Doodsangst

1975-05-16
  • Jaargang 19
  • nummer 20
Dieren kennen geen angst voor de dood; voorzover we kunnen nagaan.
Ze zullen de dood trachten te ontlopen. Maar ze aanvaarden de dood zonder vrees. Een school vissen zwemt "voor zijn leven", als er een roofvis in de buurt komt. Een vlucht duiven scheert in gesloten gelid weg, als er een slechtvalk in het zicht komt. Een konijn zal door een snelle run aan de grijpende vang van de vos zien te ontkomen. Maar zijn ze aan de beurt - dan ondergaan ze "sportief" hun lot; als in het vermoeden, dat dit nu eenmaal in hun leven "ingebouwd" zit.

Ook grote zoogdieren, met hoog ontwikkeld zenuwstelsel, geven geen blijk van doodsangst. Een hert, een ree, een wild varken zullen na een doeltreffend schot - voorzover hun krachten het toelaten - de dekking proberen te halen. Hebben ze die echter bereikt, dan gaan ze rustig liggen en slapen in, alsof het een gewone zaak betreft. Tenzij ze ongelukkig zijn gevallen, leggen ze hun ledematen zelfs in de ruststand voor ze de ogen sluiten.

Ook primitieve volken kennen geen angst voor de dood. Misschien las u wel eens van de trekkende Lappen? Als daar een man of vrouw te oud worden om de reis voort te zetten - door onherbergzaam gebied, door de koude, door voedselschaarste - dan verdwijnen ze rustig uit het leger.
Sommigen leggen zich in de kou te slapen. Ze slapen in en worden niet meer wakker. Men zegt dat het een mooie dood is.

Het moet u wel eens opgevallen zijn, dat ook de aartsvaders in de Bijbel geen angst voor de dood lieten blijken. Adam gewon zonen en dochteren, leefde vele jaren en stierf. Seth werd geboren, gewon zonen en dochteren, leefde vele jaren en hij stierf. Enos werd geboren, gewon zonen en dochteren, leefde vele jaren en hij stierf. Dit refrein kent u uit Genesis 5.

Toen Sara stierf (23 : 2) was het Abraham, die haar beweende en weeklaagde om zijn verlies. Geen woord van de lippen van Sara. En dan Abrahams dood. Hij gaf de geest (terug) en stierf in hoge ouderdom, oud en van het leven verzadigd en hij werd verzameld tot zijn voorgeslacht (25 : 8). Dat staat er zo gewoon; een uitbreiding van de vorige doodsberichten, maar evenmin tragisch.

Rachel! Van haar staat een ander bericht in de Bijbel. Zij stierf jong, bij de geboorte van haar zoontje. "Het leven ontvlood haar - want zij stierf" (35 : 18). En zij was bitter over haar vroegtijdige dood, die ze aan het kind verweet. De vroedvrouw probeerde haar mentaal er door te slepen - maar vergeefs. Ze gaf haar kindje een scheldnaam mee, die door de vader haastig werd gecorrigeerd. En later zegt de Schrift: "Rachel beweende haar kinderen en wilde niet getroost zijn". Hoort u? Ze zei nee tegen het leven en nee tegen de dood. Nee tegen de troost en nee tegen haar nageslacht. Ze wilde niet. En daar hebt u - dat is toch niet toevallig? - het eerste moeiijke sterfbed in de Schrift.

Ook Jozef: "hij stierf, 110 jaar oud, en men balsemde hem" naar Egyptische wijze "en hij werd in een kist gelegd" om te worden getransporteerd naar het beloofde land. (50 : 26). Zo zouden we kunnen doorgaan.
Mozes stierf, als het ware in gesprek met de Heere (Deut. 34 : 5), 120 jaar oud; "zijn oog was niet verduisterd en zijn kracht niet geweken".
Niet Mozes beweende zijn (te) vroege dood - maar de Israëlieten, dertig dagen lang. Ook Jozua, de zoon van Nun, de knecht des Heeren, stierf, 110 jaar oud (24 : 29). Evenals Eleazar, de zoon van Aäron. En zo voort.

David gaf nauwkeurige aanwijzingen aan zijn troonopvolger en "ging te ruste bij zijn vaderen" (1 Kon. 2 : 10). Net als zijn zoon Salomo: "hij ging bij zijn vaderen te ruste" (11 : 43).

In al deze gevallen is de dood het tegenbeeld van de geboorte: een hoekdeel van het leven. Als David of Hizkia of anderen een ziekte te' boven zijn gekomen, aan doodsgevaar zijn ontsnapt, dan zingen gij: "ik ben niet in de (graf)kuil gedaald". En leven verder. Maar is het hun tijd, dan "gaan ze te ruste", "worden verzameld tot hun vaderen", "oud en verzadigd van dagen". Ze ,weten het een zegen des Heeren: "het goede van Jerusalem te zien, al hun levensdagen, en hun kleinkinderen te hebben mogen zien". (Ps. 128).

Er zijn zelfs gevallen in de Bijbel, waar men het goede niét meer zag zitten. Jacob zei tegen Farao: "weinige en moeilijk zijn de dagen der jaren van uw knecht geweest". Mozes sprak van de tachtigers: het eind is moeite en verdriet. Elia klaagde: het is genoeg, neem mij maar weg, ik ben niet beter dan mijn vaderen. Paulus schreef: mijn loop is beëindigd, ik heb het geloof behouden en verwacht wat me voor ná dit leven is weggelegd, Bepaald schoon is het beeld van de dood, dat Elifaz tegen Job gebruikte (5 : 25, 26): "Gij zult ervaren dat uw kroost talrijk is, uw nakomelingschap als het kruid der aarde. In hoge ouderdom zult ge ten grave dalen: zoals een garf op haar tijd wordt binnengehaald".

Maar dan - nog wel binnen de christenheid, die beladen is met Gods beloften! - is daar de doodsangst ontstaan. Juist zij die vertrouwd waren met het Bijbelse beeld van de natuurlijke dood, raakten er voor in paniek. Daar komt in ons kerkboek een wonderlijk gezang voor:

Ach, wanneer mijn oog eens breekt,
't angstig doodzweet van mij leekt,
dat Uw bloed mijn hoop dan wekke
en mijn schuld voor God bedekke.

Hier wordt onze verhouding met God, door Jezus Christus hersteld, volkomen in de waagschaal gelegd, geprojecteerd op, vereenzelvigd met het ogenblik van onze dood. Alsof onze eeuwige zaligheid op dat ene ogenblik nog geregeld zou moeten worden. Alsof wij in ons stervensuur langs afgronden balanceren. Alsof voor ons, die een leven lang van Gods genade hebben geleefd, genadebrood hebben gegeten, nog hoop moest worden gewekt.

Misschien hebt u ook wel eens gehoord (van mensen die het weten kunnen) dat christenen vaak veel moeilijker sterven dan ongelovigen. Ze zien in de dood hun doodsvijand, die hun geloof, hun geborgenheid, hun vertrouwen op God aantast. Er is in vorige eeuwen een geslacht opgestaan, dat na een overlijden curieuselijk informeerde: heb je nog een laatste woordje mogen horen? Indien niet - dan volgde een mismoedig hoofdschudden. En wee de man, die door een ongeluk, een beroerte, een hartaanval, onvoorbereid uit het leven in de dood overstapte. De katholieken zeggen: in staat van zonde; in tegenstelling tot: voorzien van de genademiddelen. De spreuk wordt geciteerd: zoals de boom valt blijft' hij liggen; en dan in de betekenis. als zouden 's mans woorden, gedachten en daden op het ogenblik van zijn overlijden beslissend zijn voor de eeuwigheid.

Een arts in mijn omgeving werd nog al eens 's nachts bij een patiënt geroepen.
De patiënt lag dan wakker, dacht aan zijn dood en raakte in paniek. Toen de arts vaak genpeg voor dit loos alarm uit bed was geroepen adviseerde de doktersvrouw: zeg je patiënt, dat hij bij de volgende paniek de predikant moet laten komen; die heeft hem de doodsangst op het lijf gejaagd.

Misschien wat aanvechtbaar gezegd. Toch om even over na te denken.
Want juist door de theologische opvattingen, als zou de dood (en dan de biologische dood) "het loon der zonde zijn" zien vele gelovigen, goedgelovigen, tegen deze "afrekening" op. Indien hun theorie juist zou zijn - dat de lichamelijke dood het loon der zonde is - waar blijft dan eigenlijk ruimte voor een laatste oordeel? Ook daar wisten theologen raad mee: dat is dan de openbaarmaking van het reeds gevelde vonnis.
Jawel. Tweede vraag: waar blijft Jezus' volkomen verzoening voor al onze zonden? Die wordt bij de doodsangst wel wat vergeten, vindt u niet? Derde vraag: waar blijft onze polis, ons rusten in Gods beloften voor de schone toekomst, de doorgang tot het eigenlijke leven? Op deze vraag weet ook u het antwoord waarschijnlijk niet.

Franciscus van Assisi had met die doodsangst geen moeite. Die wist, dat "zuster dood" tot Gods schepping behoorde en hij prees God daarvoor.
Hij wist ook, dat er iets bestaat dat gevaarlijker is dan de lichamelijke dood: de vervreemding van God, het verwerpen van zijn genade! Dáár was hij vuurbang voor. Hij wist ook, dat wie in Christus gelooft "niet meer sterft in eeuwigheid" - al zou ook zijn "kruik aan de springader gebroken worden".

We zullen dus voor ons leven zorgen, natuurlijk. Dat leven is ons als een kostbare gave uit Gods hand toevertrouwd. Wij kunnen wel een leven vernielen - maar geen leven scheppen. We zullen ook voor elkaars leven en gezondheid waken, natuurlijk. We staan voor elkaar in; voor elkaar aansprakelijk.

We hebben onszelf dan ook beperkingen van matigheid op te leggen: beperkingen van eten en drinken, van roken en ander genot; streven naar veilige snelheid en doelmatige kleding; naar voldoende rust en verstandige ontspanning; naar een werkprogram, dat gezond volgeboekt is zonder overladen te worden. We zullen medicijnen en geneesmethoden gebruiken, wanneer onze gezondheid ons in de steek laat. Want we moeten met dit kostbare leven rondkomen, willen we niet voor niets leven.
Maar is het eenmaal Gods tijd, op welke datum ook, dan kunnen we ons rustig overgeven aan Hem: aan zijn schepping "zuster dood".

Dat klopt niet allemaal met de vrij algemene opvatting, dat onze lichamelijke dood het loon op onze zonde zou zijn ... of een "overblijfsel" daarvan. Maar het klopt wel allemaal met Gods Woord, dacht ik. En met de les uit Gods schepping.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief