Het boek Daniël
1975-05-16
Goddelijk machtsvertoon - Jaargang 19
- nummer 20
Al heel gauw moet Nebukadnezar komen tot de erkenning, dat er wél een God is, die uit zijn hand kan bevrijden. Door één van de openingen onder in de oven aangebracht kijkt hij toe hoe de veroordeelden zullen omkomen. Maar plotseling springt hij ontsteld op.
Wat hij ziet doet hem twijfelen aan zijn eigen waarneming. Dit kán toch niet? Er zijn toch echt slechts drie mannen in de oven geworpen, geboeid en wel? De raadsheren kunnen dat slechts bevestigen.
Hoe kunnen er dan nu vier mannen ongebonden rondwandelen?
Dat er een macht is, die zó het vuur beheerst, dat wel de banden verteert, maar verder geen letsel veroorzaakt en zelfs de kleren niet schroeit, dat is al te wonderlijk!
En dat hier een goddelijke macht werkt valt niet te loochenen; de aanwezigheid van de vierde man spreekt duidelijke taal. God heeft Zijn woord bevestigd: De engel des HEREN legert zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen (Ps.
34 : 8). Hij heeft vervult Zijn belofte: Als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden (Jes. 43 : 2).
Deze belofte is geen garantie, dat God altijd de Zijnen op zo'n wonderbare wijze zal redden. De drie mannen hebben er mee gerekend, dat ze in het vuur zouden kunnen omkomen. En Jezus heeft gezegd dat mensen inderdaad het lichaam kunnen doden van zijn discipelen.
Maar de HERE heeft wel getoond, dat Zijn macht in staat is te verlossen.
Als Hij zo kan redden uit het vuur, kan Hij ook redden uit de dood. Zoals Hij deze drie bewaard heeft in de oven, heeft Hij Zijn Zoon bewaard in het graf en zo zal Hij bewaren allen die waarlijk hun vertrouwen op Hem hebben gesteld.
Ook zonder engel had Hij kunnen verlossen. Maar Hij heeft Zijn bode' gezonden om te bewijzen, dat voor wie gelooft de hemelse machten gereed staan. En daarin is een profetie van de volkomen redding die de Engel des verbonds eenmaal zal brengen.
Gedwongen erkenning
De koning is door zijn eigen woorden gevangen. Zijn uitspraak dat geen god kan redden uit zijn hand is door de feiten weersproken. Nu moet Nebukadnezar erkennen dat de God van Sadrach, Mesach en Abednego anders is, groter, machtiger, dan al de goden die in Babel werden vereerd. Geen andere god is er, die zó verlossen kan! En deze God mag niet oneerbiedig behandeld worden; dat is een koninklijk bevel, dat weer met menselijke bedreigingen moet worden bekrachtigd.
Bewijs van ware Godsvrucht is dit alles allerminst. Het wonder wekt wel ontzag, maar het werkt geen bekering. Zelfs de wonderen die later door de Zoon van God zijn verricht hebben bij velen wel bewondering en verwondering opgewekt zonder dat van echte erkenning sprake was. En eens zal de tijd komen dat iedereen tot gedwongen erkenning zal worden gebracht, als er geen vrijwillige toewijding voordien is geweest.
Maar dan is het te laat. Gedwongen erkenning kan niet redden; slechts hartelijke vreugde in de dienst van God brengt eeuwig behoud.
DANIEL 4
Verstoorde rust
Het 4e vers: "Ik, Nebukadnezar, bevond mij rustig in mijn huis en in goede welstand in mijn paleis", tekent de situatie. Het onderscheid met hoofdstuk 2 is duidelijk. Nebukadnezars droom over het beeld had aansluiting aan de gedachten van de koning betreffende de toekomst.
De vraag of het nog jonge Nieuw-Babylonische rijk stand zou kunnen houden en werkelijk een gouden eeuw zou inluiden was toen nog allerminst met zekerheid te beantwoorden.
Inmiddels is een aantal jaren verstreken en de veiligheid van het rijk lijkt nu alleszins gewaarborgd.
Met trots en zelfgenoegzaamheid kan Babels vorst terugzien op hetgeen hij heeft tot stand gebracht Want al wordt het niet met zoveel woorden gezegd als bij de eerste droom, het is toch wel voor de hand liggend dat ook deze tweede droom aansluiting heeft bij wat leefde in des konings geest.
De beeldspraak waarbij een mens wordt vergeleken bij een boom is niet onbekend. Wie door rampspoed wordt getroffen is als een kale struik in de steppe, in dorre oorden in de woestijn, maar wie voorspoedig is kan worden voorgesteld als een boom aan het water geplant, met wortels reikend tot een stroom, die zelfs in een jaar van droogte geen zorg heeft.
En wie is de mens, die meer voorspoed heeft gehad dan deze heerser over vele volken? De beschrijving liegt er niet om: Er stond een boom midden op de aarde, van grote hoogte; die boom was groot en sterk, zijn hoogte reikte tot aan de hemel, en hij was te men tot aan het einde der aarde; zijn loof was schoon en zijn vrucht zo overvloedig, dat hij voedsel bood voor allen; onder hem zocht het gedierte des velds schaduwen in zijn takken nestelde het gevogelte des hemels, en al wat leeft werd door hem gevoed. (Vs 10-12).
Hier ziet u het zelfportret van iemand behorend tot degenen van wie de Koning van het Godsrijk heeft gezegd: "De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd" (Luc. 22: 25). Of ook, naar veel nieuwe. vertalingen: "Zij laten zich weldoeners noemen", Alle onderworpen volken moeten toch maar erg blij en dankbaar zijn, dat zo'n weldoener hun vrijheid heeft weggenomen en ze uit hun eigen land heeft gedeporteerd om ze mee te laten genieten van de zegeningen van zijn welvaartsstaat.
Is het een ramp voor de mensen als ze gebracht worden waarheen ze niet willen? In de gedachtengang van de wereldse weldoeners niet!
De mensen zijn als dieren, die zelf de weldadige schaduw onder de breed zich uitstrekkende takken hebben gezocht; als vogels, die blij waren dat ze zo'n prachtige plaats voor hun nesten hebben kunnen vinden. Ja, een despoot, die onzegbaar veel leed over ontelbaren heeft gebracht kan zich echt behagelijk voelen, als hij overdenkt wat hij heeft gedaan, terwijl hij rustig zit in zijn huis en in goede welstand in zijn paleis. Een onrustig geweten komt er niet aan te pas.
Machthebbers die heersen en zier.
weldoeners laten noemen! Wordt het alleen bij machthebbers gevonden of heeft misschien ieder mens toch wel iets van zo’n rooskleurige kijk op zijn eigen daden? Een rustig geweten bij slechte daden is heus geen uitzondering. De bedoelingen zijn immers goed en .de gevolgen mogen gezien worden, vooral wanneer zij bekeken worden door een bril van eigen maaksel.
Een zegen is het, als zo'n soort rust wordt verstoord ook al wordt die verstoring niet altijd als zegen aanvaard.
Evenals de vorige keer gaat de droom ook nu een eigen weg; liever gezegd: Gods weg.
Dat deze prachtig zich verheffende boom wordt omgekapt komt niet uit 's konings eigen denken voort. Een wachter, een heilige, een verschijning uit de godenwereld, uit Gods wereld, brengt een bevel, waartegen ook de grootste aardse machthebber niets kan inbrengen.
Want het bevel berust op het besluit der wachters en de zaak op het woord der heiligen, of naar de verklaring van Daniël, op het bevel van Je Allerhoogste.
De rust is grondig verstoord en moet wijken voor schrik en ontsteltenis.
Dat er met hem iets ontstellends zal gaan gebeuren en dat de situatie niet zo onverstoorbaar is, heeft Nebukadnezar stellig wel begrepen. Maar wát er nu precies gebeuren zal is nog onduidelijk. En de onrust zal zeker niet verminderd zijn als de koning merkt dat ook nu weer al zijn raadgevers, hoeveel het er ook zijn en wat voor pretentievolle namen ze ook mogen dragen, weer hun onwetendheid moeten erkennen. Ook nu moet er weer een beroep worden gedaan op dié man, van wie bekend is dat hij een andere God dient, dan die welke in Babels !pantheon een plaats hebben gekregen.
De onwil om deze God te erkennen spreekt wel uit de wijze waarop Nebukadnezar deze droomuitlegger aandient: "Daniël, naar de naam van mijn god Beltsazar genoemd, in wie de geest der heilige goden woont", maar toch moet worden toegegeven, dat déze man, en dus de God van deze man, de enige is die in de verontrusting een zinnig woord kan spreken.