Het boek Daniël
1975-05-30
De hoge vernederd- Jaargang 19
- nummer 22
Nog terwijl Nebukadnezar spreekt over de sterkte van zijn macht en de eer van zijn majesteit of aan hem wordt het vonnis voltrokken.
De droom heeft de grootheid van de koning uitvoerig getoond: een boom midden op de aarde, van grote hoogte; die boom was groot en sterk, zijn hoogte reikte tot aan de hemel, en hij was te zien tot aan het einde der gehele aarde; zijn loof was schoon en zijn vrucht zo overvloedig, dat hij voedsel bood voor allen; onder hem zocht het gedierte des velds schaduwen in zijn takken nestelde het gevogelte des hemels en al wat leeft werd door hem gevoed. De beschrijving van de diepte waartoe de koning wordt neergestoten doet nog overweldigender aan dan de aankondiging; hij werd uit de gemeenschap der mensen verstoten en at gras als de runderen, en door de dauw des hemels werd zijn lichaam bevochtigd, totdat zijn haar lang werd als de veren der arenden en zijn nagels als die der vogels.
Een schriller tegenstelling laat zich nauwelijks denken. En nog dieper relief krijgt dit alles tegen de achtergrond van hoofdstuk twee, waarin als uitleg van de eerste droom gezegd is: Gij, 0 koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels het koningschap, macht sterkte en eer geschonken heeft, ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die hij tot heerser over die alle heeft gemaakt - gij zijt dat gouden hoofd.
In Nebukadnezar heeft Babel, dat is de menselijke machtsontplooiing en zelfverheffing gestalte gekregen.
Zo is de mens geworden die als God wil zijn. Maar alle mensenhoogheid en heel de geweldige machtsconcentratie kan de vernedering niet afwenden. Nebukadnezar was van tevoren uitvoerig ingelicht.
Maar welke maatregelen tot afweer van het onheil hij, ook zou hebben getroffen, tegen het ingrijpen van God zelf blijkt hij volkomen machteloos. Ja, hoe hoger de mens klimt, des te dieper is zijn' val; hoe sterker hij zich maakt, hoe duidelijker zijn zwakheid aan het licht komt.
Is er wel iets waar zekerder de ondergang op volgt dan de zelfverheffing.
Heel de bijbel staat vol met waarschuwingen en bedreigingen tegen ieder die zich groot maakt. "Uw trotse macht zal ik breken" lezen we in Lev. 26: 19.
En hoe veel maal wordt in het boek van de Spreuken niet de wijsheid Gods gesteld tegen de dwaasheid van de mens: Hovaardij gaat vooraf aan het verderf, en hoogmoed komt v66r de val (Spr. 16 : 18). De profeten spreken niet anders: "Dan wordt de mens verlaagd en de man wordt vernederd, ook worden de ogen der hoogmoedigen vernederd" (Jes. 5 : 15). Het onderwijs van onze Heiland is er vol van: "Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen zal verhoogd worden (Matth. 23 : 12).
En ook de apostelen spreken niet anders: "Omgord u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade" (1 Petr. 5 : 5).
Het is niet te verwonderen, dat in het boek Daniël, waarin de tegenstelling tussen mensenmacht en Godsregering op allerlei wijze tot uitdrukking wordt gebracht, dit hoofdstuk moet voorkomen.
Het is een troost, voor allen die bij de HERE schuilen en van Hem alle goeds verwachten, maar tevens een blijvende waarschuwing voor allen. Want niet slechts Babel kent de hoogmoed; dat Israël in Babel gevangen werd gehouden is toch ook het oordeel over de zelfverheffing van koning en volk.
Gods koninkrijk is gekomen door Hem, die zichzelf vernederd heeft, tot de dood, ja, tot de dood van het kruis, en die daarom uitermate is verhoogd. En beloften zijn er voor hen, bij wie die gezindheid is, die ook in Christus Jezus was (Fil. 2 : 5-11).