TERUGVALLEN OP GOD
1974-08-09
Voor we in de verleiding komen, Paulus te verdenken van luchthartigheid of van grenzenloze zelfoverschatting, omdat hij er zo vast van overtuigd is dat hij overal wel tegen kan, ontdekken we dat hij van al die dingen die hem bedreigen als eerste de dood noemt. En je mag nog zoveel bravoure hebben, maar tegen de dood begin je niets.- Jaargang 18
- nummer 28
Het is niet erg waarschijnlijk dat Paulus dat niet door heeft gehad.
We kunnen het nog beter anders zeggen. Paulus begint dit triomfantelijke woord met de erkenning: ik ben eigenlijk een grote stumper, want tegen de dood kan ik in elk geval niets beginnen.
Daarmee wordt tegelijk iets anders duidelijk: het woord "dood" dat voorop gaat kleurt al die andere woorden die volgen. De dood is onoverkomenlijk?
Ja, maar dan is het leven ook onoverkomenlljk, En dan zijn alle machten waartegenover je vandaag, tijdens je leven, komt te staan, vol van de dood. De dood is je te sterk? Maar dan is ook het leven je te sterk Paulus begint dit triomfantelijke woord met de erkenning van zijn totale machteloosheid.
Het is dan ook een heel vreemde overwinning die hier in zicht komt.
De overwinning van een volstrekt machteloos mens. De overwinning van iemand die er helemaal geen gat in ziet. En die dan zegt: en toch!
Ja maar ik kom het toch allemaal gemakkelijk te boven.
In een van de moderne bijbelvertalingen die de laatste jaren verschenen zijn staat bij deze bijbeltekst een foto. De foto van een klein jongetje dat zo maar uit de blauwe lucht naar beneden komt vallen.
Dat zou natuurlijk een vreselijke foto zijn, als onder dat vallende jongetje niet de uitgestrekte handen van zijn vader te zien waren,handen die klaar zijn om te vangen.
Dat is het soort overwinning dat Paulus bedoelt. Je kunt in de meest extreme noodsituaties komen. En daar kom je ook gegarandeerd in.
Zo is het leven nu eenmaal. Vol van de dood en van de ondergang.
Het is eigenlijk niet te leven. Je tuimelt naar beneden, de afgrond in.
Maar de handen van je vader zijn al naar je uitgestoken. Hij grijpt je vast. En hij houdt je vast. Want niets, zelfs de meest radicale val omlaag niet, niets kan komen tussen hem en jou. Zo lief heeft hij je en zo sterk is zijn liefde.
In die verschrikkelijke val naar beneden is dat jongetje op de foto meer dan overwinnaar. Hij komt die val gemakkelijk te boven. Ja, maar alleen omdat zijn vader er is, en omdat zijn vader voor hem klaar staat. Hi] kan, volslagen weerloos, terugvallen op zijn vader.
Gelukkig maar, dat dát het wezenlijke is van Paulus' overwinning.
Hij spreekt niet voor zichzelf alleen, omdat hij zo sterk is. Hij spreekt voor ons allen, sterken en zwakken, voor mensen die niet klein te krijgen zijn en voor hen die er al heel gauw geen gat meer in zien. Voor grote, sterke mensen en voor kleine kinderen. Voor ons, die er geen van allen tegen op kunnen, tegen de dood niet en tegen het leven niet. Tegen cynisme en grofheid niet. Tegen gijzelingen en flatwoningen niet. Tegen "dit alles" niet.
Ja, zegt Paulus, dat is allemaal waar. En daar gaat niets van af. Maar hoe desastreus het allemaal ook mag zijn, - het is nooit zo verschrikkelijk, nooit zo doorslaggevend, nooit zo definitief dat het een weerloos kind kan scheiden van Gods liefde. Want Gods liefde is altijd nog sterker. En Gods liefde heeft een nog langere adem. En Gods liefde is nog radicaler. Het kan helemaal gedaan zijn met ons. Maar God is er. En Jezus leeft. En Jezus is werkelijk overwinnaar.
Wij hebben onze plannen voor vanavond en voor morgen al weer klaar liggen. We zullen dit en dat wel eens eventjes doen. We maken er wel wat van. Echt, ze krijgen ons zo gauw niet klein.
Misschien dat God ons wel klein krijgt. Door het geweld van zijn liefde.
Doordat Hij het ons laat weten: ik sta toch voor je klaar. Ik vang je op. Je valt, maar je valt terug op Mij.
Want als dat werkelijk tot ons doordringt, dan kan het niet anders, of dan worden wij, grote, sterke mensen, als kleine kinderen. Die, krimpend van pijn, gekneusd en aangerand, levend en stervend, toch binnengaan in het rijk van Christus en van God.