Een "bizondere" bizonder hoogleraar

1974-06-28
  • Jaargang 18
  • nummer 25
Toespraak gehouden in het radioprogramma van de N.C.R.V. van 4 juni

Het was een goede gedachte van de N.C.R.V. om, door middel van een radio-uitzending, de aandacht van haar luisteraars te vragen voor professor doctor Klaas Jan Popma, die jongstleden zaterdag zijn afscheidscollege als bizonder hoogleraar in de wijsbegeerte gaf.1) Prof. Popma is namelijk een unieke figuur in de wereld van de wetenschap, óók in wat men wel de Gereformeerde Gezindte noemt, en speciaal in de grote kring van hen die zich betrokken weten bij de zogenaamde wijsbegeerte der wetsidee, beter gezegd: de Reformatorische wijsbegeerte, waarvan de hoogleraren Vollenhoven en Dooyeweerd de grondleggers zijn.
Het unieke van prof. Popma springt onmiddellijk in het oog als men let op zijn levensgang en oeuvre.
Opgegroeid in een milieu waarin de fijnzinnige afgescheiden theoloog Jan van Andel en de grote Abraham Kuyper diepgaande invloed oefenden, wierp de jonge Popma zich op de studie van de klassieke filologie en werd een classicus van formaat. Maar, vooral ook door de invloed van Vollenhoven die hij als student zondag aan zondag in Den Haag hoorde preken, legde hij zich ook met alle energie toe op de studie van de filosofie. Van het begin af was hij een van de meest toegewijde, hardst werkende en zelfstandigste werkers in de kring van de actieve beoefenaars van de Calvinistische wijsbegeerte. In 1948 werd hij dan ook als van zelf een van de bizondere hoogleraren in die filosofie.
De omvang van het oeuvre van Popma is indrukwekkend. Ik beschik niet over een volledige lijst daarvan. Vermoedelijk kan die ook niet worden samengesteld. In het gedenkboek, uitgegeven bij het zilveren jubileum van de Vereniging van Calvinistische Wijsbegeerte, uitgekomen in 1961, vult de, niet volledige, lijst van de titels van Popma's publicaties reeds zeventien pagina's! En sindsdien is de stroom van geschriften die hij het licht deed zien ononderbroken voortgegaan.
Popma is een verklaard vijand van wat hij het "academisch perfectisme" noemt. Dat is naar zijn overtuiging een duidelijk wereldse houding en praktijk die hierin bestaat dat eerst dan tot publicatie van studieresultaten mag worden overgegaan, wanneer de te bewerken stof op volmaakte wijze is geprepareerd. Een dergelijke preparatie is naar zijn overtuiging zowel een illusie als een dwaasheid!
Neen Popma staat ook, of liever, juist als filosoof midden in het cultuurleven van onze dagen. Als zodanig observeert hij met een scherp intellect, maar vooral ook met een gevoelig hart, alles wat er van die wereld in zijn gezichtsveld komt - en dat "veld" is zeer groot! Op existentiële wijze worstelt hij daarmee om vervolgens wat hij daarover meent te moeten zeggen door te geven - met de bedoeling hen daarmee te diénen - aan allen die naar hem willen luisteren.
Zo verscheen van zijn hand een reeks publicaties over de klassieke oudheid en allerlei wijsgerige thema's. Dat spreekt uiteraard van zelf.
Want die hebben betrekking op het veld van onderzoek dat hij beroepsmatig exploreert. Maar daarnaast leverde Popma indringende studies op literair gebied. Hij is namelijk ook zonder twijfel een dichter. Zijn dichterschap licht uit al zijn geschriften duidelijk op. Zo publiceerde hij een aantal opvallende verzen en boeiende litteraire studiën en kritieken. Ik noem nu alleen zijn prachtige boek over Louis Couperus. En - hoe is het mogelijk? - temidden van al die bedrijvigheid zag Popma óók nog kans drie unieke romans te componeren! "De zonde van Jan der Kindere", "Drinzel zoekt verder"
en het pas verschenen "Het Paradijs is dichtbij". Door sommigen wordt dit laatste getypeerd als een essay van menselijk verlangen naar mens- en wereldvernieuwing. Anderen noemen het een sprookje der waarheid. Maar waarschijnlijk is het een getuigenis dáárvan dat de paradijs-periode nooit uit de geschiedenis der mensheid kan worden geëlimineerd.
Maar dit vele is op verre na niet alles. Als ik het goed zie, ook naar Popma's eigen schatting, nog niet het belangrijkste. Popma is namelijk, reeds vóór hij hoogleraar werd, begonnen met de publicatie van Schriftstudies. Een onafzienbare reeks daarvan kwam uit zijn hart en hoofd, Jarenlang plaatste hij die in allerlei bladen en tijdschriften.
Hij peinsde en schreef voor Joden en Grieken in het Nieuwe Testament, over de vrijheid van de exegese, de boodschap van Job, het raadsel van de Prediker, over Evangelie en geschiedenis, en, om niet meer te noemen, over de "harde feiten" waaromtrent ons in de eerste hoofdstukken van Genesis goddelijke openbaring wordt geschonken.
Heel die reusachtige publicatie-hoeveelheid culmineerde ten slotte in Popma's "magnum opus", de zevendelige kommentaar op de Heidelbergse Catechismus, die onder de trefzekere titel "Levensbeschouwing"
het licht zag. Het schrijven daarvan is een bij uitstek wonderlijk gebeuren! Stel u voor: het is het werk van een beroepsfilosoof, die blijk geeft een fabelachtige Schriftkennis te bezitten, daarbij fel geëngageerd is in het geestelijke en culturele leven van zijn tijd en die nu nota bene een toelichting geeft op een belijdenisschrift van vier eeuwen oud, dat door de overgrote meerderheid van de theologen als verouderd en hoogstens als een eerbiedwaardige antiquiteit gewaardeerd wordt. Menigeen zal zich bij het verschijnen daarvan hebben afgevraagd: is dàt nu een werk dat een modern filosoof in onze tijd moet ondernemen? Popma zou op die vraag antwoorden: "Inderdaad, dit is nu juist het werk van een christen-filisoof in onze tijd! Want wat ik in dit boek wil geven is de essentie van mijn levensopdracht. Namelijk het, in een nauw contact met het belijden van de kerk, mijn medegelovigen de hulpzame hand bieden bij de verdieping, de groei, de zuivering van een bijbelse, een evangelische levensvisie. Of, anders gezegd: het hen helpen bij het verwerven van een uit de Schrift gewonnen en aan de Schrift genormeerde kijk op plaats, de taak, de arbeid, het lijden, de vreugde, de toekomst van mens en mensheid." Popma's grootse werk wil een gids zijn voor christenen in de jungle van de geestelijke verwording en chaos waarin wij in onze dagen leven.

Het is zoals van zelf spreekt onmogelijk in een kwartier op een enigszins bevredigende wijze iets te zeggen over de inhoud van Popma's levenswerk. Hij heeft over zo velerlei zo veel gedacht! Popma filosofeerde, om maar iets te noemen, voortdurend over de typische aard en de grenzen van de wijsbegeerte. En over de geschiedenis, ten opzichte waarvan zijn denken evolueerde van de idee historie als "zijde", als "aspect" van de werkelijkheid, naar die van geschiedenis als ontplooiing van de mens en de ontsluiting der wereld waarin de mens een dominerende rol vervult. Als een terriër vervolgde hij de theologen met de vraag: wat doen jullie nu eigenlijk als jullie theologie bedrijven? Vooral ook heeft Popma zich bezig gehouden met dat wonderlijke fenomeen van de tijd. En niet minder met het karakter van het geloof en het wonder van de kerk ten aanzien waarvan hij een eigen positie inneemt in de kring van de beoefenaars der calvinistische wijsbegeerte.
Al is het nu niet mogelijk op de vele facetten van Popma's denken in te gaan, men kan wel met volkomen zekerheid zeggen wat in zijn werk fundamenteel was en is. In een onlangs door hem toegestaan interview werd hij namelijk door zijn gesprekspartner geconfronteerd met deze slotvraag. "Wat is nu het meest eigene dat u bezielt en dat u wilt doorgeven? Wat zou u den volke verkondigen als u nog één week te leven had?" Op die vraag gaf Popma toen dit lapidaire antwoord: "Dat de bijbel het Woord van God is."
Inderdaad, dit geloof, én het worstelen om in al zijn werk daarmee bloedige ernst te maken, is de grondtrek van Popma's leven en werken.
Men kan het met onderscheiden resultaten van zijn studie niet eens zijn, maar dit verandert aan deze diep gewortelde intentie van Popma niets! Men kan beter te doen hebben met een denker die van een juist vertrekpunt uitgaat en dan ook wel eens fouten maakt, dan met één die goede dingen zegt maar wiens praeposities niet deugen.
Ik wil nu nog iets memoreren van wat Popma over het, door de dienst van de Schrift tot ons komende, Woord van God 'zegt. Het Woord van God, zo schrijft hij ergens, is een bevel. Maar dan een liefdebevel! Het is Gods liefdebevel waardoor Hij ons bevéélt alles te geloven wat Hij ons in Zijn Woord belooft. Het Woord van God is geen verhaal, al is het verhaal-element er in verwerkt (en dan ook als verhaal-omtrent-feiten); het is geen mededeling (al heeft het secundair-
mededelende aard) die als zodanig ons zou vrij laten; het is een bevel - het is een bevel van liefde. Het bereikt allereerst de kerk van Ohristus, maar daardoor óók alle individuele leden van de kerk.
Het Woord van God is ook niet een argument of een document, al argumenteert Paulus zeer veel en al zijn de Bijbelse geschiedenissen zonder enige twijfel documenten die geen historicus missen kan. Neen, het Woord Gods betekent dat God spreekt, toe-spreekt, van zeer nabij; bevelend toespreekt in liefde. Het woord "liefdebevel" wil aanduiden, dat Gods bevel uit zijn liefde voortkomt en zijn liefde vertegenwoordigt.
Reeds dat het bevél is, is liefde; als Hij alleen maar aanbood, zou Hij ons in verlegenheid brengen; maar nu Hij gebiedt, maakt Hij het ons gemakkelijk, want onder zulk een gebod kunnen we niet uit komen, zulk een gebod baant zelf al de weg die we te gaan hebben, en dit gebod garandeert ook, dat onze zwakste poging wel zal gelukken.
Ik geloof dat in deze woorden Popma op voortreffelijke wijze omschrijft waarin het wonderlijke geheim van het Godswoord der Schrift is gelegen!
Omdat dit Woord van God nu zó is, aldus Popma, gebruiken we de Bijbel nooit te veel en nooit genoeg ... Heel veel (soms zou men zeggen: alle) activiteit van Christenen op het gebied van staatkunde, en wetenschap, en kerk, en bedrijf, en kunst, en opvoeding wordt met onvruchtbaarheid geslagen, doordat de werkers te kort schieten in Bijbelgebruik. En in zoverre als er sprake is van tekort in Bijbelgebruik, is er sprake van Bijbelkritiek. Verwaarlozing en kritiek zijn hier innig verwant en vaak hetzelfde.
Deze overtuiging concretiserend op zijn speciale levensarbeid, de beoefening van de filosofie, zegt hij letterlijk: Wie b.v. "in zijn filosoferen zich buiten de wijsheid der Schrift wil houden door maar domweg te decreteren ,,0 nee dat is theologie!", staat al op de weg van speculatie, van willen weten wat geen mens weten kan. Wij kunnen in de verzorging van onze levensbeschouwing (èn van onze filosofie) nooit genoeg Bijbelkennis gebruiken. Een filosofie die zo weinig mogelijk Bijbelkennis wil invoeren en daarbij toch Bijbelgetrouw wil heten, verloochent haar taak en vernietigt zich zelf."
In deze woorden omschrijft Popma wat naar zijn geloof de allesbeheersende voorwaarde is voor een filosoferen dat, met gefundeerde hoop die te vinden, op zoek is naar waarheid. Maar tegelijk zegt hij daarmee ook wat hij steeds heeft willen zijn en, met alle menselijk gebrek ook geweest is, namelijk een filosoof-met-de-bijbel, een bijbels filosoof, en zo een "bizondere" bizonder hoogleraar.

1) Een “bizonder hoogleraar" aan een Openbare Universiteit is een hoogleraar die niet door de overheid, maar door een vereniging of stichting werd benoemd en wordt gehonoreerd.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief