EUTHANASIE

1974-06-28
  • Jaargang 18
  • nummer 25
Euthanasie en de Heilige Schrift

Denken en spreken over euthanasie moeten geënt zijn op hetgeen de Heilige Schrift ons te zeggen heeft, zeker waar het gaat om handelen over en zelfs ingrijpen in een door God naar zijn beeld geschapen menselijk leven.
Douma geeft een heldere exegese over deze materie onder verwijzing naar 'n groot aantal Schriftplaatsen.
Ik laat gaarne Douma verder aan het woord, indien hij schrijft: "Niet alleen de ervaring keert zich tegen de regel: absolute eerbied voor het menselijk leven, maar ook - en dat is voor ons beslissend de Heilige Schrift. Deze regel met de daaruit getrokken konsekwentie levensverlenging tot elke prijs kan voor het forum van de Schrift niet gehandhaafd worden.
In de eerste plaats zijn wij niet aan het leven, maar aan de Heer van het leven, die vrij over dood en leven beschikt, eerbied verschuldigd.
Is Hij het niet die doodt en doet herleven, die verbrijzelt en geneest, Deut: 32, 39; 1 Sam. 2, 6?
Hij geeft aan allen leven en adem en alles, Hand. 17, 25. Leven en dood zijn geen zelfstandige machten, waarvoor wij ons zouden moeten buigen, maar zij buigen zich voor Hem aan wie alle machten onderworpen zijn, Rom. 8, 38 vv.; Ef. 1, 20 VV.; Col. 1, 16.
In de tweede plaats verleent God aan de mens het recht om leven in allerlei vorm aan te tasten.
Het plantaardige leven staat aan de mens als voedsel ter beschikking, Gen. 1, 29; later ook het dierlijk leven, Gen. 9, 3. Maar niet minder duidelijk wordt aan de mens het recht gegeven in bepaalde gevallen aan zijn medemens het leven te ontnemen. Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, Gen. 9, 6. De overheid draagt tegenover de kwaden haar zwaard niet tevergeefs, Rom. 13, 4.
In de derde plaats blijkt uit verscheid ene Schriftgegevens, dat de mens in zijn dienst jegens God en de naaste zijn eigen leven soms mag en moet opofferen.
Simson, een der geloofsgetuigen uit Hebreeën 11, heeft de pilaren van het gebouw waarop zich drieduizend Filistijnen bevonden doen wankelen, in de wetenschap dat hij met zijn vijanden zou sterven, Richt. 16, 28 VV. Men kan in de dienst van Christus zijn leven moeten verliezen, ja zelfs haten, om het juist zo te vinden, Matth. 16, 25; Luc. 14, 26 Paulus acht het mogelijk, dat iemand de moed heeft voor een goede te sterven, Rom. 5, 7, en hij prijst zijn medearbeiders die voor zijn leven hun hals gewaagd hebben, Rom. 16, 3 v.; Philipp. 2, 30. Van velen zal straks openbaar worden, dat zij hun leven niet hebben liefgehad, tot in de dood, Openb. 12, 11.
In de vierde plaats kan het leven van de mens op aarde na zijn hier vervulde dienst, een verzadigingspunt kennen, Abraham, Izak, Job en Jojada stierven, oud en van het leven verzadigd, Gen. 25, 8; 35, 29; Job 42, 17; 2 Kron. 24, 15.
David maakte, van het leven verzadigd, zijn zoon Salomo koning, 1 Kron. 23, 1, en stierf verzadigd van leven, rijkdom en eer, 1 Kron. 29, 28. Jakob sloot zijn arbeid af met de zegenspreuken over zijn kinderen, regelde zijn begrafenis, trok vervolgens zijn voeten terug op het bed en gaf de geest. Zij hoefden ook niet krampachtig aan het aardse leven vast te houden, omdat zij verwachtten een stad met fundamenten en wisten van een beter, dat is een hemels vaderland, Hebr. 11, 10 en 16. Daarom kan ook Paulus· verlangen heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste, zegt hij.
Maar hij wordt van twéé zijden gedrongen: Er is ook nog de ambtsdienst jegens de Philippenzen - nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil, schrijft hij, Philipp, 1, 23. De maat van zijn arbeid hier beneden is nog niet vol.
Met het voorafgaande is in het geheel niet geponeerd, dat wij niet voorzichtig met het leven moeten omgaan, doch alleen dat het leven niet de laatste waarde, de hoogste norm, ja de maat van alle ethiek kan zijn. En daarom heeft niet het leven, maar het gebod Gods dat aan alle leven z'n taak, z'n grenzen en z'n relaties geeft het laatste woord. Geen eerbied voor het leven dus, maar voor de God van het leven en voor zijn gebod over het leven.".
Nog meer behartenswaardige dingen schrijft Douma over datgene wat de Heilige Schrift zegt over leven en dood. Hij vervolgt: "De Heilige Schrift eist van ons geen absolute eerbied voor het menselijk leven, maar zij vraagt wel dat wij in grote voorzichtigheid met ons eigen leven en dat van anderen omgaan. Bovendien wordt de dood in de Schrift niet van zijn verschrikking ontdaan om als inherent aan het leven een positieve zin te ontvangen.
Daarom stellen wij tegenover de geseculariseerde gedachtengang die uitkomt bij de actieve euthanasie het volgende: Het leven van de mens wordt in de Schrift als een schepping en gave van God getekend, waarbij de hoge positie van de mens blijkt uit de openbaring, dat de mens naar Gods beeld geschapen is, Gen. 1, 26 v. Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want - zo wordt daaraan toegevoegd - naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt, Gen.
9, 6. De mens en zijn lichaam worden een tempel Gods of een tempel van de Heilige Geest genoemd, 1 Cor. 3, 16 vv.; 6, 19.
Hoe zal een arts of wie dan ook zich kunnen ontdoen van menselijk leven dat hij niet menswaardig of zinvol acht, terwijl Christus het geknakte riet niet verbreekt en de kwijnende vlaspit niet uitdooft, Jes. 42, 3; Matth. 12, 20?
De dood wordt nimmer tot een zoete dood, maar is de laatste vijand die te niet gedaan wordt, 1 Cor.15, 26; een vijand die we onszelf door de zondeval op de hals gehaald hebben, Rom. 5, 12 v.; 6,23; 1 Cor. 15, 56. Slechts het gelóóf in Christus' overwinning en niet de natuurlijke inpassing van de dood in een biologisch proces doet ons triomfantelijk belijden: Dood, waar is uw overwinning?
Dood, waar is uw prikkel?, 1 Cor. 15,55. Terecht mag men met de Heid. Catechismus zeggen, dat de dood een doorgang is tot het eeuwig leven, Zondag 16, maar het blijft de dónkere tunnel van de dood die ons naar het licht voert.
De verschrikking van de dood zal ons met ontzag en ootmoed blijven vervullen, als het goed is.
Men kan allerlei taboes rond de dood opruimen, en voorzover dit betekent, dat wij de dood echt onder ogen moeten willen zien, is dat een goed streven. Maar de dood onder ogen zien, is de harde waarheid daaromtrent horen.
De verschillende visie op de dood zal van invloed zijn op onze houding aan sterfbedden en inrichtingen.
Een volledig geseculariseerde visie vraagt om zakelijkheid; de christelijke visie vervult met grote schroom."

Actieve euthanasie

Teneinde een juiste begripsbepaling mogelijk te maken wordt in dit hoofdstuk allereerst een overzicht gegeven van enige definities zoals deze zijn geformuleerd in net rapport van de Gezondheidsraad.
Onder euthanasie wordt verstaan: Een opzettelijk levensverkortend handelen of een opzettelijk nalaten van levensverlengend handelen, bij een ongeneeslijke patiënt in diens belang.
Onder actieve euthanasie wordt verstaan: Euthanasie door het toepassen van levensverkortende middelen of handelingen. Onder passieve euthanasie wordt verstaan: Euthanasie dool' het niet of niet meer toepassen ven levensverlengende middelen of handelingen.
Onder vrijwillige euthanasie wordt verstaan: Het toepassen van euthanasie met uitdrukkelijk en geldige instemming van de betrokkene, Onder onvrijwillige euthanasie wordt verstaan: Het toepassen van euthanasie zonder uitdrukkelijk en geldige instemming van de betrokkene.
In het licht van dit begrippenstelsel van het rapport gezien stelt het hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst zich op de volgende standpunten:

1e "Actieve onvrijwillige euthanasie is de arts niet toegestaan en dient onverkort een strafbaar feit te zijn.

2e Actieve vrijwillige euthanasie is de arts eveneens niet toegestaan en dient een strafbaar feit te blijven, met dien verstande dat het hoofdbestuur de volgende· zinsnede uit het rapport onderschrijft: "Mocht een arts, na alle facetten van een bepaald geval te hebben bestudeerd, zich toch naar eer en geweten gehouden achten bij" een ongeneeslijke patiënt in de stervensfase, die hierom uitdrukkelijk verzoekt, middelen aan te wenden tot beëindiging van dit leven, dan zal hij zich moeten verantwoorden.

3e Passieve euthanasie tegen de uitdrukkelijke wil van de patiënt is de arts niet toegestaan.

4e Het geven van medicamenten in adequate dosering tijdens het stervensproces, die bedoeld en geïndiceerd zijn ter verlichting van het lijden van de patiënt, met als mogelijke bijwerking een verkorting van het leven, is toegestaan.
Een zodanig handelen valt niet onder het hoofd euthanasie.

Het hoofdbestuur is van oordeel dat in de, onder ten tweede genoemde situatie, de arts de beslissing zoveel mogelijk dient te nemen na terzake overleg te hebben gepleegd met collegae of andere personen, die bij de behandeling van de patiënt betrokken zijn of zijn geweest. Uiteraard behoudt de arts zijn eindverantwoordelijkheid.
In hoeverre de arts verantwoord handelt door ook familieleden van de patiënt in de besluitvorming te betrekken, wordt eveneens in belangrijke mate bepaald door de normen van de samenleving. Soms zal overleg met de familie vanzelfsprekend zijn, soms daarentegen duidelijk ongewenst. In elk geval moet het voor de arts een punt van overweging zijn.
Teneinde in de praktijk op dit punt moeilijkheden, twijfels en spanningen zoveel mogelijk te voorkómen, kan het in een aantal gevallen aanbeveling verdienen dat de arts, die op uitdrukkelijk en ernstig verlangen van zijn patiënt actieve euthanasie wil toepassen, in het overleg ook de Officier van Justitie betrekt, die daartoe in het algemeen wel bereid zal zijn. Temeer waar het hoofdbestuur het niet juist acht dat in geval van actieve euthanasie een verklaring van natuurlijke overlijden wordt afgegeven, kan voorafgaand informeel overleg met de Officier van Justitie zinvol zijn.
Uiteraard zal de Officier van Justitie niet met zoveel woorden zijn fiat kunnen geven, maar hij kan in overleg wijzen op alle relevante factoren en op deze wijze de arts helpen tot een beslissing te komen welke - aldus het rapport van de Gezondheidsraad"altijd primair in het belang van zijn patiënt" moet zijn.
Overigens is het hoofdbestuur van mening dat bij een juiste opvatting omtrent de rechten van de patiënt en bij .een juist inzicht in de mogelijkheden van passieve vrijwillige euthanasie, slechts zelden actieve euthanasie zal behoeven te worden overwogen.
Het hoofdbestuur is zich ervan bewust dat bovenstaande opvattingen niet door allen in en buiten de medische kring als de enig denkbare en aanvaardbare opvattingen zullen worden beschouwd.
Toch meent het hoofdbestuur vanuit zijn visie op de problematiek zich op dit moment op deze wijze te moeten opstellen. Het heeft het vertrouwen dat vele artsen hierin steun kunnen vinden bij de moeilijkste beslissingen, waarvoor zij als arts komen te staan."
Uit de visie van het hoofdbestuur op het rapport van de Gezondheidsraad blijkt grote eerbied voor het leven te bestaan. Met het door het hoofdbestuur ingenomen.
standpunt zal ook de christen-arts zich mijns inziens in grote lijnen kunnen verenigen.
Ik wil thans uw aandacht vestigen op een zeer recent (januari 1973) in ons land opgerichte instelling, die propaganda maakt voor het wettelijk geoorloofd maken van de vrijwillige euthanasie.
Deze instelling draagt de naam: Stichting Vrijwillige Euthanasie en noemt zich ook wel: de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie.
Doelstelling en middelen van deze stichting worden in art. 2 van de statuten aldus geformuleerd.
De stichting stelt zich ten doel: 1 :1. de bewuste meningsvorming betreffend de problematiek van de stervensbegeleiding te bevorderen; b. voor de volwassen mens, die bij volle bewustzijn en in vrijheid voor zichzelf heeft beslist dat voor hem het sterven de voorkeur verdient boven een voortgezet geestelijk enlof lichamelijk lijden, de verwerkelijking van deze beslissing mogelijk te maken onder nauwgezet omschreven en ethisch verantwoorde omstandigheden en voorwaarden.
c. verdere mogelijkheden te scheppen en maatregelen voor te stellen waaraan behoefte blijkt te bestaan en die ethisch verantwoord zijn en nauwkeurig omschreven kunnen worden.
2 De stichting tracht dit doel.
te bereiken met alle wettige middelen, bij voorkeur in overleg met hierbij betrokken organisaties en instanties.
Men kan, indien men van deze vereniging lid geworden is, een zgn. “levenstestament" aanvragen met vier fotokopiën.
Aangeraden wordt om het originele exemplaar steeds bij zich te dragen, ook tijdens vakanties of in geval van opneming in een ziekenhuis, en het nimmer uit handen te geven.
Eén van de kopieën wordt geacht bestemd te zijn voor de patiëntenkartotheek van de huisarts.
De overige toegezonden kopieën zijn bestemd voor familieleden en ook andere vertrouwden.
Een vijfde kopie wordt door de vereniging geregistreerd en bewaard zodat, mocht dit nodig blijken, de wens van de betrokkene in alle omstandigheden verifieerbaar is.
In het begeleidende schrijven wordt vermeld dat het "levenstestament" te allen tijde herroepbaar is.
In dit begeleidende schrijven wordt tenslotte herinnerd aan één van de doelstellingen van de vereniging: Het wettelijk geoorloofd maken van de vrijwillige euthanasie. Tevens wordt aangedrongen op een wetswijziging in het Wetboek voor strafrecht.

In het "levenstestament", ook wel "de euthanasie verklaring" geheten, verklaart de betrokkene het volgende:

I Wanneer ik te eniger tijd door ziekte, ongeval, verzwakking, of welke oorzaak ook in een lichamelijke en/of geestelijke toestand kom te verkeren waaruit voor mij geen herstel tot een redelijke en waardige levensstaat te verwachten is, verzoek ik a. dat op mij geen middelen of technieken zullen worden toegepast die bedoelen de fysieke levensprocessen in mij te onderhouden of te verlengen; b. dat op mij geen middelen of technieken zullen worden toegepast die bedoelen mijn bewustzijn te onderhouden of op te wekken.
c. dat op mij euthanasie toegepast worde,

II Indien ik in een toestand als bedoeld onder I bij voldoende bewustzijn ben, gelieve de behandelend arts van mij een bevestiging van deze verklaring te verlangen; in geval ik geestelijk niet in staat ben aan zodanig overleg deel te nemen verzoek ik dat deze verklaring als mijn uitdrukkelijke wens opgevat worde.

Het moet voor ieder christen en christen-arts duidelijk zijn dat het lidmaatschap van een vereniging die een dergelijke grondslag en doelstellingen heeft, absoluut onaanvaardbaar is; hier wordt op een roekeloze en onverantwoorde wijze met het door God naar Zijn beeld geschapen menselijk leven omgesprongen, waarin de mens zichzelf centraal stelt en uit louter egoïstische motieven handelt, indien hij meent dat voor hem "het sterven de voorkeur verdient boven een voortgezet geestelijk en/of lichamelijk lijden".
Immers wie bepaalt de grens van wat “levenswaard", "zinvol" of "zinloos" mag heten? Waar komt men terecht als reeds hier een eerste stap wordt gezet? Ook in onze tijd is toch nog steeds geldig, dat het leven niet eigenmachtig door de mens mag worden afgesneden. "Mijn tijden zijn in uw hand", belijdt de Psalmdichter tegenover God in Psalm 31,6.
In zijn belangwekkende brochure schrijft Douma: "In een geseculariseerde samenleving valt het bijzonder zwaar aan het lijden nog enige zin toe te kennen. Wij willen ons daarvan zo veel mogelijk ontdoen. Lukt dat niet of niet voldoende met pijnstillende middelen, of is de weg van het ene pijnstillende middel naar het andere geestelijk een grote kwelling - waarom er dan geen zacht einde aan gemaakt?
Tegenover deze opvatting staat echter het getuigenis van de Schrift, dat wij niet alleen het goede maar ook het kwade uit Gods hand moeten willen ontvangen.
Het voorbeeld van de lichamelijk en geestelijk zwaar gehavende Job trekt hier een lichtend spoor.
Zijn vrouw kan hem oproepen God te 'zegenen' (eufemisme voor: vloeken) en zo te sterven, maar hij verklaart haar taal als van een zottin afkomstig, Job 2, 9 v.
Eerlijk bekent hij: Wat is mijn kracht, dat ik zou kunnen wachten, en wat is vooruitzicht, dat ik nog langer zou willen leven?, Job 6, 11. Maar hij belijdt ook voor het forum van de kwellende vrienden: Wie weet niet, dat de hand des Heren dit doet, in wiens hand de ziel is van al wat leeft en de geest van ieder sterveling?, Job 12, 9, 10.
Wij kunnen met onze kortzichtigheid binnen de beperkte horizon van wat wij zinvol en zinloos plegen te noemen, het lijden gemakkelijk elimineren. Maar wie met Job belijdt, dat de geest van ieder sterveling in Gods hand is, zal zich van het door Hem gezonden lijden niet lichtvaardig ontdoen.
En dat gebeurt waar wij - al is het met de beste bedoelingenopzettelijk en acuut aan het leven van een ongeneeslijk zieke vanwege diens lijden een eind maken.
Wij moeten het lijden niet uit ons leven wegdringen.
Wie dat gestroomlijnd en effectief voor zichzelf en zijn medemens tot. en met het dodende spuitje wenst te doen keert zich in feite toch tegen de Christus, die in Jesaja 53 getekend wordt als de lijdende knecht des HEREN, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, j a als iemand voor wien men het gelaat verbergt, vs.
3.
Wij kunnen wel proberen de stem van de zuchtende creatuur te smoren, Rom. 8, 18 vv., maar daarmee staan wij niet meer in het spoor van Hem die onze smarten gedragen heeft, Jes. 53, 4. Paulus elimineert het lijden van deze tegenwoordige wereld niet, maar relativeert het wanneer hij zegt dat het lijden niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden, Rom. 8, 18 vv.: 2 Cor. 4, 17; Phillipp. 3, 10.
In de kontekst van de hier geciteerde gedeelten wordt inzonderheid op het lijden gewezen, dat de christen overkomt wanneer hij tegenstand in deze wereld ontmoet omdat hij achter Christus aan wil. Voor dàt lijden kunnen de konsekwenties in de scherpste bewoordingen gesteld worden: het is beter verminkt of kreupel ten leven te gaan dan met twee handen of voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden, Matth. 18, 8.
Maar waarom zou ook van het lijden dat met de atbraak van ons leven meekomt en de laatste fase in ons leven zo kan drukken, niet gelden wat in die scherpe woorden van 'verminkt en kreupel' de evangelische achtergrond is, nl. dat wij onze tanden op elkaar moeten zetten, omdat na een korte beproeving eeuwige vreugde ons deel zal zijn?"
Ik kan de woorden van Douma: "Wij menen, dat het standpunt om elke opzettelijke en acute beëindiging van een mensenleven af te wijzen - zoals het tot voor kort door de christelijke ethici werd ingenomen - gehandhaafd dient te blijven", geheel onderschrijven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief