Ons kerkboek (3 slot)

1975-05-23
  • Jaargang 19
  • nummer 21
Toch zijn er tegen het zingen van 'alleen maar' psalmen ook wel ernstige bezwaren, die bij mij in de loop der jaren gegroeid zijn. Ik meen nl. dat niet alle psalmen zonder meer geschikt zijn voor de eredienst van de christelijke gemeente.
lik schrijf daarover niet zonder enige geremdheid, want ik wil niet, vooral niet, aangezien worden voor een tegenstander van die psalmen in de eredienst of voor iemand, die de psalmen als 'maar oudtestamentisch' gering acht.
Het tegendeel is waar. Het mooie van de psalmen is. dat ze - anders dan vele gezangen - niet zozeer zingen over de mens in zijn godsdienst en vroomheid, maar over God, God en zijn volk, over de grote werken van God in de schepping en de verlossing. A. Janse heeft daar 'n veertig jaar geleden een mooi boekje over geschreven: De heerlijkheid der Psalmen als liederen des verbonds, Een boekje, dat ik nog graag ter lezing zou willen aanbevelen.
Reeds de titel was een vondst, de beste typering van ons kostelijk Psalmboek. die ik ken. Alleen: juist die titel vraagt wel aanvulling.
De psalmen zijn inderdaad liederen van het verbond van God met zijn volk, maar dan moeten we er bij zeggen; van het Horebverbond.
En dat is ook in vele psalmen speurbaar. Ze zingen van heel de oudtestamentische eredienst.
Van de tabernakel en de priesterdienst, van de offers en de offerdieren, van brand- en slacht; en dankoffers, van heel de aäronietische bedeling van het verbond der genade. En we kunnen die liederen wel zingen, maar we moeten ze dan voortdurend vertalen.
"Ik zal het brandaltaar doen roken van 't edelst vee uit -kooi en stal; zo worden vet en merg ontstoken bij 't lieflijk rijzend lofgeschal.
Het reukwerk zal zijn geur verspreiden, daar ram bij ram wordt aangebracht, 'k zal bok en rund ten offer leiden, opdat men z'u ter ere slacht", Het is een voorbeeld uit zeer vele. Ik herinner U nog aan het "Bindt d'offerdieren dan met touwen tot aan de hoornen van 't altaar." We kunnen dat wel zingen, maar àls we zouden dóen wat we zingen, dan zouden we zondigen: na de dood van Christus géén offers meer naar de wet van Mozes. We zingen in een taal, die door de geschiedenis van Gods eigen werken achterhaald is. We moeten ze permanent vertalen.

