Persschouw
1975-05-02
• "De kleine ijzervreter"- Jaargang 19
- nummer 18
Wie denkt aan "Nederland in oorlogstijd" en daar iets van af weet denkt ook vast en zeker aan prof.
Gorbrandy de minister-president in Londen. Hij was een man "als uit ijzer gegoten". Met de inzet van alles heeft hij gezwoegd voor de bevrijding van ons land waaraan hij vast geloofde.
Een paar weken geleden kwam mij een nummer van De Telegraaf onder ogen waarin Erik Hazellhoff Roelfsema een artikel over Gerbrandy had geplaatst. Hazelhoff Roelfsema is de schrijver van het bekende boek "Soldaat van Oranje", Hij was een van de dapperste en stoutmoedigste verzetsstrijders.
Meermalen stak hij van Nederland naar Enge1and over en omgekeerd, Later was hij adjudant van Koningin Wilhelmina.
Hier is zijn verhaal.
Wij morgen mannen als Gerbrandy niet vergeten.
"Toen het er op aan kwam, hebben ze zich allemaal achter mijn rokken verscholen", zei koningin Wilhelmina in 1941 over haar ministers in Londen. Het ging over het ontslaan van de ministerpresident, jhr. De Geer, een defaitistische oude man die niets liever wilde dan terug naar bezet Den Haag, naar het Plein en de Witte, en de geallieerde weerstand tegen Hitler allemaal maar tijdrovende flauwe kul vond.
Zijn kabinet trachtte hem manmoedig de hand boven 't hoofd te houden, wat de Koningin razend maakte, en toen het zich eindelijk gewonnen gaf werd minister Van Kleffens afgevaardigd haar te overreden om het dan tenminste "fortiter in re suaviter in modo" te doen. "Ik spreek geen Latijn", beet Wilhelmina hem toe, "maar er is een nederlands spreekwoord dat zegt "zachte heelmeesters maken stinkende wonden".
"De Zeeleeuw"
De Geer vloog de laan uit, en uit dit dieptepunt van ons parlementair verleden trad als zijn opvolger een man naar voren die zich fysiek het gemakkelijkst achter de rokken van de Koningin had kunnen verschuilen - hij was maar één meter veertig lang - maar die haar integendeel altijd recht in de ogen heeft gekeken. In Nederlandse kringen stond hij bekend als "de zeeleeuw", Winston Churchill noemde hem "Cherry Brandy", Hitlers fantasie bracht het niet verder dan "dieser Professor"; maar op het standbeeld dat we dit jaar voor hem gaan oprichten komt zijn volle, fiere, Friese naam te staan: Pieter Sjoerd Gerbrandy.
Wat hij op staatkundig gebied heeft gepresteerd, kunnen anderen beter beoordelen dan ik. Mijn herinneringen aan professor Gerbrandy zijn van persoonlijke aard en onwezenlijk vervlochten met bombardementen, torpedoboten, geheime besprekingen, Secret Service, nachtelijke landingen, watervliegtuigjes, alles waarvoor je zou verwachten dat een politicus op leeftijd ontzet terug zou deinzen. We kwamen met elkaar in contact in het najaar van 1941, kort nadat ik als Engelandvaarder in Londen was aangekomen.
Ik probeerde steun te vinden voor een plan om 's nachts met bootjes over de Noordzee op bezet Holland te gaan varen. De Koningin, die smachtte naar nieuws uit Nederland, zag er wel wat in, hetgeen tot de onvermijdelijke vraag leidde wie dat allemaal met zijn ministeriële verantwoordelijkheid moest. dekken.
"De zeeleeuw", opperde prins Bernhard prompt. "Dat is de enige die er de lef voor heeft".
Bombardementen
Lef had de kleine minister-president zeker, zowel moreel als lichamelijk. Toen ik de volgende avond informeel m'n opwachting bij hem ging maken, in z'n kamer in het gammele Brown's hotel middenin het zwaar-geteisterde West End, ontging het me niet dat hij ondanks de bombardementen in het hartje van Londen was blijven wonen; terwijl zijn ambtgenoten hun heil in de veilige voorsteden hadden gezocht.
Ik had weinig ervaring met hoogwaardigheidsbekleders en verwachtte dat de minister-president, hoofd van de Anti-Revolutionaire Partij, zwaar gereformeerd natuurlijk, een stugge steile Fries zou blijken. Plotseling stond hij voor me, z'n kamer binnengestapt vanuit de badkamer.
Zijne Excellentie, nog stomend van het warme bad, was gekleed in een handdoek, die hem om de lendenen strak rond z'n bolle buikje spande. Z'n kortharige, kogelronde hoofdje verhief zich parmantig uit de tengere schouders, boven een massale hangsnor keken zijn blauwe ogen onvervaard de wereld in.
Deze hele verschijning had onder mijn uitgestrekte arm door kunnen lopen, een ijzervreter in miniatuur. Hij zag er engelachtig uit. Niettemin nam hij die avond de hele, vérstrekkende, menselijk bezwaarlijke en politiek riskante verantwoordelijkheid voor onze geheime landingen in Nederland op z'n smalle schouders.
Puurheid
Het had me niet hoeven verbazen, Pieter Gerbrandy werd voortgezweept door dezelfde felle drijfveren die ons naar Engeland hadden doen oversteken. Zijn kracht was de puurheid van zijn beweegredenen.
In het Londense wereldje van zelfzucht en intrige had hij geen ambities, persoonlijke of andere, behalve de brandende begeerte de moffen ons land uit te meppen en onze vrijheid hersteld te zien.
Hij was Nederlands oorlogs-premier bij uitstek, want van zijn om andere reden daartoe ongeschikte socialistische collega Jan van de Tempel, nooit aan de uiteindelijke overwinning getwijfeld. Hier zag hij zijn taak, verder dan dat keek hij niet. Het was genoeg.
In de machtsverhouding met de koningshuis vertegenwoordigde hij meer dan enig ambtgenoot het door omstandigheden uitgeholde parlementaire overwicht.
Bij afwezigheid van de volksvertegenwoordiging moesten de ministers terugvallen op de kracht van hun persoonlijkheid en wat dat aanging lustte Wilhelmina ze rauw, met huid en haar.
Ook minister Gerbrandy, Oranjeklant als hij was, kon de Koningin niet aan, maar hij was eerlijk en koppig en in tegenstelling met de meeste anderen niet bang voor haar. Juist om deze redenen waardeerde zij hem en in de oorlog stonden ze zij aan zij. Maar Koningin Wilhelmina zag verder in de toekomst en daar kon of wilde hij haar niet volgen.
Toch geloof ik dat de verkoeling die tussen hen ontstond meer beïnvloed werd door overeenkomstige dan' tegenstrijdige karaktereigenschappen.
Kort na de bevrijding ben ik aanwezig geweest bij een bespreking tussen hen beiden in Ulvenhout bij Breda. Professor Gerbrandy was net afgetreden als minister-
president, ik had hem als adjudant van Koningin Wilhelmina bij haar binnengeleid en was om een of andere reden aangehouden. Ook het onderwerp van de discussie is me ontschoten, maar de opvallende koele toon bleef me bij.
Ik zie ze nog zitten, tegenover elkaar aan de theetafel, twee kleine geweldenaren, beiden volkomen gemotiveerd door liefde voor hun volk, beiden onwrikbaar in hun eigen overtuiging. "Ik heb het grootste respect voor de heer Gerbrandy", zei de Koningin later tegen me in een van die ontboezemingen welke in die dagen typerend voor haar waren, "maar hij kan wèl èrg koppig zijn". Ik wed dat ze hem de woorden uit de mond nam.
Pieter Sjoerd Gerbrandy krijgt een standbeeld en ik weet eigenlijk niet waarom. Ik ben ervoor, omdat ik hem in Engeland heb leren kennen als een dappere, eerlijke, aardige Nederlander.
Wat hij betekent voor het Nederlandse volk, dat in zijn regeringsperiode onder de Duitse bezetting zat, weet ik niet.
Maar het is duidelijk dat hij zich in Nederlandse harten, als in het mijne, een plaats heeft veroverd. En is dat niet de beste reden van allemaal?