Christus in het midden
2005-04-22
De laatste jaren wordt ook in onze kring het werk van de Heilige Geest herontdekt. Méér van de Geest betekent niet: minder van het Woord.- Jaargang 49
- nummer 8
Zoals ik in het vorige artikel betoogde gaan ze samen op. De Geest opent onze ogen voor wat werkelijk centraal is in het Woord van God. Hij brengt ons bij het Levende Woord: de Heer Jezus zelf. De Geest wil altijd Jezus centraal stellen. Ons hele geloof cirkelt om Hem, in Wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn.
Tegelijk moeten we steeds beseffen, dat ook de Heilige Geest zelf God is, de Derde Persoon van de Drie-eenheid, ‘die te zamen met de Vader en de Zoon wordt aangebeden en verheerlijkt’ (Nicenum). Het werk van de Geest is anders, maar niet minder belangrijk in onze verlossing, als het werk van de Vader of de Zoon. De verhouding van Jezus en de Geest is voor ons op twee manieren van belang. Jezus is de drager van de Geest en Jezus is de zender van de Geest.
Jezus als drager van de Geest
In zijn vernedering (kenosis) is Hij helemaal op het werk van de inwonende Geest aangewezen. Bij zijn doop door Johannes wordt Hij toegerust met de volheid van de Geest die Hij bij zijn werk nodig zal hebben. Daar ontvangt Hij ook de bevestiging van zijn identiteit als zoon van de Vader. Wat er toen gebeurde is ook voorbeeldig voor wat er met ons gebeurt. Om met het laatste te beginnen: het is nog steeds het werk van de Geest ons ervan te verzekeren dat Gods gunst op ons rust, dat we geliefde kinderen van de Vader zijn (Galaten 4:6). De mate van onze effectiviteit voor God hangt af van de mate waarin we ons geliefd weten door Hem (James Packer).
Aangeraakt door de Geest en met de bevestiging van de Vader kan Jezus gaan optreden in de kracht van de Geest. ‘De Geest des Heren is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft…’ De werken die Jezus als mens deed, kon Hij alleen doen, omdat de Geest Hem toerustte met de gaven (ook al worden ze niet zo benoemd in de evangeliën). De geestesgaven, zoals Paulus ze onder andere opnoemt in 1 Corinthe 12, zijn haast zonder uitzondering terug te vinden bij Jezus. Denk maar aan de gave van wijsheid, waarmee Jezus zijn tegenstanders keer op keer aftroeft (rond de overspelige vrouw, bij de vraag naar het betalen van belasting, etc.). Of denk aan de gave van profetie waarmee Hij de Samaritaanse vrouw vertelt wat haar verleden is, of Zacheüs’ naam weet zonder hem ooit ontmoet te hebben.
Het kan een boeiende oefening zijn om het evangelie eens onder dat gezichtspunt te lezen, en dan op te merken hoeveel van de zogenaamde ‘gaven van de Geest’ je kunt identificeren.
Koud kunstje
We denken misschien dat het optreden met macht en gezag voor Jezus een koud kunstje was: Hij is immers God? Maar de Bijbel geeft aan dat Jezus in zijn menswording het aan God gelijk zijn niet heeft vastgehouden, maar er afstand van heeft gedaan (Filippenzen 2:6v). Natuurlijk ontken ik daarmee niet dat Hij waarachtig God en waarachtig mens was en is. Maar de goddelijke eigenschappen zoals almacht, alwetendheid, alomtegenwoordigheid en dergelijke waren tijdens zijn leven op aarde niet tot zijn beschikking. Hij is zijn broeders in alles gelijk geworden (Hebreeën 2:17). Hij moest net als wij dingen leren en daarom lezen we van Hem: ‘Hij nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen’ (Lukas 2:52). Zijn wonderbaarlijke kracht en zijn gezag ontleende Hij als mens aan het feit, dat Hij voortdurend in verbinding was met de Vader (Johannes 5:19) en een open kanaal was voor het werk van de Geest. In zijn mens-zijn was Hij de drager van ‘de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren’ (Jesaja 11:2).
Gehoorzaamheid
De Geest leidde Hem op de weg van gehoorzaamheid, waarbij Jezus moest leren dat die gepaard ging met lijden (Hebreeën 5:8). Zijn actieve gehoorzaamheid kwam uit in zijn beschikbaarheid om de werken te doen die de Vader Hem liet zien. Hieronder vallen de genezingen en de bevrijding van demonen, die haast 40 procent van de verhalende tekst van de evangeliën innemen. Jezus passieve gehoorzaamheid kwam uit in zijn aanvaarding van het lijden voor de verzoening van de wereld.
Navolging van Hem kan alleen op basis van zijn volbrachte werk. Hij is gekomen om mensen terug te brengen in een levende relatie met God. We hebben vrede met God door het bloed van zijn kruis (Kolossenzen 1:20). Maar dan kan navolging ook echt bestaan.
Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten om in zijn voetstappen te treden (1 Petrus 2:21). Hij is niet alleen Verlosser maar ook Heer.
Jezus als zender van de Geest
Maar ook dan blijven we aangewezen op zijn genade en kracht die ons vanuit de hemel toestroomt. Het is niet zo dat we, eenmaal verzoend met God, wel op eigen kracht verder kunnen.
Ook voor de bekrachtiging tot een nieuw leven zijn we volstrekt van Hem afhankelijk. Op beide dingen wijst Johannes de doper: ‘Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt… deze is het die met de Heilige Geest doopt’ (Johannes1:29 en 33). In zijn vernedering was Jezus de drager van de Geest. In Hem werd zichtbaar hoe een mensenleven geheel door de Geest van God kan zijn bezield. In zijn verhoging is Jezus degene die de Geest geeft, om zo zijn eigen leven in ons te vermenigvuldigen. Als christenen hebben we ‘deel aan zijn zalving’ (Heidelbergse .Catechismus Zondag12).
We delen in zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt. Hij heeft ons voorgedaan wat het betekent, om woorden met gezag te spreken, om vergeving van zonden te bedienen, om te heersen over de schepping in overeenstemming met Gods oorspronkelijke bedoeling.
Overgezet
Jezus komt tot zijn discipelen, en ook tot ons, in de Geest. Hij is niet absent na zijn hemelvaart. ‘Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Ik kom tot jullie’ (Johannes 14:18). We zijn door de Geest verbonden met Zijn leven, zoals een rank verbonden is met de wijnstok en alleen zo vruchten voortbrengt. Het grote geheim van het christelijke geloof bestaat hierin, dat we niet meer zelf leven maar Hij in ons. ‘Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven’ (Galaten 2:20). Als de Geest ons te pakken neemt, dan worden we overgezet in een heel nieuwe bestaanswerkelijkheid. Het oude is voorbij en het nieuwe is gekomen. We leren naar onszelf kijken als een nieuwe schepping. De krachten van de toekomende eeuw zijn in ons aan het werk.
We mogen met Hem en in zijn Naam strijden tegen alle machten die het leven hier kapot maken. En daarvoor ontvangen we ook van Hem gezag en macht, om het Koninkrijk te brengen in zijn Naam.
Onzinnige vraag
Ons leven speelt zich letterlijk af in Hem en Hij is in ons. ‘Christus onder (= in) u, de hoop der heerlijkheid’ (Kolossenzen 1:27). En waar de Gever is, daar zijn ook de gaven. Het is in dat licht een onzinnige vraag, of wij het wel zonder de gaven kunnen stellen in de gemeente. Als Hij zelf in de gemeente aan het werk is, dan komt Hij met al zijn rijkdom naar ons toe.
De vraag is alleen of wij bereid zijn uit te pakken wat Hij ons aan cadeaus geeft. Cadeaus trouwens, die niet gegeven worden voor onze luxe, maar als zeer noodzakelijke gereedschappen om zijn werk te kunnen doen. Een gemeente waar de geestesgaven niet gekend en geoefend worden zal minder effectief zijn in het bereiken van de wereld met het evangelie en met het zichtbaar maken van de realiteit van het Koninkrijk in haar midden. Een van de redenen waarom dit onderwerp weer op de agenda moet komen, is de grote onkunde op dit gebied. Precies dat is gebeurd, waar Paulus de Korintiërs al voor waarschuwde: Ik wil niet dat jullie onkundig zijn over de dingen van de Geest (1 Korinthe 12:1).