MEESLEPEND

1975-06-13
  • Jaargang 19
  • nummer 24
... om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloojs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus ...

Efeze 4: 12-13

Waarom zijn er in de kerk al die mensen met een bijzondere functie: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars? Opdat zij het werk zouden doen? Nee, opdat wij, wij gemeenteleden, het werk zouden doen. Opdat wij zouden toegerust worden tot dienstbetoon.
Christus geeft geen mensen die het werk wel zullen opknappen. Maar Hij geeft mensen die geschikt zijn om anderen aan het werk te zetten.
Waarom proberen wij altijd weer, het werk af te schuiven op de nek van anderen? Waarom hebben wij er een hekel aan, zélf aan het werk gezet te worden?
Weten jullie wel, zegt Paulus, dat Christus gáven gegeven heeft vs 7-10)? Christus is er niet op uit, ons lastig te vallen, ons op te jagen, ons af te beulen. Hij is er op uit dat we leven. En leven doen we alleen, als we het werk van de d i e n s t verrichten. Het werk van de dienst aan anderen. Want leven, dat is altijd: samenleven met de anderen. Er zijn voor de anderen. Zo, als we allen er zijn voor elkaar,en werken voor elkaar, zó wordt immers het lichaam van Christus gebouwd.
Christus wil ons leren dienen, niet om het ons moeilijk te maken.
Maar om ons gelukkig te maken.
En gelukkig zijn we slechts, als we één lichaam zijn. En één lichaam zijn we slechts, als we allen dienen.
Christus wil ons, uiteengescheurde, losgeslagen, van elkaar vervreemde mensen, weer tot eenheid brengen.
Tot de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon Gods.

De eenheid van geloof. Dat is een bekende term. Een uitdrukking waarmee we altijd aanduiden dat christenen hetzelfde geloven. Je hebt de eenheid van taal. Dat wil zeggen dat je allemaal dezelfde taal spreekt. En je hebt de eenheid van huidskleur. Dat betekent dat je allemaal blank bent of bruin.
Dan mag je verder nog zo verschillen nog zo tegengesteld zijn aan elkaar, - dat ene (die taal of de huidskleur) heb je dan gemeen.
En zo is er dan ook de eenheid van geloof. Je gelooft allemaal in Christus, of je gelooft allemaal de drie formulieren van enigheid, of je gelooft allemaal in de kerk.
Verder heb je dan wel niets gemeen.
Maar je geloof heb je wel gemeen. En op die eenheid zou Christus dan aansturen.

Maar Christus stuurt helemaal niet aan op een eenheid die maar één aspect van het leven raakt, ons geloof b.v. Hij stuurt aan op een radicale eenheid. Op een saamhorigheid over heel de linie. Op de eenheid van een lichaam.
En die eenheid, zegt Paulus, - die eenheid is gegeven met het geloof.
Als je gelooft ben je zo één.
Dat is de eenheid die besloten ligt in de volle kennis van de Zoon van God. Als je de Zoon van God kent, als je met de Zoon van God vertrouwd bent, dan ben je zo één.
Geloof in Christus, kennis aan Christus hebben, je aan Hem toevertrouwen en met Hem vertrouwd zijn, dat wil immers zeggen dat je je door Hem laat verbinden aan de anderen. Dat je je door Hem zover laat brengen, dat heel de relatie met die ander, heel je omgang met die ander alleen maar en dan ook ten volle gekarakteriseerd kan worden met dat ene woord: dienst. Jezelf willen geven.
En jezelf durven geven. Want je hoort immers samen.
Jezelf durven geven. Jezelf willen geven. Dat is, wat Paulus noemt: mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus.
Mogen we dat mondigheid noemen?
Dat lijkt wel gerechtvaardigd als we verder lezen in vers 1.4.
Mondigheid wil zeggen dat je voor de dag durft te komen. Dat je niet angstig om je heen kijkt: wat zouden de mensen wel van me vinden? Zeg ik het wel goed? Is mijn mening niet aanvechtbaar. Is mijn keus wel te verdedigen?
Wordt ik wel geaccepteerd door de mensen? en door God?

Dat is de houding van een knecht, een slaaf, die deksels op zijn tellen moet passen, die er vooral voor moet zorgen dat hij geen scheve schaats rijdt, - anders is het niet best. Daarom probeert een slaaf zich ook altijd te dekken door een gebod, een regel, een bevel: ik heb toch precies gedaan wat me voorgeschreven is, en dus ben ik veilig.

Zo, als slaven, als angstige knechten, gedragen we ons vaak tegenover de mensen en tegenover God.
God moet het maar zeggen. En de anderen moeten het maar zeggen.
D.w.z. God moet de verantwoordelijkheid maar dragen. En de anderen moeten de verantwoordelijkheid maar dragen.
En omdat we zo bang zijn voor verantwoordelijkheid, omdat we graag terugvallen op een regel, een inzetting, een gebod uit de bijbel, of desnoods op toegangbare door heel de kerk geaccepteerde code,daarom komen we zelf nooit voor de draad, nemen nooit het initiatief.
Daarom schuwen we de vrijheid. Daarom moeten we ondanks al onze mooie woorden in feite niets hebben van mondigheid.
Daarom passen we er wel voor op, naar voren te komen.
Onszelf te presenteren. Ons oordeel, onze mening, onze creativiteit, ons eigenste ik te presenteren.
Hoewel God ons juist daartoe geroepen heeft.

Het lichaam komt tot stand, functioneert, de eenheid bloeit, waar de mensen niet angstig wegkruipen in hun hoekje, bang voor elkaar en bang voor God. Maar waar ze mondig zijn en vrij, waar ze met al het eigene wat ze hebben naar voren komen: hier ben ik voor jullie. Op mijn eigen manier. Want zo alleen kan ik het en wil ik het.
Op mijn eigen manier. Met mijn gaven. Want zo ben ik vrijgemaakt door de Zoon van God.
Vrijgemaakt van alle benauwdheid en beduchtheid. Vrijgemaakt van alle angst en onwil. Vrijgemaakt van mijn vlucht voor verantwoordelijkheid.
Werkelijk vrijgemaakt.
Tot dienst. Want als je door de Zoon van God bent vrijgemaakt, nou, dan ben je ook werkelijk vrij.
Dan bloei je zelf. En dan komen de anderen om je heen tot bloei.
Dan bloeit het lichaam. Het lichaam dat (vs 16) z i c h z e l f opbouwt in de liefde.

Maar God weet wel, welke risico's Hij neemt, door het zo te doen.
Welke risico's Hij loopt bij ons, mensen. En toch doet Hij het zo.
Want Hij is tegen die risico's wel opgewassen. Hij, die in Christus, de gevangenis gevangen nam. Die alle machten van ondergang en dood, van ongeloof en angstvalligheid overwonnen heeft. Hij, die ons liefhad. En in zijn liefde is geen vrees. Hij leert het ons, echt lief te hebben. God lief te hebben en de anderen lief te hebben zonder angst, zonder beduchtheid dat ze ons uitlachen en dat ze met hun kritiek komen en met hun aanmerkingen.
Zonder angst, omdat de liefde van God en de liefde van Gods kinderen geen angst kent.
Maar alleen het bevrijdende besef van werkelijke dienstvaardigheid: ik kan en ik wil en ik mag me aan die anderen geven. Zoals Hij zich gegeven heeft aan ons.

Als we dat geloven, dan laten allen die op een bijzondere plaats worden gezet zich tot gaven voor de gemeente maken. En dan hoeven ze die gemeente niet als een loden last achter zich aan te slepen. Dat houdt trouwens niemand uit. Maar dan worden de heiligen toegerust tot dienstbetoon. Zo meeslepend is Christus. En zo meeslepend zijn de gaven waarin Hij zichzelf aan de gemeente geeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief