dat. Maar vergeestelijking wil niet zeggen dat
het latere het eerdere helemaal vervangt. Het betekent dat het goede en het bruikbare van het oude in het nieuwe wordt meegenomen. En dat goede en bruikbare, dat is hier het enthousiasme en de geestdrift. In die zin kun je de strijdvaardigheid uit Psalm 149 voor ons dus nieuw duiden. En daarom blijven we ook als nieuwtestamentische gelovigen de hele psalm zingen, dat tweesnijdend scherpe zwaard en die ketenen en ijzeren boeien incluis.
Geest
Hoe vertalen wij dit alles nu naar onze tijd en naar onze situatie? God wil dat wij vol ijver worden om de geestelijke rijkdom waarvan wij genieten in alle zachtmoedigheid met anderen te delen. Met alle anderen! Door zending, zeker, maar dat niet alleen. Ook dichterbij, in ons eigen leven, in onze eigen omgeving, onder onze eigen kennissen en contacten gaat dit op. We zouden ook wat dit betreft een meer biddend leven moeten gaan leiden, om daardoor attent te worden op de vele mogelijkheden die wij ongebruikt laten. Want wij kunnen meer dan wij denken. Wat zou het bijvoorbeeld mooi zijn wanneer er zich een gesprek over deze psalm zou ontspinnen tussen christenen en moslims uit een bepaalde buurt! Een gesprek over die jihadgedachte, die de Bijbel dus ook kent, maar die zich ontwikkelt tot een geestelijke strijd. Psalm 149 laat de overeenkomst én het verschil met de islam zien. De islam kent ook die geestelijke kant van de jihad, maar daar merk je niet zo veel van. De letterlijke kant wint het. En als wij de Heilige Geest niet ontvingen, was dat bij ons net zo. Daar staat de menselijke natuur borg voor. De Geest moet ons bij het geestelijke brengen. Hij wil dat ook, met alles wat in Hem is.
Recht
Ik ga tot slot nog in op het laatste vers van de psalm, over dat ‘beschreven recht’ dat wij aan de buitenstaanders zullen voltrekken (vers 9). Dat klinkt opnieuw dreigend, in het licht van wat direct hieraan vooraf gaat over de wraak, de ketenen en de ijzeren boeien. Ik wil u daarom op een passage wijzen uit de profetie van Jesaja, die in het Nieuwe Testament op de Here Jezus wordt toegepast. Dan ziet u meteen waar de bijbelse jihad op uit is, hoe anders die eruit ziet dan wat tegenwoordig onder zo’n heilige oorlog verstaan wordt. Het is het eerste knechtslied uit de profetie van het Troostboek: ‘Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene in wie Ik mijn welbehagen heb, Ik heb mijn Geest op hem gelegd; hij zal de volken het recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht / en op zijn lering zullen de buitenstaanders hopen’ (Jesaja 42:1-4 en Matteüs 12:15-21). Gemakkelijk herkennen we in deze profetie het werk van de Here Jezus en van de Heilige Geest. Het driemaal voorkomende woord ‘recht’ in deze passage laat het toe om in het ‘beschreven recht’ van de psalm een verwijzing naar het Evangelie te horen. Het Evangelie is het beschreven recht waar de mensen over de hele wereld recht op hebben. Dat te brengen aan alle mensen om ons heen, dat is de luister van al Gods gunstgenoten. Daar stellen wij een eer in. Toch?
Drs. Henk de Jong is emeritus predikant van de NGK Zeist.
| Laat het een hoge feestdag wezen. De naam des HEREN wordt geprezen met het aloude lied der vaad’ren. De heilge reien naad’ren. En zo danst in het morgenlicht heel Gods volk voor zijn aangezicht en slaat de harp en roert de trom in ’s HEREN heiligdom. |