GELIJK OOK WIJ VERGEVEN

1975-05-30
  • Jaargang 19
  • nummer 22
Toen, bij de aangekondigde komst van Alva, Prins Willem en zijn aanhang uit Antwerpen naar Keulen uitweek, bevond zich in zijn naaste omgeving een oud regent van Antwerpen, Jan Rubens, persoonlijk raadsheer van 's Prinsen gemalin Anna van Saksen.

Voorjaar 1571 werden Jan Rubens en de prinses gevangen gezet wegens overspel. Volgens de Hessisch-Nassause wet zou Jan Rubens moeten hangen. De prinses heeft tot een jaar voor haar dood gevangen gezeten en is krankzinnig gestorven. Jan Rubens heeft twee jaar tussen leven en dood gezweefd, maar kreeg gratie. Werd ontslagen uit de kerker van de Dillenburg.

In het koninklijk huisarchief worden twee brieven bewaard, die de echtgenote van Jan Rubens schreef. We hebben ze voor u in modern leesbaar Nederlands overgezet en menen u hier een dienst mee te doen.

Lieve en zeer beminde man,

ik heb uw brief ontvangen de eerste april en begrijp, dat u zeer verlangt naar enig bericht van mij, wat ik wel gedacht had. Daarom heb ik dezelfde dag (28 maart) dat uw brief geschreven werd u een lange brief gestuurd, door middel van een zekere bode die met Reymont daar heen ging; u zult die naar ik hoop hebben ontvangen en u zult meteen wat betreft de vergeving, die ge me vroeg, tevreden en gerust zijn. Die vergeving schenk ik nog eens en zo vaak ge het mij zult vragen - maar op voorwaarde, dat ge me zult liefhebben zoals ge gewoon zijt en ik vraag geen andere genoegdoening van u, dan dat ik die liefde opnieuw krijgwant als ik die maar heb zal de rest ook wel (goed) komen.

Zo was ik ook erg blij, dat ik enig bericht van u kreeg, want zo ver van elkaar gescheiden te zijn geeft mijn hart voortdurende onrust en gedurig verlangen.

Ik had een smeekschrift (voor de Heren van Nassau) opgesteld, dat ik wel wilde dat Reymont meteen daar zou hebben ingediend. Maar hij was van mening, dat het beter was te wachten op de bode of enig bericht.
Maar nu wij enig bericht hebben gekregen en horen, dat uw zaak nog niets gevorderd is, zal ik hem verzoeken dat (request) zonder uitstel namens mij aan te bieden - ik hoop dat hij het zal doen.

De Heere moge geven dat het de uitwerking heeft, die ik zo begeer.
Maar helaas is er geen omhaal en geleerdheid in verwerkt; ik heb alleen zo goed als ik kon mijn begeerte uitgedrukt. Want ik heb geen mens ter wereld van uw omstandigheden gesproken, ook onze vriend niet, omdat wij dat immers geheim zouden houden. Daarom heb ik ook van niemand hulp gevraagd maar heb me gered zo goed ik kon. Wat ik gezegd heb zal wel genoeg zijn, wanneer God ons genadig is en de Heren (van Nassau) barmhartig tegenover ons wil maken, wat wij Hem moeten bidden en hopen dat Hij doen zal. De kinderen bidden dagelijks twee of drie maal voor u, dat de Heere u spoedig weer bij ons wil brengen. Ik hoop dat hun en onze gebeden samen verhoord zullen worden.

Dan - wat ge schrijft over uw afwezigheid te verontschuldigen, dat is al te laat. Want het is niet alleen hier maar ook in Antwerpen en overal voldoende bekend waar ge u bevindt. Maar het waarom weten ze niet en ieder gist er naar. En wij antwoorden, wat met Reymont afgesproken is om te zeggen en tonen goede moed met te vertellen dat ge spoedig weer thuis zult zijn, waarmee de ergste onrust bezworen is.

Ook heb ik zo voorzichtig mogelijk aanonze ouders geschreven, die al dadelijk, evenals alle vrienden, door berichten van anderen vreselijk verdrietig waren geworden en nog niet gerust zullen zijn eer zij bericht ontvangen, dat ge weer thuis zijt.

Ge zegt ook in uw brief, dat ik geen verdriet of verslagenheid moet laten merken, wat me niet goed mogelijk is want ik ben daar geen ogenblik vrij van. Het is, zegt men, erg moeilijk om blij te schijnen als het hart droevig is. Toch doe ik daar mijn best voor, maar ik ga het huis niet uit en zo ziet men me niet veel. Eli die mij komen opzoeken verklaar ik mijn verdriet door het op de schrik te schuiven en op alle kletspraat, die over u hier rondging -dat ik dáár zo'n verdriet van heb.

Ge zegt ook, dat ik het tot elke prijs geheim moet houden; daar hoeft ge niet bezorgd voor te zijn. Ik houd het wel stil en houd dat wel vol - zolang het u welgaat. Maar ging het verkeerd met u - wat God verhoede - dan zou ik het niet kunnen verzwijgen. Want anders zou men menen dat het om verraad gaat, zoals men te Fridenborch beweert dat ge daarvoor gevangen zit - en dat zou nog veel meer schande voor u betekenen, ook voor mij en de kinderen, dan dit. Want - het is erg genoeg - de wereld is zo slecht, al is de zonde even groot, dat men het voor een man geen schande rekent (wat ge gedaan hebt). Maar dat ik het nu, of als alles goed gaat en ge weer thuis waart, ooit iemand ter wereld zeggen zou - daar zal ik mij wel voor wachten, daar kunt ge zeker van zijn.

Voorts wat ge schrijft, dat ik aan Hare Genade (prinses Anna van Saksen, de ontrouwe echtgenote van Willem van Oranje) moet vragen of ik het huis (en Keulen) mag verlaten - dat kan ik nu niet doen. Want Jaques Charlier, die mij uw brief bracht, heeft mij een instructie van Hare Genade voorgelezen, waarin H.G. mij zegt hier te blijven tot ge vrij en weer thuis zijt, hetgeen graaf Johan (van Nassau) haar beloofd en
toegezegd heeft dat binnen 14 dagen zal zijn. En die instructie was geschreven vrijdag de 30e maart. Daarom zal ik inzake onze woning niets ondernemen voor ge thuis zijt, hetgeen ik hoop dat door Gods genade en de grote goedheid der (beide) Heren gebeuren zal, zoals hare Vorstelijke Genade daar schrijft.

En dan vraag ik u vriendelijk u te troosten in de Heere, zoals ik ook doe en Hem de zaak voor te leggen. Ik vertrouw vast op Hem dat Hij mij niet zo zwaar zal straffen, dat wij op zo vreselijke wijze uit elkaar zouden moeten gaan. Het zou een te zware beproeving zijn om te overleven.
Ik ben zo ziek van verdriet, dat ik vrees dat dit kruis te zwaar zou zijn en bid daarom God de Heere dat Hij het mij afneme.

Aan Wie ik u hiermee beveel; en de kinderen en ik bevelen ons aan in uw liefde.

Uw getrouwe vrouw
Marie Ruebbens

Keulen, de eerste april 1571

Lieve en zeer beminde man,

nadat ik de bijgesloten, brief geschreven had is de bode, die wij gestuurd hadden, gekomen en bracht mij een brief van u, die mij verheugt omdat ik zie dat ge blij bent met mijn vergeving.

Ik dacht niet dat ge daar zo zwaar aan zoudt tillen, wat ik ook niet gedaan heb. Hoe zou ik zo hard kunnen geweest zijn, dat ik uw grote beproeving en angst nog zou verzwaren - terwijl ik u graag met mijn bloed zou uithelpen als dat kon. En al was dat niet zo, zou dan na zo'n langdurige vriendschap reeds nu zo grote haat zijn gekomen, dat ik een kleine misslag tegen mij niet zou kunnen vergeven, vergeleken bij zo vele grote zonden waar ik dagelijks mijn hemelse Vader vergeving voor moet vragen - en dan op voorwaarde: gelijk ik vergeef die mij schuldig zijn?! Het zou net zijn als bij de kwade rentmeester, aan wie zo grote schulden door zijn meester waren kwijtgescholden en die zijn broeder om een klein bedrag tot de laatste penning lastig viel.

Ge kunt er rustig op zijn - alles is vergeven. God gave dat uw invrijheidstelling daar aan vast zat.



Het gebed van de "trouwe huisvrouw" is door de Heere verhoord. Na twee jaar is Jan Rubens vrijgelaten. De familie mocht zich vestigen in Siegen. Daar is hun liefde bekroond door de geboorte, in 1577, van hun zoon Peter Paul Rubens, die later de grootmeester van de Vlaamse schilder-barok zou worden. De graven van Nassau hebben misschien een schandaal willen vermijden - maar zeker zijn ze getroffen door de
vergevensgezindheid van deze zeer christelijke huisvrouw.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief