Het eten van ons brood
1974-06-28
"Geef ons heden ons dagelijks brood ... " (Matth. 6: 11) "Werkt, niet om de spijs die vergaat . " (Joh. 6: 27) - Jaargang 18
- nummer 25
Onzekerheid
Twee woorden van onze hoogste profeet en leraar! Twee woorden over het brood, over de voorziening in onze dagelijkse behoeften.
Als wij nu maar goede leerlingen zijn! Leerlingen die beide woorden tot hun recht laten komen.
Dat is niet zo heel gemakkelijk!
Doen we in de vierde bede eigenlijk niet wat ons in Joh. 6 verboden wordt?
Daar hebben we nu een "broodvraag" waar vele christenen maar slecht mee kunnen klaarkomen.
De praktijk eist ons helemaal op.
De kinderen worden groter. We willen ze graag een plaats in de maatschappij bezorgen. Daarvoor zouden we erg graag wat meer financiële armslag hebben! Heel normaal, nietwaar? Maar ... moet je dat nu naar vóren brengen of vermijden op het huisbezoek? En in je gebed? En àls je het noemt in je gebed, antwoordt de HERE dan met de verhoring van de vierde bede Of met het verwijt van Johannes 6?
Maar al te vaak zijn we tevreden met een soort evenwichtskonstruktie.
Ons eten en drinken bezorgt ons eerlijk gezegd een slecht geweten. Maar door onze "milddadigheid" proberen we de zaak weer wat recht te trekken!
Eigenlijk weten we heus wel, dat we niet mogen proberen de léégte in ons leven-voor-God te vullen met een "opgevoerde" gehoorzaamheid op een ander gebied (Jac. 2 : 10-11). Maar ja, wat doe je er aan?
Onzekerheid! Ten aanzien van het eten van ons brood. Ook trouwens ten aanzien van het delen van ons brood (met de behoeftigen in deze wereld). Maar over dat laatste hopen we het een volgende maal te hebben.
Heeft de Here Jezus met dat woord uit Joh. 6 het brood niet gemaakt tot een zaak van onbelang voor het Koninkrijk der hemelen? Heeft Hij het niet gemaakt tot een zaak, die in een "nu eenmaal"-zinnetje thuishoort?
- "We moeten nu eenmaal eten, want we zijn nu eenmaal mensen, die er niet buien kunnen!" - Is brood-eten een niet-christelijke zaak geworden, een zaak van "algemene menselijkheid"?
Kerkelijk leven?
Misschien vindt u wel, dat dit verhaal' niet thuishoort in de rubriek "Kerkelijk Leven". Is het niet een ding, dat ieder persoonlijk raakt? Natuurlijk is dat laatste zo. Maar als we nu eens zouden berusten bij de opvatting, dat de broodzaak van onbelang is voor het Koninkrijk ... ? Als we die zaak nu eens echt maakten - in spreken of zwijgen - tot een ding, dat alleen maar “algemeen menselijk" is ... ? Dan zou de kerk op dit punt géén woord voor de wereld hebben! In een "nu eenmaal"-zin ligt uiteraard geen Goede Boodschap, geen evangelie, geen vermaning!
En dan zijn we weer heel dicht bij een doperse verschraling van het kerkelijk leven: De kerk het gezelschap met een boekje in een hoekje! Een recht inzicht is hier van meer dan persoonlijk belang. Het raakt ook de naam en de eer en de kracht van de kerk in deze wereld!
De zin van het negatieve (Joh. 6)
We moeten Joh. 6: 27 niet isoleren!
Dat maakt het tweede gedeelte van dat vers ons trouwens al duidelijk. De Here Jezus stelt de spijs die blijft tot in het eeuwige leven tegenover de spijs die vergaat. De Here werkt hier al aan op vers 35 "Ik ben' het brood des levens" en op vers 54 "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven ... ".
De Here is er bedroefd over, dat de Joden blijven staan bij de vermenigvuldiging van de broden.
Brood, voorziening in de behoeften, vrijheid van de Romeinen ziedaar de dingen die zij begeren.
Dat willen ze van Jezus Christus en dat mag Hij hun geven. Maar Hij is gekomen om hun veel meer te geven: Zichzèlf! Jezus Christus en Die gekruisigd! En zó zullen ze Hem moeten aanvaarden! Om het leven te hebben.
Wat is het vreselijk om wel "een" wonder te willen maar niet dat ene grote wonder van zijn zèlfovergave in de dood tot ons leven!
Wat is het vreselijk om iets, mogelijk véél, van Hem te willen maar niet Hemzèlf!
Wat is brood tegenóver het Brood des levens? "Tegenover" - dáár moet u op letten. In Joh. 6: 27 wordt het brood zo negatief geduid om ons te leren, dat het geen plaats, geen zin, geen betekenis heeft naast en tegenover de spijs die blijft! Daartegenóver geeft het brood u de kracht tot een wandeling…in een dóódlopende straat!
De zin van het positieve (Matth. 6)
Wie in Jezus Christus is door het loof, die is verlost van de vloek van het "tegenover". Brood van elke dag en Brood des levens staan niet meer náást elkaar.
Daarom bidt een christen de vierde bede van het Onze Vader. Hij kan het, want hij heeft heel Johannes 6 aanvaard. De negatieve uitdrukking "spijs die vergaat" is in Christus positief geworden: het voedsel, dat ons hier en nu voor een tij d mag dienen op onze reis naar het vervulde Koninkrijk.
Het leven is meer dan het voedsel (Matth. 6: 25), maar wie Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid zoekt, die mag zich door het "minder" laten dienen (33).
Wie aan de eettafel om zo te zeggen wóónt, die krijgt te horen, dat hij met dat zinloze doodlopende bestaan moet breken. Maar de reiziger, die op weg is, naar de vervulling van het Koninkrijk, die mag zich onderweg het voedsel laten smaken.
Twee-woorden-preek
Het verhaal gaat, dat een oude wijze christen aan een jonge vent vroeg wat hij wilde worden, "Leraar in welsprekendheid" was het vlot gegeven antwoord. In vroegere tijden was dat een heel goed vak, want welsprekendheid was een brug naar alle mogelijke posten - in kerk en wereld, bij het onderwijs en in de politiek.
Het is trouwens de vraag of er op dit punt werkelijk zo veel veranderd is! Leraar in welsprekendheid - dat was het dus! Toen vroeg die oude man: "En dan?".
De jonge man liet zich niet onbetuigd: Dan wilde hij zien in Rome terecht te komen, in het centrum van de wereld! Maar weer kwam de oude gesprekspartner met de vraag: "En dan?".
En met die telkens herhaalde vraag putte hij de welsprekendheid van de welsprekendheidsleraar volledig uit! Tenslotte stond deze met zijn mond vol tanden.
Daar hebben we een preek in twee woorden, een preek die ondanks zijn kortheid niet eens zo erg door de jeugd werd gewaardeerd!
Niemand loopt graag vast.
Een erg wijze man was dat! Leraar in welsprekendheid - dat was het eerste antwoord. Gedachtig aan de vierde bede zei de oude man niet: Waardeloos! Gedachtig aan Joh. 6 zei hij ook niet: Geweldig! Hij vond de harmonie van die beide woorden in die kleine vraag "En dan?". Hij wilde alleen maar weten of zijn jonge vriend al die begerenswaardige dingen zag als stations op de reis. Op de weg van verzoening tot vervulling, van Golgotha naar de volheid van het Koninkrijk.
Dat zag de jonge man zo niet. Hij dreigde zijn brood te gaan eten buiten het Brood des levens om!
Die oude christen was allerminst hatelijk-negatief. Hij was ook allerminst op een laffe manier positief.
Hij had een woord voor de wereld!
Dienende functie
Naast de tijd-vraag (En dan?) kan de doel-vraag (Waartoe?) gesteld worden. Daarmee kunnen we onderzoeken of enig ding in ons leven doel-in-zichzelf wordt. Of we eten om te leven om dan vervolgens ons leven weer aan het eten te wijden. Dan varen we als een schip met vastgeraakt roer. In een cirkel! "Doet het alles ter ere Gods" zegt Paulus in Cor. 10: 31. Wanneer ons brood doel-inzichzelf wordt, dan is dat woord veracht! Dan hebben we een andere god, een afgod opgericht. We moeten alle dingen kunnen verantwoorden als stations op de reis, als doel-gericht - en het doel moet dan werkelijk de eer van God zijn! De tijd- en de doelvraag zullen ons veel meer baat brengen dan de ongelukkige evenwichtskonstruktie waar we het in het begin over hadden. En ze zullen ons nuttiger máken voor de omgang met degenen die buiten zijn.