Franciscus' kijk op de dood

1975-05-09
  • Jaargang 19
  • nummer 19
In Franciscus' Zonnelied, of zijn Lied van de Schepping, vond u ook dit couplet:

Lof zij U Heer, om zuster dood;
zij is op aarde sterk en groot,
zij heerst alom, er is geen man
die aan haar macht ontsnappen kan.
Halleluja.

U hebt het gelezen in ons nummer van 14 maart jongstleden. Daarbij kwam de volgende toelichting:

Is het niet wonderlijk: God te prijzen om de natuurlijke dood?
Hier is wijsheid nodig. De dood behoort tot het leven, als de geboorte.
De dood, weliswaar de laatste vijand die vernietigd zal worden, is een schepping van God en oorspronkelijk geen vijand.
Voor de mens geschapen werd lieten de bomen hun stervende bladeren vallen; leefden de zwaluwen van insecten, de kleine vissen van plankton, de haaien van kleine vissen, zelfs de planteneters doodden hun medeschepselen. De dood heerst immers over deze wereld. Het gaat er maar om: wat wij in dit korte leven tussen geboorte en dood hebben gedaan.

Zoals gezegd: hier is wijsheid nodig. En die wijsheid hebben we geen van allen in pacht. De bovenstaande regels vormen enkele schetsmatige gegevens, geput uit Schrift en natuur. Ze vormen zeker het toppunt van wijsheid niet, noch ook het einde daarvan. Dat begreep een lezeres, die - na een strelende inleiding - tot de volgende ontboezeming kwam:

"De dood, weliswaar de laatste vijand die vernietigd zal worden, is een schepping van God en oorspronkelijk geen vijand". Ik heb oorspronkelijk onderstreept. Lees Romeinen 5 vers 12; door de zonde kwam de dood en ging door tot alle mensen. De straf op de zonde werd, was en is de dood, is ons altijd geleerd en staat ook in de Bijbel. De oorsprong van de dood ligt in de zonde: zonde is vijandschap tegen God. God strafte daarom met de dood. Hoe moeten we dat nu rijmen met wat u schrijft?

Jawel. Gaat u maar aan staan. Eén zuster kan soms moeilijker zijn dan duizend broeders. Maar niettemin, aangezien zij "dolgraag beantwoording hiervan in een volgend nummer van Opbouw" zag, gaan wij er welgemoed op in.

Wat is dood? Er is vaak gezegd: afwezigheid van leven. Maar wat is leven? Er is vaak gezegd: stofwisseling, groei, plus voortplanting, plus een onbekend aantal onbekende factoren. Ergo: we weten het niet.
Niet precies. En wat we niet precies weten wordt gewoonlijk voorwerp van eigen interpretatie. Dood is, zegt bijvoorbeeld prof. dr G. A, Lindenboom (Kok's Chr. Enc. II) verlies van individualiteit. Maar weet u het nu? Wat is dan individualiteit?

Primitieve volkeren hebben de dood altijd gezien als hun aartsvijand, die op een onzalig ogenblik in de schepping is doorgedrongen. Ook de kerk heeft de dood niet als een natuurlijk levenseinde beschouwd, een natuurlijk gegeven als de geboorte bijvoorbeeld - maar als een catastrofaal gebeuren in het begin van de geschiedenis.

Tegelijk echter heeft de kerk naast de dood het voortbestaan van de mens na de dood geleerd en beleden. U ziet dat al bij Jozef, die bevel gaf aangaande zijn gebeente; bij Job, die wist dat zijn Verlosser leeft en dat zijn eigen ogen Hem later zouden zien; en vooral in het nieuwe testament.

Er zijn door filosofen en theologen, binnen en buiten de kerk, altijd pogingen ondernomen, om de dood een plaats in ons leven te geven.
Om maar enkele namen door elkaar te noemen: Socinius, Pelagius, de Rationalisten, Schleiermacher, Ritschl, Barth, Brunner, Althaus. Als ik me goed herinner liet ook Schilder ruimte voor een natuurlijke dood, die voor de zondeval aanwezig was. Ook Kuyper zei, volgens de overlevering, zo iets op zijn college. Bij die groep behoorde dus ook Franciscus van Assisi.

De gereformeerde kerken hebben altijd het woord "dood" gezien in het licht van Rom. 5 : 12. Daarin hebben ze ongetwijfeld goed gedaan; alleen moet het woord dood dan eerst goed worden omschreven; Paulus schrijft dat "wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid aantrekt en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoet" de dood is ondergegaan; zie 1 Cor. 15 : 54. Misschien betekent dit, dat de natuurlijke dood straks een einde neemt. Het vreedzaam met elkaar omgaan van wolf en lam wijst ook in die richting. Misschien ook bedoelt Paulus te zeggen, dat de overwinning, welke Christus op de dood behaald heeft, straks ten volle geëffectueerd zal worden.

Maar wanneer Johannes zegt: "wie in Christus gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven" (11 : 25) dan zegt hij in het volgende vers: "wie in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven". In het eerste vers spreekt hij blijkbaar over de biologische dood, ons levenseind. In het volgende vers echter niet, want de Christ-gelovigen zijn sedertdien wél gestorven. Dan spreekt het laatste vers van de geestelijke of eeuwige -0- dood. Dat is iets anders. Ziet u het verschil?

Er is dus dood en dood. H. Bavinck onderscheidde niet minder dan drie soorten dood: eerst de lichamelijke of tijdelijke dood; vervolgens de geestelijke dood, de verbreking van de band met God; tenslotte de eeuwige dood, dat is het definitief worden van de geestelijke dood.
Eigenlijk zouden we het schema van Bavinck dus in tweeën kunnen samenvatten: 1) de biologische dood; 2a) het leven buiten God; 2b) het onherroepelijk worden van 2a.

Nu, Franciscus bezong in het geciteerde couplet de natuurlijke dood.
De geestelijke dood kende hij ook, in het volgende couplet: "zalig wie doet wat Gij gebiedt, de tweede dood verslindt hem niet". Hij zag dus die tweede dood als de eigenlijke straf op de zonde - en achtte de biologische' (lichamelijke, tijdelijke) dood een natuurlijke zaak. Al zullen velen Franciscus hier niet in bijvallen - hem hiervoor te verketteren gaat wel wat ver!

Franciscus kende niet alleen de Schrift maar ook de natuur. In onze belijdenis (art. 2) belijden we, dat wij God langs twee wegen leren kennen: uit de schepping en uit zijn Woord. Theologen hebben misschien wel te veel uren in de studeerkamer doorgebracht en te weinig in de natuur; dat pleit voor hun ijver maar het beperkt hun begrip. Was het niet Galilei (1613) die ontdekte, dat de zon stil staat - en die hiermee in strijd kwam met de kerk, welke Jozua 10 letterlijk verstond? Het heeft de goede man nagenoeg de kop gekost; vandaag lachen wij om het onbegrip van de toen heersende theologie.

Zo kennen we vandaag nog tal van theologen, die vasthouden dat de wereld zo'n zesduizend jaar bestaat, met enkele procenten speling als het moet. Maar de paleontologen stellen tot op een paar duizend jaar nauwkeurig vast, dat planten en dieren reeds miljoenen jaren voor de mens op aarde leefden. En ... op aarde stierven. In ons eigenste land vindt u bruinkoollagen en krijtlagen; gebouwd uit gestorven planten 'en dieren van miljoenen jaren geleden. Wat dan? Moeten de paleontologen dan maar op de brandstapel? Moeten ze hun ontdekkingen in': slikken, om de vege huid te redden? Of willen we ook uit de natuur leren, uit het "schone boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, varenbossen en schaaldiertjes, gelijk zijn als letteren, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven"?

"Men mag de biologische dood", zegt prof. dr L. W. Kuilman in genoemde Chr. Enc., "dus ook niet vereenzelvigen met de dood, die zijn intrede deed als straf op de zonde van het eerste mensenpaar".

Nee, natuurlijk niet. Want zo min als het aardrijk pas doornen en distelen opleverde ná de zondeval; zo min als arbeid pas zweet ging kosten ná de zondeval; zo min kwam de biologische dood op de wereld tengevolge van de zondeval. De doornen en distelen kregen een nieuwe betekenis, een symbolische functie door de zondeval. De barenspijn, het zweet, kregen een nieuwe inhoud na de zondeval. Zo kreeg ook de onvermijdelijke dood een nieuwe betekenis: als beeld van de geestelijke doodt, van het buiten-God-zijn.

Trouwens, als u door het voorgaande wel geschokt maar nog niet overtuigd mocht zijn: wat zou God anders hebben gesproken over leven-en-dood (Gen. 2 : 17) wanneer Adam en Eva de dood niet zouden hebben gekénd? God liet hen niet kiezen uit zijn handen, die Hij op de rug hield! Dan ware heel de vrije keus in het paradijs een klucht geweest - een schande om het te veronderstellen. Het zaaddragende gewas, de boomvruchten die de mens tot voedsel gegeven werden, gingen daarmee immers ook hun dood tegemoet? Alsmede al het zaad dat op rotsen viel of in de zon gedood werd?

Misschien zegt u: het ging hier om planten, niet om dieren. Accoord, maar ook planten hebben leven-en-dood. Tegenwoordig weten we zelfs, dat er schepselen bestaan op de gréns van leven en stof: de virussen. En toen de mens, na de zondeval, zich bekleedde met bladeren ... (Gen. 3 : 7) maakte de Heere God, om de mens te beschutten, kleren van vellen. Ziet u? De mens hield zich aan de toegestane flora; maar God zelf opende het rijk van de fauna. Op dát ogenblik: die dierenvellen ...
waar kwamen die vandaan? Van geslachte, gedode dieren waarschijnlijk; of van gestorven dieren (3 : 21),

Het leven is met geboorte en dood doorweven. In de middeleeuwen zong de kerk hiervan in de hymne Media Vita. Lurher vertaalde dat in oudduits:

Mytten wir yrn Leben synd mit dem Todt umbfangen.
Wen suchen wir der huiffe thu, dass wir gnad erlangen?
Das byst du herr alleyne, uns rewet unser misserhat, die dich Herr erzurnet hat.
Heyliger herre Gott, Heyliger starcker Gott,
Heyliger barmherziger Heyland,
Du ewiger Gott, Las unns nicht versyncken yn des pittern todes nott.
Kyrieleyson.

Hier zag Luther, zagen de kerkvaders, de allerwege loerende lichamelijke dood als symbool van het verzinken in de eeuwige dood. De lichamelijke dood bracht hem niet in doodsangst. Maar het "versyncken" in de tweede dood deed hem bidden: Heer, erbarm U onzer! Net zoals wij in ons oude Avondgebed (achter in ons psalmboek) lezen: "Verlicht de ogen van ons verstand, opdat wij in de dood niet ontslapen, maar altijd verwachten onze verlossing uit deze ellendigheid". Het ging de bidder niet om de kans, dat hij in de slaap zou sterven - maar om de kans, dat hij zou sterven zonder verzoend te zijn door Christus' bloed.
-
Misschien bent u het met bovenstaande regelen niet zo maar eens. Maar misschien wilt u er wel eens over nadenken? Franciscus had een duidelijk beeld gekregen uit de Schrift en de natuur: hij vreesde niet de lichamelijke dood maar erkende die als afsluiting van dit leven. Hij vreesde wel de échte dood, de "tweede dood", het vervreemd raken van de God van hemel en aarde.
We kunnen niet volhouden, dat de zon om de aarde draait. We kunnen niet volhouden, dat de ouderdom van de aarde genoegzaam uit de Bijbel blijkt. We kunnen de taal van ertsen, van fossielen, van aardlagen en bewegende continenten niet tot zwijgen brengen. We kunnen met hulp van de radio-activiteitsmering de leeftijden van oudheidkundige vondsten, van dode planten en dieren, dateren: lange tijdperken voor de zondeval. Al deze wonderen der natuur dragen bij aan onze Godskennis. En zo verstond Franciscus dat blijkbaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief