Het einde: Gods koningschap
1975-05-09
Met de bespreking van het tweede deel van Openb. 11 wil ik de serie over dit bijbelboek afsluiten.- Jaargang 19
- nummer 19
In het vervolg zullen we veel tegenkomen, dat reeds eerder genoemd is. Dat gaat ontwikkelingen tekenen, die zich in de eindtijd voordoen en die alle uitlopen op het grote oordeel van de Here over deze wereld.
Daar spreekt ook dit tweede deel van hoofdstuk 11 over. Hier horen we de bazuinstoot van de zevende engel, en dan grijpt het visioen ineens vooruit naar het eind van het boek en het eind van de geschiedenis. Voordat Johannes de verdere ontwikkelingen moet zien en beschrijven mag hij daar a.h.w. overheen kijken, om te zien hoe het afloopt.
En het loopt af met het koningschap van God.
Daarover immers gaan de lofzangen in vs 15 en vs 17, 18. En die sluiten aan bij de lofzangen uit de hoofdstukken 4 en 5, waar we deze serie begonnen. De hemel zong toen van de majesteit Gods in Zijn schepping. Maal': in die schepping regeerde, door de zonde van de mens, de dood. God kon niet verder - totdat het Lam kwam, dat de dood overwon.
Toen kon de geschiedenis verder.
Dat betekende ook, dat de krachten, die tegen de Here in gaan, zich konden ontwikkelen, waarover de oordelen Gods zich voltrekken. Dat alles hebben we in voorgaande hoofdstukken gezien.
Tevens zagen we, dat de Here in de eindtijd Zijn rechtsgeding voert met deze wereld, en daarom Zijn getuigen doet optreden: Zijn gemeente. Maar: die getuigen worden gedood door het ongeloof van de wereld, èn van een afvallig geworden kerk.
Dan komt het derde wee. De zevende engel blaast de bazuin.
Het derde wee begint met een hemelse lofzang op Gods koningschap.
Nu is de macht gekomen aan God en aan Zijn Gezalfde.
Daarmee is niet gezegd, dat voordien de Here niet over alles regeert; maar dat alle macht die zich tegen Hem verzet, nu gebroken wordt. In het tweede lied, dat van vs 17 en 18, is het thema dan ook de overwinning.
De manier, waarop de Here wordt aangesproken is bijna gelijk aan de lofzang uit 4 : 8. Er is maar een klein verschil. Daar werd van God gezongen: die is, en die was, en die komt. Hier ontbreekt het laatste gedeelte: die komt. Nu is Hij er. Nu is Zijn koningsheerschappij aangebroken. Hij overwon. Alle vijandige machten zijn verslagen. De lofzang zegt: De volken waren toornig geworden, maar Uw toorn is gekomen.
Over die toorn van de volken sprak het eerste deel van dit hoofdstek. Het beest uit de afgrond heeft de getuigen van de Here de oorlog aangedaan en hen overwonnen, De volken hebben zich tegen de Here verzet, en ook geen woord meer over Hem en Zijn recht willen horen.
Die tegenstand was er, toen de Here Jezus op aarde was. Ze was er ook, toen in Jeruzalem de gemeente werd vervolgd, Die gemeente heeft toen de stand van zaken begrepen. In Hand. 4 : 24 e.v. lezen we het gebed van die gemeente: Gij, Here, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is; die door de H. Geest bij monde van onze vader David, Uw knecht, gezegd hebt: waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen de Here en tegen Zijn Gezalfde. Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen Uw heilige knecht Jezus, dien Gij gezalfd hebt, Herodes, zowel als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken van Israël ...
In dat gebed van de gemeente vinden we, net als hier in de hemelse lofzang, eerst de verwijzing naar Gods Almacht in Zijn schepping. Maar dan ook die naar de tegenstand. En die gemeente in Jeruzalem weet: wat ons overkomt is niet nieuw. David kende dezelfde tegenstand.
Psalm 2 wordt opnieuw werkelijkheid.
Het boek Openb. laat zien, dat de oude tendens zich voortzet, en dat ze aan het einde van de tijden tot een climax komt. De volken willen zich onttrekken aan de macht van de Here en Zijn Gezalfde.
De tegenstand is echter machteloos.
Die in de hemel zetelt, lacht, Hij spreekt tot hen in Zijn toorn: Ik heb Mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg.
Of de volken het nu erkennen of niet: het eind zal doen blijken" dat de Here koning is. Hij zal het tonen aan de vorsten uit Davids tijd, aan de Joden en Romeinen uit Jezus’ dagen, aan de mensen van nu en van de toekomst. Aan allen, die het evangelie alleen maar geprikkeld aanhoren, omdat het hun spreekt van de rechten van een God, die uit de tijd is.
Het geloof in zo'n almachtige God, en in een Here Jezus Christus, die de mensenschuld wegneemt door Zijn bloed, behoort tot een voorbije tijd. Wie het geloven wil, moet dat maar doen binnen de vier muren van zijn huis of van de kerk, maar dat niet verkondigen in de wereld.
Tot die amen zegt God, heel de geschiedenis door: weest verstandig, laat U gezeggen, rechters der aarde. Dient de Here met vreze en verheugt U met beving, kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op Uw weg vergaat, want zeer licht ontbrandt Zijn toorn. Welzalig allen, die bij Hem schuilen.
De oudsten in de hemel zingen naar de strekking van dit oude lied. De tijd voor de doden is gekomen om geoordeeld te warden, en om het loon te geven aan Uw knechten, De tijd voor de rechtzitting is aangebroken.
Op die rechtzitting wordt uitspraak gedaan ten goede, of ten kwade. Ten kwade voor allen, drie zich zijn blijven verzetten tegen de Here en Zijn gezalfde Ten leven voor allen, die zijn opgeschreven in het boek des levens van het Lam (zie 20 : 11-15).
Over hen licht de heerlijkheid des Heren.
Dat laatste ziet Johannes, doordat in de hemel de tempel Gods opengaat en de ark van Zijn verbond zuchtbaar wordt. Altijd is die ark verborgen geweest, achter het voorhangsel in de tabernakel en de tempel in Jeruzalem.
Niemand kon en mocht Gods heilige troon zien. Als de heilige ark in de woestijn vervoerd werd, werd ze met kleden bedekt. De levieten, die haar droegen, moesten achteruit het heiligdom binnengaan om haar te bedekken. Als ze de ark zouden zien, zouden ze sterven.
Toch was die ark de troon van God temidden van Zijn volk: de troon van Zijn genade.
Toen de Here Jezus stierf op Golgotha, scheurde het voorhangsel.
De weg naar Gods troon lag open. Maar toen was er in het heiligdom geen ark meer. Na de ballingschep is de ark nooit teruggekeerd.
Pas hier, in het visioen van Johannes, verschijnt ze weer. Als symbool van de heiligheid Gods.
- en van Zijn verbintenis met mensen. Met die mensen, die tot Hem gaan in Jezus Christus, die door het voorhangsel, dat ds Zijn vlees, zegt de Hebreeënbrief de weg geopend heeft.
De Here laat Zijn troon nu zien, aan alle mensen.
Zoals Hij Zich openbaarde op de berg Sinaï, met allerlei natuurverschijnselen.
Ook nu komen er bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware hagel. De donder Gods rolt over de wereld. Vanaf Zijn troon oordeelt Hij de doden.
En Zijn knechten ontvangen hun loon. Het loon der gerechtigheid om Jezus' wil, Hij sprak: Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het koninkrijk der hemelen. Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van U spreekt om Mijnentwil hen we denken weer aan die gemeente in Jeruzalem, die psalm 2 bad, en aan de twee getuigen uit Openb. 11. Verblijdt U en verheugt U, want Uw loon is groot in de hemelen (Matth. 5 : 11, 12).
Psalm 2 komt uit. De dag van Gods toorn komt.
Ook de laatste regel van die psalm komt uit: welzalig allen, die bij Hem schuilen.