Maar er is nog iets.
Ik denk aan de vloekpsalmen.
Dat is een moeilijk onderwerp.
Maar dat mag ons toch niet verhinderen er over te denken en er over te schrijven. Ik noem een enkel voorbeeld. Ik denk hier niet aan die psalmen, waarin Gods volk of een enkel gelovige om verlossing bidt. En ik vergeet geen ogenblik, dat ook het nieuwe testament niet zo zoetsappig is als vele christenen schijnen te menen. De Here is iemand anders dan 'onze lieve Heer'! En i!k ben het volkomen eens met een duitse broeder, die onlangs opmerkte, dat velen tegenwoordig ten onrechte slechts één geloofsbelijdenis kennen: 'Wir haben einen lieben Gott'.
Maar dat is het punt niet. Het gaat om de vraag of wij héden om de oordelen Gods, die zeker komen, en waarover ook de Schrift van het nieuwe verbond spreekt, nog op dezelfde wijze kunnen en mogen bidden als de gelovigen van het oude verbond.
Laten we om te beginnen bedenken, dat onder ons niemand het zo dóet. Ook niet de man, die door dik en dun de vloek- en wraakpsalmen ook als voorbeeldige liederen en gebeden voor de christelijke gemeente verdedigt, Er is geen dominee, die in het kans el- , gebed, ook als hij bidt voor de vervolgden in de wereld, in Oost-Europa b.v., vraagt: 'vergeldt hun overmoed, wreek Uwer knechten.
bloed, 0 God van ons betrouwen; verdedig onze zaak, doe 't heidendom Uw wraak z e l f s v o o r o n s o o g a a n s c h o u w e n'.
Wij mogen de zaak der verdrukten aan de Here overgeven, dat wordt ons ook in het N.T. nadrukkelijk geboden, maar we behoeven dat niet te doen op die wijze. Wij mogen ook vandaag bidden om verlossing: '0 Heer jaag hun vervaardheid aan, en doe die heidenen verstaan, dat zij, die Sions rampen wensen, geen goden zijn, maar broze mensen'. Ps. 9. En: 'Drijf hen terug, die Slons rampen brouwen'.
Ps. 129. Maar is het de roeping van de christelijke gemeente daar aan toe te voegen: 'Maak hen gelijk aan 't lichtverdorrend gras, dat hier en ginds gezien wordt op de daken, dat eer men 't plukt', alree verwelkert was, ontbloot van grond om wortels in te maken, " enz.' Ps. 129. Ik herhaal: we mogen de Here echt bidden om verlossing en we deden dat ook dn de laatste oorlog. Maar hier is grote behoedzaamheid geboden.
In de Boerenoorlog in het begin dezer eeuw zongen de Boeren in hun lagers "De Heer zal opstaan tot de strijd; Hij zal zijn haters wijd en zijd verjaagd, verstrooid doen zuchten .. .'. En zij dachten daarbij niet aan de vijanden van het volk Gods in de wereld. maar aan de 'Rooineks', ze hadden psalm 68 nationalistisch genaast en zich toegeëigend. Net zo als in de 2e wereldoorlog psalmen als nederlandse strijdliederen dool!'de kerkgebouwen klonken. Toen de 'moffen' het haagse bos aan 't omkappen waren, zongen de mensen met furore Psalm 74: 'BIk woedt om strijd en toont zich onbeschroomd.
Men houwt en hakt, dat poort en binten beven gelijk men slaaft om bijlen aan te geven, en ijv'rig kapt in 't hoog en dicht geboomt'. Men zei: Het is net of we nou pas de psalmen begrijpen.
En men begreep er helemaal niets van. Men had zich de psalm toegeëigend, hem genaast, hem 'genationaliseerd', Maar ook als men de Psalm niet misbruikt, blijft de vraag of men hem vandaag nog gebruiken kan op de wijze, waarop Israël dat lied zong.
Als b.v. Ps. 137: 0 Babylon, wij zien eerlang u straffen. Gelukkig hij, die u zal loon verschaffen, die u vergoedt al wat g' ons hebt misdaan.
Gelukkig hij, die u terneer zal slaan, uw kinderkens zal grijpen, 0 gij trotsen en wredelijk verplett'ren aan de rotsen.' Ik weet heel wel, dat de ballingen in Babel beloften hadden van hun verlossing, en dat deze psalm van hun geloof aan deze beloften van God getuigt, Maar de vraag is: moeten wij nu nóg de Here om verlossing m bidden o p d e z e m a n i e r ? Ik geloof dat niet.

Dat hangt met iets anders samen.
Het oude testament was de tijd van het 'vlees', De Heilige Geest was nog niet uitgestort. Het was de tijd, waarin het koningschap des Heren nog verbonden was aan een staatsvolk, een land, een aards koningschap, en waarin een koning als David de 'oorlogen des Heren' voerde met het zwaard.
De Here gaf toen aan zijn volk bevel soms een hele bevolking uit te roeien 'met de scherpte des zwaards', en de Kanaänieten uit te roeien tot de laatste man. Op die wijze voltrok de Here zijn rechtvaardige gerichten. Dàt is de zaak niet. Maar wèl is het punt of de Here het vandaag nog zo doet.
En dat is niet zo. God heeft ons geen wapens in de handen gegeven dan die van het Woord en het getuigenis van Jezus: 'En zij hebben overwonnen door het woord van hun getuigenis' Openb. 12 : 11.
En voor ons geldt: 'Wie het zwaard neemt zal door het zwaard vergaan'.
Er is dus bij de overgang naar de nieuwe bedeling wèl wat veranderd. De strijd voor het koninkrijk des Heren wordt niet meer uitgevochten met middelen van oorlog en wapenfeiten, de overwinningen in de strijd liggen niet meer in verwoeste steden en met door ons gedode vijanden, wij behoeven niet meer in de weg van militaire verrichtingen en overwinningen het koninkrijk te verwachten.
Niet: 'Dan moogt g'in zegepraal uw voet, ja, uwer honden tong in 't bloed van elke vijand steken.' Das war einmal.
Wij hebben nu een ander gebod.
Wèl met de inzet van ons leven.
Om dat te verliezen als het moet om 's Heren wil. Maar niet met de revolver. Maar door zijn Naam te belijden. En dan wéten we, dat straks de Here Jezus zal recht doen. Een dag van wolken en wolkendonkerheid. Maar wij mogen bidden: niet: 'Gelukkig de man, die uw kinderen aan de steenrots verplettert,' maar: 'Doet wel degenen, die u haten, zegent ze die u vervloeken, bidt voor degenen, die u geweld aan doen'. En we mogen onze zaak overgeven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.

Geen camouflage

Ik schreef reeds: in de praktijk valt het wat mee.
In de kerkdiensten worden die liederen niet gezongen, geen dominee, die op deze wijze beidt. En daarom ziet de kerkganger het probleem niet.
Precies als bij de hele berijming.
Men merkt de rare dingen van de oude berijming zo niet. Dat is de schuld van de dominees, Die hebben bij het klaar maken van het kerkbriefje 'voorgesorteerd' en ze later u die vreemde psalmen, en psalmverzen niet zingen. Maar áls ze eens al die rarigheden voor de dag haalden... Ik ben er zeker van: stromen van protest zouden ons bereiken. Maar dat doen we niet. Ook het zingen in de kerkdienst is een heilige zaak. En daarom experimenteren we niet en we halen bij het gereed maken van het psalmenbriefje geen rare dingen uit.
Maar eigenlijk is dat aan de andere kant camouflage. Voor u blijft verborgen hoe vol gebreken onze psalmberijming is, Bij al ons hoog opgeven over onze psalmbundel.
is de werkelijkheid, dat van onze psalmen nog het derde deel niet gezongen wordt ...
Maar het ging over de gezangen.
Ik meen dat de christelijke gemeente naast de psalmen ook als mondige gemeente haar vrije liederen zingen màg niet alleen, maar dat ze dat ook móet.

Wat nu ?

Nog één keer: we zaten met ons kerkboek in de puree. We behelpen ons wel, maar het is: behèlpen.
En de vraag komt: kunnen we daar nu samen niet wat aan doen?
Ook in andere kerken is men met deze dingen doende. De Chr. Gereformeerde kerken zijn (nagenoeg) met de herziening van de liturgische formulieren gereed. Wat Îlk er van onder ogen kreeg overtuigde me, dat we daarmee onze winst kunnen doen, De 'binnenverbanders' hebben reeds een modernisering van de catechismus voltooid. Afgedacht van een enkel punt - en er zal altijd wel wat te wensen over blijven - wil het me voorkomen, dat deze omzetting geslaagd mag heten. Met een nieuwe psalmberijming is men doende.
Jammer, dat men niet de nieuwe berijming, die ook .wij gebruiken, aanvaardt. Wat zij trachten te verkrijgen, een keuze uit allerlei nieuw berijmde psalmen uit eigen kring, ontmoette reeds binnen hun eigen gemeenschap niet zo malse kritiek. En bij alle bezwaar, dat men tegen de nieuwe berijming hebben kan, ook bij andere proeven blijft dat zo. Ik meen, dat bij alle verdeeldheid en verscheuring onder de vaderlandse christenheid, het een zegen is als we nog één en dezelfde psalmberijming zingen. Ook de herziening van de liturgische formulieren staat daar op de synodale agenda, en het is goed af te wachten wat dat oplevert, Een moeilijk punt blijft die gezangen. Wel nam de jongste synode der Christelijke Gereformeerde kerken het principebesluit het bundeltje 'Enige Gezangen' uit te breiden met berijmde Schriftgedeelten (en daar zijn we wel Wij mee), maar aan het vrije kerklied is men - afgedacht van een aantal voorgangers - nog niet toe, en de tegenstand van wat we nu maar even 'de rechtervleugel' zullen noemen is wel zo groot, dat we voor verandering op dit punt (als er geen kerkhistorische stroomversnellingen optreden) wel weer een halve eeuw kunnen uittrekken ...

Maar we blijven bij de vraag: Kunnen we nu met elkander niet iets doen aan het terugkrijgen van een eigen Gereformeerd kerkboek?
We schieten in de discussie over wat we nu maar gemakshalve de kerkordelijke en kerkverbandelijke vragen zullen noemen maar weinig op. En dat zal nog wel even aanhouden, vrees ik. Op dat punt praten we nog te veel langs elkaar heen omdat we met diep genoeg op de vóórvragen zijn ingegaan m.i. Maar als we nu maar eens vast begonnen samen iets te dóen? Iets samen dóen is ook zeer bevorderlijk voor het samengroeien en heeft, afgedacht van het grijpbare resultaat ook een samenbindend effect.
Welke kerkeraad, welke kerken nemen hier een gelukkig initiatief?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief