PSALM 3
1975-05-23
Saamhorigheid - Jaargang 19
- nummer 21
Psalmen worden geboren, niet gemaakt. Dat lijkt aanvechtbaar, want Psalm 3 is uit de nood geboren, toen David vluchtte voor zijn zoon Absalom - maar over Absalom geen woord; noch in Ps. 3 noch in Ps. 4. Sommige uitleggers menen dan ook, dat het opschrift van deze psalm onmogelijk juist kan zijn. Het ware immers onbegrijpelijk dat elk spoor van vaderlijk verdriet over zijn rebellerende zoon volledig ontbreekt?
Uit zo'n benadering blijkt echter hoe weinig het is doorgedrongen, dat "individuele psalmen" in feite niet bestaan. Andersom gezegd: heel de bijbel is doordrenkt van het begrip saamhorigheid, gemeenschap, samenleving. Voor individualisme is geen plaatsvoor collectivisme evenmin. De ene mens, de eenling, komt pas tot zijn recht in de samenhang met de anderen, met het geheel.
De gelovige Israëliet weet zich een met Gods volk (Ex. 15 : 1; Ps. 91 : 2; vgl. Richt. 5 : 1 en 3).
Datzelfde motief speelt ook in 1 Cor. 12: ... het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig. Het ontbreken van dit uitzicht zal altijd weer die samenleving opbreken -letterlijk en figuurlijk, Wat zoveel uitleggers niet in rekening brengen, is dat Davids vaderlijke verdriet over zijn zoon moet wijken voor zijn herderlijke zorg voor zijn volk. Dat ligt ook, later, opgesloten in Jezus' woord: wie vader of moeder, zoon of dochter, liefheeft boven Mij ... (Mt. 10 : 37). Op dit punt is Eli tekortgeschoten (1 Sam. 2). David bij andere gelegenheden soms ook Maar in deze psalm is de toon zuiver. Het laatste woord is niet: Absalom, mijn zoon ... (2 Sam. 19 : 4), maar ... uw zegen zij over UW VOLK (Ps. 3 : 9).
Velen ...
Met het eerste woord valt David al met de deur in huis - Jahweh's huis. Wat het meeste indruk op hem maakt is het aantal van zijn tegenstanders (beter: benauwers, die hem in het nauw, in de engte drijven).
Tot driemaal toe herhaalt hij, klaagt hij: vellen ... Die velen staan tegen hem op - en daarbij .
valt vooral te denken aan een vijandig optreden (later, vs 8, kwalificeert hij hen nader als "vijanden" en "goddelozen", d.i. als mensen die het recht niet aan hun zijde hebben, tegen Jahweh ingaan).
Die vijandschap blijkt uit hun hoge woorden: hij Vindt geen hulp bij God ..God heeft hem afgeschreven ... In diezelfde geest spraken andere Israëlieten later over die andere Gezalfde. Let wel niet allen Romeinen, maar Israël zelf. Zo verging het David ook. Men meent: hij heeft het bij God verkorven - dáárom heeft hij geen hulp te verwachten. Een Simei suggereert dat letterlijk: ga weg, bloedvergieter ... de HERE vergeldt aan ual het bloed van het huis van Saul ... en geeft het koningschap aan uw zoon Absalom (2 Sam. 16 : 7, 8).
En mag David aan Sauls dood geen schuld hebben, misschien heeft hij zelf gedacht aan een andere bloedschuld: Uria (Ps. 51). Kortom, de tegenstanders kunnen argumenten genoeg aanvoeren voor hun stellige mening: hij vindt geen hulp bij God. De feiten schijnen hen in het gelijk te stellen.
… tegen Een
Niet de feiten spreken het laatste woord, dat doet God zelf (als in Ps. 2). God, die David aanstelde tot gezalfde. Dat laatste is in geding. David wordt niet gedreven door angst maar door bezorgdheid.
Met bezorgdheid gaat zijn hart uit naar die velen, die zeggen: hij vindt geen hulp bij God. Weten zelfs zij dan niet meer van het besluit des HEREN (Ps. 2 : 7)?
Koningschap Is ook en vooral: Gods recht bestellen onder Gods volk - dan is er vrede en recht in Israël, Die eer heeft Absalom hem ontstolen toen hij slinks het hart der Israëlieten stal (2 Sam. 15). Sindsdien, en dus al jaren, dragen de bergen geen vrede, de heuvels, waarlangs David trekt, geen recht voor Israël.
Maar is de gezalfde smadelijk op de vlucht en in acuut gevaar, de soldaat in David belijdt: de HERE is het schild waarachter ik dekking vind. Is zijn eer, zijn waardigheid hem ontstolen - hij legt het gewicht van Góds eer in de schaal: Israël is uw zaak ... (vgl. Ps. 4 : 3; Jer. 2 : 11; vgl. 1 Sam. 4 : 21, 22). Raapt Absalom, berekend vriendelijk, de Israëliet die daar voor hem met de neus in het stof ligt,van de grond om hem als broeder te omarmen (2 Sam. 15 : 5), David belijdt: de HERE is het die mijn hoofd opheft.
Hij hoeft het hoofd niet ,,als een bieze" (Jer. 58 : 5) te laten hangen. Zijn vertrouwen in Jahweh is ongeschokt: roep ik luide (van ellende, van verre) tot den HERE, dan antwoord Hij mij van zijn heilige berg (Sion, zijn troon). En "antwoorden" is meer dan iets terug roepen.
Het is antwoorden-met-daden (Ps. 4 : 2; 20 : 7; vgl. 34 : 7!).
Antwoorden doet een moeder die haar huilend kind tegen de deur hoort bonzen en de deur opendoet, Zei Jezus niet: klopt en u zal opengedaan worden?
Antwoorden is zoveel als redden, verlossen - het tegendeel van wat de "velen" beweren.
Daarmee hebben de tegenstanders geen rekening gehouden. Zeker Absalom niet.
Welterusten
David heeft zijn positie niet aan zichzelf te danken, ook niet aan de volksgunst van "velen", maar aan het welbehagen van de HERE.
Tegen dat laatste is Absalom in verzet gekomen. Of hij heeft het genegeerd. En al zit nu een van Davids "lijfelijke zonen" (Ps. 132 : 11; vgl. Ps, 89 : 30, 37), Absalom, in Jeruzalem op de troon, deze duivelse caricatuur van beloftevervulling kan noch mag David serieus nemen. Het ambt van koning), ihet zitten op de troon des HEREN - daarover kan geen mens eigenmachtig beschikken: slechts dien de HERE verkiezen zal, niet die zichzelf als verkieselijk aanprijst, zal daarop plaats nemen. Dáárom is het dat David weet: de HERE zal antwoorden, ingrijpen. Dat gaf en geeft de zo broodnodige rust: ik legde mij neder en sliep - en dat als je op de vlucht bent!! Het "welterusten" is hier niets minder dan een publieke geloofsbelijdenis!
Zijn weinige medestanders hebben zich kunnen sterken aan zo'n gelovig vertrouwen! En dat vertrouwen is niet beschaamd: ik ontwaakte, want de HERE schraagt mij - ja maar als Achitofels raad niet was verijdeld, was David niet meer wakker geworden (vgl. Ps. 127 : 2)! De Here hééft al geantwoord', ingegrepen - alleen daardoor heeft David, na een snelle overtocht over de Jordaan, van een goede nachtrust kunnen genieten. Terecht kan hij zeggen: ik vrees niet voor tienduizenden ('t grootste getal dat de Israëliet kent!) van volk, die zich rondom tegen mij stellen. God laat zijn gezalfde niet vallen.
Goedemorgen
Dan mag hij ook de toekomst met vertrouwen tegemoet zien met Gods hulp: sta op HERE, verlos mij, mijn God! Een herinnering aan de signaalwoorden uit de woestijntijd (Num. 10 : 35, 36,36; vgl. Ps. 68 : 1), als Israël met de ark verder trok door bedreigd gebied.
Achter Gód aan: Hij baant de weg door onbegaanbaar, vijandig gebied. Met Hem klom je in het beloofde land!
Vijanden- vellen? Gij zult al mijn vijanden op de kaak slaan.
Dat is Of een dodelijke belediging Of (liever) een parallel met het volgende: ... en de tanden der goddelozen (opstandelingen) verbreken, De herder David wéét waar hij leeuw en beer met zijn knots (Ps. 33) moet raken om ze machteloos te maken en buiten gevecht te stenen.
Pure wraakzucht? Maar dat valt niet te rijmen met zijn verdriet na Absaloms dood, Hij karakteriseert zijn vijanden als "goddelozen"- de tegenstelling van rechtvaardigen.
M.a.w.: zij hebben het recht niet aan hun zijde, zij hebben het recht tegen zich, zij staan niet recht tegenover God. Daarom vormen zij een bedreiging voor de kudde die aan zijn zorg is toevertrouwd, Het enige dat hij begeert, is dit volk, Gods volk, weer als gezalfde tegemoet te treden, om het in Gods recht en vrede te doen delen. Bij gebrek aan een hogepriester bidt en zegent hij zèlf: de verlossing is van de HERE (daar zal heel Israël wél bij varen!) - uw zegen zij over UW VOLK.
Geen individualisme (als ik maar gered word) maar saamhorigheid: als wij samen maar gelukkig worden!