Boekbespreking

1975-06-06
  • Jaargang 19
  • nummer 23
Een boos en overspelig geslacht door G. Slings; uitgave van Oosterbaan & Le Cointre B.V. - Goes, 1975 251 pag.; prijs f 14,50, voor leden R.B.-serie f 9,85.

De 'echte' literatuur is in vroegere jaren veelal aan de Gereformeerden voorbijgegaan. Alleen zij die verder gingen leren - en dat waren er niet veel - kwamen wat te weten over de literatuur van hun dagen. De gewone man las zijn kerkblad en soms een roman uit een zgn. Christelijke bibliotheek, waarvan vaak een bekering het al verwachte hoogtepunt vormde.
Dat een boek als het bovengenoemde kon verschijnen bewijst reeds dat er in Gereformeerde kringen méér gelezen wordt dan Christelijke lectuur alleen. De auteur wil met dit boek namelijk geven "een handreiking aan de ouders en de oudere jeugd met betrekking tot de moderne literatuur, opdat met name de jongeren een open oog leren hebben voor de gevaren die ook hen bedreigen, maar ook voor de wanhoop, angst, zinloosheid en dood die het wezenlijke van de wereld uitmaken".
De moderne literatuur als teken des tijds is voor de schrijver het startpunt van waaruit hij aan zijn boek begint. Dat betekent dat hij heel wat achtergrondinformatie geeft. Uit de uitgebreide inhoudsopgave doe ik een greep: secularisatie, nihilisme. dieptepsychologie, uitzichtloosheid, existentialisme, absurditeit, democratisering; allemaal begrippen die Slings toelicht, nader uitwerkt en beschrijft aan de hand van voorbeelden in de moderne roman- en verhaalkunst.
Schrijvers als Van het Reve, Hermans, Wolkers en Mulisch komen ter sprake. (Waarom niet nog modernere en nog jongere schrijvers?) Eenzaamheid, angst, wanhoop, sexualiteit enz. zijn de facetten in deze kunst, waarover de auteur zijn licht laat schijnen.
Het boek eindigt met een "Beoordeling van de moderne literatuur".
In dit slothoofdstuk komen ook belangrijke zaken aan de orde als het gesprek van ouders en kinderen met elkaar over de voornoemde problematieken. Het is te wensen, dat inderdaad zo'n gesprek op gang komt en blijft, ook over dit onderwerp, want alleen al het spréken over welk probleem ook kan verlichting geven, zelfs zonder meteen een oplossing te bieden.
De moderne literatuur is er gewoon. of we dat willen of niet, en de leerlingen van allerlei scholen en instituten lezen al of niet met animo en al of niet gestimuleerd de moderne schrijvers. En dat het niet alleen maar gaat om 'vieze' woorden en gebeurtenissen, blijkt u wel uit de hiervoor genoemde begrippen. (Die vieze woorden enz. leren onze kinderen trouwens toch wel!) Voor wie informatie wil biedt dit boek heel wat stof en wat dat betreft mag het doel van de auteur als bereikt worden beschouwd.
Toch wil ik niet nalaten wat kanttekeningen te maken en wat vraagtekens te plaatsen.
Hoewel het nergens uitdrukkelijk vermeld is, denk ik begrepen te hebben, dat de heer (?) Slings onder gereformeerd verstaat: vrijgemaakt binnen het Hoogeveense synodale verband. Er komen termen en uitdrukkingen in het boek voor, die een 'binnenverbander' onmiddellijk herkenbaar maken: kinderen van het Verbond - opgaan onder de getrouwe Woordverkondiging - kinderen (... ) op gereformeerde scholen voor voortgezet onderwijs - kinderen van de Kerk, enzovoort.
De auteur schrijft op pag. 17 in zijn .,Woord vooraf", dat hij o.a. Iiteraire en esthetische vragen buiten het bestek van zijn boek acht. Op pag. 235 beveelt hij schriftuurlijke leiding aan "vooral omdat de zinloosheid in literair gewaad op ons afkomt". Is dat laatste waar - en het is waar -, waarom wordt het literaire aspect dan niet behandeld? Had dat niet méér duidelijkheid kunnen verschaffen over de aantrekkingskracht van de moderne schrijvers dan de nogal saaie uittreksels, die hij ons nu geeft van sommige boeken?
En dat nog wel na de mededeling dat "ik me er niet toe (heb) laten verleiden uitgebreide uittreksels te geven".
Als de auteur een paar keer met weemoed schrijft over de schoonheid, die in de literatuur heeft afgedaan, dan doet me dat ietwat verbaasd denken aan de vroegere disputen onder Christenen over de schoonheid in de kunst die gevaarlijk kon worden of was, omdat het religieuze in de schoonheid ten onder ging, ja zelfs kon de schoonheid tot religie (ver-) worden.
Dat de angst voor de zgn. Tachtigers hierin een rol speelde, is voor menigeen duidelijk. En ik denk dat we dus toch al aardig geëvolueerd zijn op dit gebied.
Iemand die een boek publiceert, en in het bijzonder iemand die een boek over Nederlandse letterkunde publiceert, mag geacht worden de regels van de Nederlandse taal te kunnen toepassen, De auteur van het besproken boek zou er goed aan doen zijn geschrift eens te onderzoeken op taalkundige en andere onjuistheden, zodat die in een eventuele tweede druk vermeden kunnen worden.
Ik signaleer een onjuist gebruik van de zgn. verwijs-woorden: pag. 41 " ... betoonde Nieztcthe zich een nihilist. De benaming is afkomstig van de Russische intelligentsia aan het einde van de vorige eeuw. Het heeft daar de betekenis van ... ". Het moet waarschijnlijk betrekking hebben op het woord nihilisme, dat echter niet genoemd wordt.) Pag. 233: " ... de jeugd van de Kerk die met vallen en opstaan op zoek is naar een persoonlijke relatie met hun God en Vader". (Hun is meervoud, maar slaat terug op het enkelvoudige 'jeugd'.) Een andersoortige fout staat te lezen op pag. 44: "in het geheim kneep men de kat in het donker".
(Heeft de heer Slings wel eens in het openbaar de kat in het donker geknepen?) Irritant is het veelvuldig schrijven .in een 'we-stijl' (behalve vreemd genoeg in het Woord vooraf dat in de 'Ik-stijl' gesteld is): We zien ... ; we zullen nog zien .. " enz. Uit één pagina is de volgende oogst - hebben we geprobeerd aan te tonen - willen we wijzen op het feit - hebben we dit trachten aan te tonen - willen we nog een voorbeeld geven - we hebben aandacht geschonken - we hopen aan te tonen - we achten het van belang -. U begrijpt, lezers, dat we hebben getracht aan te tonen en dat we dat met enkele voorbeelden hebben aangetoond, dat de schrijver niet veel aandacht aan zijn stijl besteed heeft en we menen dan ook te hebben aangetoond, dat die weinig gevarieerd, eentonig genoemd moet worden.
Zijn woordkeus biedt ook weinig afwisseling. Pag. 107: Zo staat hij daar. Zestien regels verder: Zo staat Alfred daar. Pag. 103: Zo komt Alfred in Noorwegen (... ) terecht. Eén pagina verder: Zo komt Alfred (... ) in Finnmarken terecht.
Een andere opmerking: Ter Braak heeft wèl, maar Du Perron heeft niét zelfmoord gepleegd (pag. 70).
De titel van het boek vind ik niet erg gelukkig getroffen, maar dat heeft te maken met mijn persoonlijke smaak. De Here Jezus sprak :de betreffende woorden vooral, dunkt me, tegen de schriftgeleerden en farizeeën.
Bij het nadenken over een onderwerp als dit kan ik nooit de gedachte onderdrukken: Hoe komt het toch, dat vanuit het Christelijk geloof eigenlijk nog steeds niet een echt Christelijke kunst, waaronder literatuur, is opgebloeid?
Woorden en begrippen als schoonheid (zie hierboven) en vrijheid (pag. 22) spelen dan een belangrijke rol. In de tijd tussen de wereldoorlogen is daar al hevig over gediscussieerd in het Christelijke Literaire Tijdschrift 'Opwaartsche Wegen'. Maar het probleem is toen niet opgelost. En nu dan?
De uitvoering van het boek is keurig maar uiterst saai.
Ondanks kritiek op de verzorging en de uitvoering mag ik de volgende conclusie geven: neem en lees, en u zult met een gegronder oordeel moderne literatuur verwerken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief