Open brief
1975-05-09
Beste Henk, - Jaargang 19
- nummer 19
Het kwam de vorige keer zomaar, zonder denken op papier. “Een God die onze vriend is", dus niet "was", maar "is". Straks vertel ik daar nog iets over. Het woord vriend klinkt ook wat vlak en geeft niet voldoende weer wat bedoeld wordt. Vermoedelijk omdat we zo weinig echte vrienden kennen en echte vriendschap kennen.
Beter is het begrip kinderen, maar dan moeten we niet denken aan kleine, onvolwassen kinderen, maar aan het gezin met volwassen kinderen waar vader en moeder mee praten en overleggen, Kinderen die naar vader en moeder luisteren en veel inspraak, ja zelf medezeggenschap hebben, En nu met deze beelden weer terug naar dat Paradijs.
Een harmonieus geheel.
God, "Vader", komt 's avonds tussen licht en donker nog even praten met zijn kinderen, zoals reeds vele avonden is gebeurd. De kinderen zijn niet thuis. Nee, nog erger ... ze zien Vader niet meer als Vader. Ze zijn naar de vijand van Vader overgelopen en die vijand is Satan. Daarvoor zoek ik geen ander woord dan Satan, de vijand van Vader, Vader staat alleen. Zijn kinderen, met wie Hij kon praten en overleggen, zijn weg. Ze willen niet meer praten, ze zijn jaloers geworden op hun Vader.
En dan flitst het door Gods hoofd: Nu kan ik niet meer overleggen en praten over wat ik gemaakt heb. lik kan niet meer vertellen wat ik met de bloemen en dieren van plan was, want mijn kinderen krijgen nu hun informatie van mijn vijand die alles kapot wil maken. Die vijand wil geen kinderen, maar slaven.
Kinderen, waar zijn jullie, wat hebben jullie gedaan?!
Begrijp je wat Je hebt gedaan?
Ik had jullie toch gewaarschuwd!
God, Vader, is alleen, De kinderen zijn bij de vijand in een slavenhuis.
Uit vrije wil hebben zij die keus gemaakt.
Wat moest Vader doen? Zijn kinderen bevelen terug te komen?
Dat kon Hij niet want dat was niet in overeenstemming met zijn Vaderhart. Dan had Hij geen kinderen teruggekregen maar kinderen met een slavenhart.
Nee, het was radicaal kapot. God was zijn vrienden kwijt.
Maar Hij bleef Vader en dan gaat Hij twee dingen zeggen. Tegen zijn kind epen zegt Hij: "Jullie overzien niet wat je hebt gedaan.
lik bind jullie niet vast met een touw, zodat je bij mij in de buurt blijft. Jullie zijn gaan wonen in het slavenhuis, maar Mijn huis staat open. Ik ga jullie terugwinnen.
Jullie moeten leren wat je hebt gedaan.
Tegen Satan zegt Hij: Je denkt dat je hebt gewonnen door mijn kinderen weg te halen, Er komt een kind, zo'n zelfde kind, en die kan je niet weghalen. Je kunt dat kind niet alleen niet weg halen, maar dat kind zal jou overwinnen.
God gaat de mens terugwinnen, God gaat Satan overwinnen.
Het is allemaal wat simplistisch gezegd, maar wat ik tracht over te brengen is hetgeen wij onze Vader" God, hebben aangedaan en ook hoe Hij ons als volwaardige kinderen blijft behandelen.
God wist wat Zijn kinderen hadden gedaan en overzag de gevolgen en die waren en zijn vreselijk. Dat wisten Adam en Eva nog lang niet in volle omvang. Wij kunnen daar veel meer van weten nu we zien wat die knappe mens allemaal kan en doet; wat hij met het aan hem toevertrouwde werk van God doet. We weten langzamerhand echt wel wat we er van hebben gemaakt en behoeven ons zelf echt niet op de borst te slaan.
Toen Ik deze geschiedenis eens aan een groepje jongelui vertelde was het kommentaar: Wat is het dom van God om de mens zo knap te maken! En het moet voor God toch mogelijk zijn om de mensen dom te houden? Dat zijn zo van die vragen die je bij evangelisatiewerk onder jongeren tegen komt. Wel vraag ik me af, of die vraag alleen in die kringen voorkomt, Breedvoerig heb ik toch verteld dat God Zijn kinderen terug wil hebben. God wil in de toekomst 's avonds in de avondkoelte weer met ons praten als vrije kinderen. Satan is dan weg. Die is dan gebonden en God laat zien dat zelfs zijn kinderen of beter, dat mensenvlees sterker is dan Satan.
Wat een fijn evangelie is dat, wat een fijne blijde boodschap, dat we kinderen zijn van onze Vader in de hemel.