Ons kerkboek

1975-05-09
  • Jaargang 19
  • nummer 19
Wij zitten met ons kerkboek, platweg gezegd, in de puree. We hadden weleer een Gereformeerd kerkboek. En dan denk ik bij dat 'Gereformeerd' niet alleen aan de inhoud van het kerkboek, maar ook hieraan, dat je er in elke Gereformeerde kerkdienst mee terecht kon. Het omvatte, sedert de komst van de zgn. dundruk-bijbels de complete Heilige Schrift, de belijdenisgeschriften van de Gereformeerde kerken in Nederland (de Catechismus, de Ned. Gel. Belijdenis en de Dordtse Leerregels); de 'liturgische' formulieren (Doop, Openbare belijdenis, Avondmaal, Ban en Wederopneming, Bevestiging ambtsdragers, Huwelijksformulier) en voorts een aantal gebeden'. En aan deze laatste stukken gingen dan vooraf de berijmde Psalmen en de 'Enige' - na 1933: 29 - 'Gezangen'. Alles in een gemakkelijke slappe band om zo in een zak van je colbertje of in een damestas te steken. Met dit kerkboek 'gewapend' konden je in een Gereformeerde kerkdienst geen verrassingen overkomen. Voeg daarbij, dat men zich in de meeste kerken na 1933 ook hield aan de door de synode van Middelburg toen aanbevolen Orde van dienst, en je wist wat je in een Gereformeerde dienst kon verwachten.
Die tijd is geweest ...

Om te beginnen: de nieuwe vertaling kwam, en deze is in onze kerken snel ingeburgerd. Er kwamen ook spoedig kerkboeken met deze vertaling. Maar de N.V. werd aldra door een nieuwe psalmberijming gevolgd. Tot de invoering van deze met gelijktijdige loslating van de 'oude' berijming kwam het niet: om begrijpelijke redenen.
Objectief gezien is de nieuwe berijming niet in àlle gevallen een verbetering. En' aan de oude berijming liggen sterke gevoelsbindingen: hele geslachten hebben in de woorden van die berijming van 1773 hun dank en lof, hun nood en ellende, hun hoop en verwachting, hun heimwee en verlangen naar Gods gemeenschap uitgezongen en van zo'n liedboek neem je niet zó maar afscheid. Maar het gevolg van dat op dubbelspoor rijden was, dat je met twéé berijmingen op zak, dat is met twee kerkboekjes naar de kerk moest des zondags. Maar dat was slechts een begin. Onder .ons kwam de ingebruikneming van de '119 Gezangen', En dat vroeg om kerkboek nummer drie.
En de volgende verandering kwam met de 'invoering' van gewijzigde 'liturgische' formulieren en dat betekent, dat je het met je oude Gereformeerde kerkboek niet ver meer brengt.
Het is zo 's zondags een hele sjouwerij. Een tijd geleden in een andere gemeente prekende ontdekten we onder de vrolijk opgaande stammen een ons bekende vader en moeder met een ouderwets aantal kinderen - dat wèl - die zich aan de nieuwerwetse situatie zeer praktisch hadden aangepast: de hele reutemeteut aan bijbels, psalm- en gezangboeken in één grote tas en voor de dienst vond de uitdeling plaats: ieder kreeg zijn deel, een boekje of drie.
Intussen kwam er een kans om aan de veelheid van kerkboeken te ontsnappen: het Liedboek voor de kerken verscheen. Het omvat naast de Psalmen in nieuwe berijming nog 491 Liederen. Men ziet: keus genoeg. Alleen: géén oplossing voor de veelheid van kerkboeken. Want naast deze psalmen en gezangen bevat dit Liedboek niets. Géén Bijbel. En dus blijft het nodig naast het omvangrijke Liedboek ook nog een kerkbijbel mee te nemen .. En dan missen we nog - en dat is in een kerk, die nog de catechismusprediking houdt, inderdaad een gemis - de catechismus. Om van de andere belijdenisgeschriften maar te zwijgen... En helemaal niets te zeggen van de formulieren voor de kerkelijke handelingen.
Bij dat alles komt dat we ons ten aanzien van de Orde van Dienst in een experimenteel stadium schijnen te bevinden: deze gang van de dienst verschilt van plaats tot plaats en soms binnen een en dezelfde gemeente. Bij onze Chr. Geref. zusterkerken is het niet anders.
De gereleveerde feiten - we onthielden ons van een beoordeling tot hiertoe - tonen duidelijk aan, dat we aan het begin geen woord te veel zeiden: We zitten met ons kerkboek, platweg, in de puree.
En hoe komen we er uit?
Er zullen op kortere of langere termijn wel beslissingen moeten vallen. Want de moeilijkheden zullen eer groter dan kleiner worden.
Wij gebruiken o.a. de '119 Gezangen'. Dat is een bundeltje, dat sinds een aantal jaren in de 'syn.' Geref. kerken in gebruik was. Wàs, want sinds daar het Liedboek in gebruik werd genomen werd dat andere bundeltje buiten gebruik gesteld. En dat betekent: dat bundeltje wordt niet meer gedrukt en is straks niet meer verkrijgbaar.
Hoe komen we er uit?
De vraag omvat de volgende zaken:

1. de Psalmberijming;
2. de Gezangen;
3. de kerkelijke formulieren.


1. DE PSALMBERIJMING

Het zal vroeg of laat wel moeten komen tot een keus tussen de oude en de nieuwe berijming. Dat is niet zo eenvoudig. Ik laat de kwestie van de gehechtheid aan deze oude berijming, waarover ik hierboven reeds schreef, buiten beschouwing. Toen de nu oude berijming in 1773 werd ingevoerd, waren zeer velen aan Ie daaraan voorafgaande, die van Datheen. zo gehecht, dat ze er niet over dachten over te schakelen op wat nu onze berijming is.
Dat deze zo snel de berijming van Datheen verving was te danken aan het feit, dat de Heren in Den Haag en de Heren van het stadhuis in die dagen nog een dikke vinger in de kerkelijke pap hadden: de berijming werd eenvoudig 'van hogerhand' opgelegd en ingevoerd, en de dominees, algemeen voorstanders van de Statenberijming, vonden dat best zo.
Ze waardeerden 'de sterke arm'.
Maar op vele plaatsen bleef Datheen in ere. Men mag zeggen tot op de huidige dag. Het is nog niet zo heel lang geleden, dat men in vele 'Gereformeerde gemeenten' in Zeeland de Datheense berijming nog zong (en zingt), maar ook in de Gereformeerde kerk van Wissenkerke (Noord-Beverland) zong men tot voor enige tientallen jaren nog:

Als een hert gejaagd, 0 Heere
Dat verse water begeert,
Alzoo dorst mijn ziel ook zeere
Naar U mijn God hoog geëerd,
En spreekt bij haar met geklag:
o Heer! wanneer komt die dag,
Dat ik toch bij U zal wezen,
En zien Uw aanschijn geprezen.

Het is onbegrijpelijk, maar er zijn in ons goede vaderland nog plaatsen, waar men deze taal, waar men geen touw aan kan vastknopen, zingt, Maar in de kerk is er veel mogelijk. In de Russische kerk zingt de pope de mis in een taal, die niemand verstaat, en die ieder in vervoering brengt: het oud-slavisch, dat een volstrekt dode taal geworden is ...
We moeten de kwestie van onze gehechtheid aan de in zwang zijnde berijming maar uitschakelen.
Die gehechtheid is trouwens alleen een aangelegenheid van ons ouderen. Laten we hopen, dat de nieuwe berijming aan de komende generatie evenveel vreugde en troost mag geven als de oude dat deed aan ons en ons voorgeslacht.
Maar we zullen de vraag van wat we in de toekomst in de kerk zingen beantwoorden los van subjectieve argumenten als 'dat men aan deze oude berijming zo gewend en gehecht is'. We zullen de zaak moeten beslissen op zakelijke gronden.

a. De taal van de oude berijming is verouderd en aan 't verouderen.
Wij, ouderen, die met deze psalmen zijn opgegroeid, merken dat niet zo, omdat we aan die taal gewend zijn. Maar nou 's eerlijk: wat denkt vandaag 'n kind, als we in de kerk zingen: Hoe vrees'lijk groeit, 0 God, het saamgezworen rot dergenen, die mij drukken (3), zij rotten saam (1, 56, 94, 123); . . . zij passen loos op mijne gangen met monden vol van adderspog (140), een schenddaad kleeft hem aan (35 : 10), Mijn ziel kleeft U standvastig aan (63), Wordt alles billijk aangelegd? (58), Zijn dierb're leer verspreidt een straal van billijkheid (19), .,. en alles aanrukt' om zich met mijn vlees te v6en, stiet zelf dit rot, dat mij benauwt en haat... (27), over God: Albestierend Opperwezen, d'Alzegenaar, d"Algoede? Of: Stouthartigen zijn daar beroofd (76), Wie is stout zijn op hun macht. " (Lofz Maria), 't Verbaasde hemelrond meldt in die nare stond Gods billijkheid en macht (97), Ik trek vol moeds ten erelege 'k vertrouw niet op mijn stalen boge' (44). Wat denkt zo iemand bij Ps. 129: 'Maak hen gelijk aan 't lichtverdorrend gras, dat hier en ginds gezien wordt op de daken, dat eer men 't plukt', alree verwelkerd (!) was, ontbloot van grond om wortels in te maken.'?
En hier stop ik maar; ik zou echter nog bladen vol kunnen schrijven met dergelijke dwaze dingen.
Ik zwijg dan nog over dingen, die de toets ener bijbelse kritiek niet kunnen doorstaan: van die mensen, die - met váste gang nog wel - 'het pad der deugd betreden'. (1). De vele kleren, dat God wordt aangeduid als het 'Opperwezen', het 'Eeuwig Wezen'.

Nog eens: de Psalmberijming
Er is nog iets. Vele psalmen zijn onbekend om de eenvoudige reden"
dat ze nooit gezongen worden, omdat ze onzingbaar zijn, een melodie hebben, die voor de volkszang (en de kerkzang is vólkszang) volkomen ongeschikt is.
En hoe men ook over de 'oude' berijming verder denken moge, één ding staat wel vast: het is, hoe men het ook keert of wendt, met de 'oude' berijming een aflopende zaak.
Het is niet zo moeilijk ook op de nieuwe berijming kritiek te oefenen.
Het is zeker geen volmaakte omdichting, Er zijn psalmen, die slecht zijn overgekomen. Zo Ps. 105. Heeft de onberijmde psalm in vs 29: 'Hij veranderde hun wateren in bloed, en deed hun vissen sterven', de N.B. vertolkt dat aldus 'Water werd bloed, met witte lijven, kwamen de vissen bovendrijven. De kikvors kwaakt' in land en stad, tot waar de koning sliep en at. En weer sprak Mozes en terstond krioelde 't ongedierte rond'. Daar is weinig dichterlijks meer aan, dat is rijmelarij.
Gelukkig is het vervolg veel beter, nauw sluit het zich bij de oude berijming aan, het slotvers is bijna letterlijk uit de oude overgenomen: Wie gunst heeft God zijn volk bewezen ...
Het ontbreekt ook niet aan vreemde wendingen. Zo in Ps. 150, 8: 'Hef, bazuin, Uw gouden stem, harp en. fluit, verheerlijkt Hem! Cither, cimbel, tamboerijn, laat uw maat de maatslag zijn van Gods ongemeten wezen .. .'.

Maar er zijn ook in deze nieuwe 'berijming juwééltjes. Als we nog een opmerking maken mogen: op verscheidene plaatsen hebben de dichters verzen, een aantal klassieken, bijna ongewijzigd uit de oude berijming overgenomen. In Psalm 25, Psalm 86: 4 'Leer mij naar Uw wil te hand'len .. .'. En gelukkig op vele andere plaatsen.
Had men dat maar meer gedaan .

Bepaald jammer vind ik, dat sommige psalmen in deze omdichting zo bekort zijn. Zo Psalm 68 en vooral 119.

Maar over het geheel, bij alle bezwaren, déze omdichting is ongetwijfeld beter dan de oude. En we zullen goed dienen te bedenken dat we nimmer een volkomen psalmberijming zullen krijgen ...

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief