Opvoeding op school (2 - slot)
1975-06-13
Als we nu even terugblikken op wat gezegd is, zien we dat het voortgezet onderwijs in de geschiedenis ontstaan is en gefunktioneerd heeft als steunpilaar voor een materialistische prestatiemaatschappij.- Jaargang 19
- nummer 24
Zulke scholen kunnen we binnen een bijbelse visie niet christelijk noemen. Ook al hebben de bijzondere scholen als extra vak de godsdienst ingevoerd, daarmee wordt het onchristelijk karakter van de scholen niet opgeheven.
Reeds een aantal jaren lang groeit ontevredenheid over de scholen, zich uitend in vele ideeën omtrent vernieuwing van het onderwijs. In deze schoolstrijd om de onderwijsinrichting van de nieuwe scholengemeenschappen mogen de christenen zich niet afzijdig houden, maar moeten ze vechten voor werkelijk christelijk onderwijs, voor kerstening van de christelijke scholen.
Christelijk onderwijs, dat niet uit is op vooruitgang van de materiële welvaart, maar gericht is op het welzijn van de mens en zijn omgeving.
Dat niet het materialisme leert met als motto: 'beloning naar prestatie', maar een wereld waarin die veel heeft niet overhoudt en die weinig heeft niet tekort komt.
Waar kennis wordt bijgebracht, niet in de zin van 'kennis is macht', maar met het oog op het ambt der dienstbaarheid.
Dat geen moralisme predikt, maar kennis der waarheid.
Waar geleerd wordt kwaad met goed te vergelden.
Waar, als er gescholden wordt, niet wordt teruggescholden.
Waar men leert oog te hebben voor de verloren schapen in plaats van ze weg te selekteren.
Waar leerlingen geen leeg vat zijn waar de school alles in moet pompen, maar waar ook nog niets wordt overgelaten aan de leerschool van het leven.
Waar leerlingen niet alleen informatie krijgen, maar ook visie.
Christelijk onderwijs neemt niet kritiekloos leerstof en methode over, gaat uit van fundamenteel vertrouwen in Gods schepping, de verwondering daarover is haar uitgangspunt, maar leert tegelijkertijd dat de mens en wereld onvolmaakt zijn, zij onderkent de zonde die zich hierin heeft genesteld.
Kortom: christelijk onderwijs hanteert niet de maatstaven van de wereld, maar die van het Koninkrijk der hemelen.
Mogelijk zult u zeggen: 'Dat klinkt mooi, maar zo'n onderwijs is een utopie'. En dan hebt u feitelijk gelijk. Maar dan zeg ik toch: jaag ernaar of we het ook grijpen mochten. Christus is toch niet voor niets gestorven, dat wij niet zouden proberen Zijn Heilige Geest ruimte te geven om Z'n werk te doen. Ik weet wel, ook een christen kent de zondigheid, de onvolmaaktheid van de mens; hij is daar zelfs meer van doordrongen dan diverse onderwijsvernieuwers, die té eenzijdig het kwaad zoeken in de strukturen i.p.v. in het mensenhart.
Maar het kennen van die ellende (H.C.) mag toch voor een gelovige niet norm zijn voor zijn levenswijze. Voor hem is de norm: te leven uit de Geest. Ook in de strijd voor ander onderwijs nemen we niet als norm dat we geneigd zijn tot alle kwaad, maar - juist omdat we dit weten - stellen we ons vertrouwen op de Geest Gods, die het goede zoekt voor alle mensen.
Laten de christelijke scholen maar eens in gezamenlijk beraad gaan wat het goede voor alle mensen is en op welke manier de scholen daaraan kunnen meewerken, hoe ze tot werkelijk christelijk onderwijs kunnen komen, wat dat in de praktijk voor een school betekent.
De vraag is. natuurlijk of deze scholen daartoe bereid zijn. Het is misschien veel te optimistisch om dit zo voor te stellen. Ik weet echter dat op meerdere christelijke scholen vergaderingen gewijd worden aan de vraag naar hun identiteit.
Bij deze besprekingen blijkt dan ook de machteloosheid van de school t.o.v. de staat. Onderwijs is immers financieel sterk afhankelijk van de overheid. Om subsidie te krijgen of te behouden moet men zijn onderwijs tot in details aanpassen aan de gestelde eisen. Ons onderwijs is dan ook niet werkelijk aan de ouders, noch aan de kerk, noch aan de school zelf; openbaar onderwijs niet, christelijk onderwijs niet en vrijgem. geref. onderwijs ook niet. Als de chr. scholen voor voortgezet onderwijs hun krachten zouden bundelen, zich intensief zouden gaan beraden op de situatie, zouden ze samen dan niet in staat zijn iets goeds te verwezenlijken? De tijd 'is rijp voor dergelijke diskussies.
Zeker moet ook binnen veranderd onderwijs de ontwikkeling der verstandelijke vermogens haar recht van bestaan behouden. Dit is - dank zij de verlichting - een verworvenheid die we niet moeten verliezen. Maar ik zou zo graag afwillen van de eenzijdige benadrukking ervan. Er zijn andere vormen van opvoeding die nu op scholen niet aan hun trekken komen en die toch minstens zo belangrijk zijn.
Binnen het huidige onderwijssysteem met haar eenzijdige waardering voor de intellektuele vakken en haar onderwaardering voor haar andere vakken is het vrijwel onmogelijk dat die andere vakken ooit op waarde geschat zullen worden.
Het chr. onderwijs zou in elk geval voorop moeten lopen met de emancipatie van die vakken. Misschien is hiervoor wel nodig dat de scholen afstappen van het uniforme diploma; dan zouden leerlingen na verloop van tijd de school kunnen verlaten zonder diploma, maar met een dosis informatie en visie, met een schooltijd achter zich waar ze kennis hebben gemaakt met een dienend gezag boven zich, met allerlei soorten mensen, waarover ze hebben moeten leren nadenken, naar wie ze hebben leren luisteren, door wie ze zijn bewonderd en uitgelachen, met wie ze hebben leren omgaan.
Ze hebben kennis opgedaan van allerhande facetten van de werkelijkheid om de kennis zelf en niet om het cijfer. Ze hebben een school verlaten waar ze de wereld hebben leren zien als Gods schepping, om die lief te hebben. Ze hebben op school - nog onder leidingkennis gemaakt met de bestaande maatschappij en hebben een goede voorbereiding daarop gehad. Ze werden beschermd, maar kregen ook in toenemende mate zelf verantwoordelijkheid te dragen.
Al mag dan werkelijk christelijk onderwijs op dit moment een utopie zijn, toch moet de leraar binnen het huidige onderwijs als christen proberen op te treden. En staat dan niet voorop dat hij liefde heeft voor zijn leerlingen? Een van mijn vrienden is zo'n leraar die erkennend hoe moeilijk het soms ook is, en dat ze je soms het bloed onder de nagels vandaan halen toch echt van ze houdt. Zelfs lyrisch kan worden over ze en zich voortdurend voor ogen houdt dat hij er is om ze te dienen en deze levenshouding ook op ze over wil dragen. Zo iemand is een werkelijk christelijke leraar. Meer dan degene die spreekt over die sekten, dat brandhout e.d. Hij weet dat leerlingen in hun lusteloosheid niet zomaar kwaadwillig zijt, dat ze niet alleen maar een boos hart hebben. Als leraar kun je een heleboel goed doen op school. Daarbij lering trekkend uit nieuwere vindingen op onderwijskundig gebied tracht hij een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds afhankelijkheid van de leerlingen, hun vraag om niet aan hun lot te worden overgelaten, en anderzijds hun vraag om zelf verantwoordelijk te mogen zijn voor wat ze doen. Hij doet recht aan hun verlangen om iets te presteren, maar al te sterke eerzuchtigheid probeert hij af te remmen. Hij oefent zijn gezag niet uit omdat hij leraar is, maar hij pro beert zijn gezag in woord en daad waar te maken.
Ik denk dat ik het hierbij moet laten; er blijven vele vragen liggen, maar je kunt niet in zo'n korte tijd alles zeggen en op een boel vragen weet ik voorlopig toch ook geen antwoord. Hoewel de lezing hier en daar nogal een stellig karakter draagt, zou ik graag willen dat u het geheel toch ziet als één grote vraag. Is dit een benadering die recht van bestaan heeft, zo ja, wat kun je er mee doen? Ik hoop een bijdrage te hebben geleverd aan de zich ontwikkelde meningsvorming over het voortgezet onderwijs en ook dat deze lezing een nuance mag aanbrengen in de soms nogal tegenover elkaar staande meningen.