Het boek Daniël
1975-05-23
Een verlossend woord- Jaargang 19
- nummer 21
Evenals Jona, die de opdracht kreeg te prediken tegen de grote stad Ninevé, heeft ook Daniël begrepen, dat een oordeelsaankondiging gegeven wordt met de bedoeling in de weg van bekering nog aan het oordeel te ontkomen. Zo is het ook door de HERE gezegd: "Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht aan te doen" (Jer. 18 : 7).
Maar heel anders dan Jona, die weigerde zijn opdracht uit te voeren, omdat hij maar al te graag de ondergang van Ninevé wilde aanschouwen, voegt Daniël aan zijn droomuitleg, waarin voor Nebukadnezar het onheil wordt getekend, een welgemeende raad toe, waarin de weg van de verlossing wordt gewezen. Hij heeft wel heel goed begrepen, dat het zien opdagen van de ondergang van een vijand, nooit oorzaak mag zijn van leedvermaak. In zijn woorden straalt al door, wat Jezus ons heeft geleerd: "Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen" (Matth. 5 : 45). Hij is goed op de hoogte van de ongerechtigheid die de koning heeft bedreven en van zijn schromelijk tekort in het betonen van erbarming over ellendigen, maar hij geeft de welgemeende raad zich van het kwaad te bekeren, met de belofte dat opvolging van deze raad verlenging van rust met zich kan brengen. Zo is toch de wil des HEREN. "Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? luid het woord van de Here HERE. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve?" (Ez. 18 : 23).
De stad van de mens
Een jaar lang liet het oordeel op zich wachten. Toen wandelde Nebukadnezar op het dak van zijn koninklijk paleis in Babel; hij overzag de stad en zei: "Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?".
Het is niet verwonderlijk, dat hij zich trots voelde bij het zien van Babel, het sieraad der koninkrijken, de trotse luister der Chaldeeën.
De opbouw van dit machtige rijk met de geweldige stad, is bijna geheel het werk geweest van deze éne koning. Wie leest wat er door de deskundigen over deze oude stad te vertellen is staat versteld van alles wat Nebukadnezar tot stand heeft gebracht.
Toch doet het wat vreemd aan, dat deze man gestraft wordt, niet om het kwaad dat hij anderen heeft aangedaan, maar om zijn zelfroem.
Niet slechts bouwer van Babel, maar ook afbreker van veel dingen is hij geweest. "Is dit de man, die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven; die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak; die zijn gevangenen niet naar huis liet keren? (Jes. 14: 16, 17). Is nu de roem op wat hij gebouwd heeft, een waarlijk grootse prestatie, erger dan al wat hij heeft gedaan tot verwoesting en verdrukking? Is bouwen groter kwaad dan breken?
Laten we eens zien wat de Bijbel ons vertelt over stedenbouw. Het is, meen ik, veelzeggend, dat Kaïn genoemd wordt als de eerste bouwer; hij werd de stichter, van een stad en noemde deze stad naar zijn zoon Henoch. Daar is een mens, die zich bedreigd weet en die eigen veiligheid wil waarborgen. Dat is toch wel allereerst de bedoeling van een stad; bescherming tegen dreigend kwaad, muren rondom tot wering van gevaar. De stedenbouwer is de mens die niet schuilt bij God, maar die met eigen handen zich een schuilplaats verschaft.
Eén. tweede komt daarbij: in herinnering doen blijven van de naam; de mens die aan het sterven is prijs gegeven leeft voort in zijn geslacht en dit geslacht, dat ook met meer is dan een ademtocht, moet blijven voortbestaan in een monument, dat de eeuwen trotseert.
De stedebouwer is de mens die de dood trotseert door eigen prestaties. Wat mensen voortbrengen, moet een garantie worden tegen alle vergankelijkheid, Na vele eeuwen komt Nimrod, de eerste machthebber op de aarde.
Het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erech, Akkad en Kalne, steden in het land Sinear. Uit dat land. trok hij naar Assur en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalah en Resen tussen Ninevé en Kalah; dat is de grote stad. Zo tekent Genesis 10 ons de opkomst van heel de mensenwereld, die het meent wel zon der God te kunnen redden.
Dan komt de bouw van Babel, verhaalt in Genesis elf. Niet, zoals vaak wordt gezegd, de torenbouw van Babel, maar de bouw van de stad (vs 4, 5, 8). Zeker, de toren komt er ook bij, maar die is toch niet anders dan een accent op de stad, een verheffing van de mensennaam, die zij zichzelf hebben toegedacht. De HERE zelf zegt ons wat de mensen beogen: dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn.
De stedenbouwer, dat is de mens die alles kan, die zijn zwakke kracht tot in het oneindige vermenigvuldigt met behulp van door hem zelf bedachte en vervaardigde middelen.
Zelfs mensen, die hun eigen zwakheid kennen en die kunnen weten dat ze slechts kunnen leven bij Gods beloften, kunnen zich door de stad van de mens laten overbluffen.
"De steden zijn groot en hemelhoog versterkt", zo hebben de verspieders gemeld en alle woorden van Mozes, Jozua en Kaleb konden het ontzag voor deze onmenselijke bouwsels niet wegnemen.
In het Babel van Nebukadnezar heeft de stad van de mens één van de hoogtepunten bereikt. Een geweldige stad, "die als bestemd scheen om eeuwenlang de heerseres der oud-Oosterse wereld te zijn.
Eerbiedwekkende versterkingen waren aangebracht om alle aanvallen te kunnen trotseren, Alle hulpmiddelen der toenmalige krijgstechniek waren te hulp geroepen om de koningstad tot een onneembare vesting te maken. De wallen waren zo hoog, dat ze praktisch stormvrij waren; zo dik, (meer dan 7 meter) dat geen ram er bressen in kon slaan; zo lang, (ongeveer 18 km!) dat geen leger ze ten enenmale kon omsingelen, Bovendien werden ze niet alleen beschermd door 30 torens, maar ook door brede grachten, waarvan de waterstand door een vernuftig systeem van sluizen kon worden geregeld. Eindelijk was er binnen in de stad nog een geweldig complex paleisburchten, van het overige gedeelte der stad afgesloten door een dubbele muur" (A. Noordtzij).
Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb toe een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?
Dit woord klinkt in allerlei toonàard door de eeuwen heen. Openbaring 18 schildert deze grote stad, Babylon, de sterke stad. Dit Babel moeten we ontvluchten, willen we in haar plagen niet delen. Niet allerlei oorlogsgeweld, verdrukking en vervolging, hoe verschrikkelijk ook, maar al wat mensen bouwen in eigen kracht en tot eigen roem, is de grote bedreiging. Veiligheid is alleen te vinden in de stad van God, gebouwd zon der mensenhanden, nederdalende van God uit de hemel. De stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper én de bouwmeester is. Hij heeft een stad bereid voor wie hun weg gaan steunend op Hem en op Zijn belofte; voor wie God zich niet schaamt hun God te heten.