Rondom de kwestie dr Wiersinga
1974-08-16
Wij hebben in "Opbouw" reeds enkele malen geschreven over het conflict dat ontstaan is naar aanleiding van de gevoelens van dr Wiersinga over de verzoening van de mens met God. Het gaat daarin namelijk over een kwestie die voor het leven van de kerk van het allerhoogste belang is. Dr Wieringa verwerpt namelijk de confessionele en - wat meer zegt - de Schriftuurlijk prediking dat Christus in onze plaats in het gericht Gods is gekomen, ons vrijgekocht heeft van de vloek der wet door zelf voor ons een vloek te worden, en zo de last van de toorn Gods over onze zonden gedragen en ons daarvan verlost heeft. En dat op die wijze, in die weg, God de wereld met zichzelf verzoent.- Jaargang 18
- nummer 29
Dr Wiersinga wil ongetwijfeld wel van een verzoening van de mens met God weten. Maar naar zijn overtuiging is daarvoor geen voldoening aan het recht van God door de zelfofferande van Jezus Christus in onze plaats nodig. Die verzoening komt z.i. tot stand doordat Ohristus in zijn kruisdood de macht van de zonde en de schuld doorbreekt en de mensen door die kruisdood "geschokt" worden, ten gevolge waarvan een diepgaande verandering, een nieuw leven in hen tot stand komt.
Voorts verbindt dr Wiersinga de verzoening tussen God en de mensen op zo'n wijze aan de verzoening tussen de mensen onderling dat de verzoening van ons met God niet "af" is als het niet komt tot dié verzoening tussen de mensen onderling.
Hij verdedigde in een "leerdienst" van de kerk van Amstelveen-Zuid onlangs de stelling "De verzoening van God met de mensen is NIET af zonder daadwerkelijke verzoening onderling."
Op deze wijze wordt de verzoening van God met de mensen afhankelijk gemaakt van de verzoening tussen de mensen onderling!
Terecht poneerde een opponent van dr Wiersinga tegenover de genoemde stelling het volgende: "De verzoening van God en mensen is WEL AF, maar impliceert onze daadwerkelijke verzoening onderling." Dat wil zeggen: als wij werkelijk met God verzoend zijn door het offer van Christus dat Hij voor ons, in onze plaats, bracht dan moet het óók komen en dan komt het ook inderdaad tot een verzoening met onze naasten.
Als wij waarachtig geloven dat wij met God verzoend zijn door het kruisoffer, de dood van onze Heer Jezus Christus, dan drijft dat geloof ons onweerstandelijk uit tot de verzoening met onze naasten. Als het tot die verzoening niet komt moeten wij goed weten dat wij niet waarachtig geloven met God verzoend te zijn door de dood van zijn Zoon. Dan is ons geloof in die verzoening een "dood geloof".
Maar de verzoening die God met de mensen tot stand brengt door het bloed van zijn Zoon hangt uiteraard niet van ons geloof af!
Ons geloof verandert aa de verzoening die God door de vloek van onze zonden op Christus te laten neerkomen niets. We krijgen er daardoor alleen geen deel aan.
De synode die zich met deze zaak heeft bezig gehouden overwoog o.a.: "naar de boodschap van het evangelie heeft Christus in onze plaats het gerucht Gods gedragen, daarom maakt dat belijden een essentiëel bestanddeel uit van de verzoeningsleer der confessie, zodat een ontkenning hiervan te kort zou doen aan de rechte prediking van het evangelie der verzoening.
Voorts overwoog de synode dat er verschil van opvatting bestaat tussen de synode en dr Wiersinga met betrekking tot de wijze waarop de verzoening tussen God en de mensen tot stand komt."
Zij formuleerde dat verschil aldus: "a. dr Wiersinga stelt: ,deze verzoening wordt bereikt, doordat Christus als de nieuwe door God gegeven mens de macht van de zonde en de schuld doorbreekt, en ons door de Geest de weg opent waarlangs ook wij het nieuwe leven kunnen binnengaan.
Alleen met inachtneming van wat onder b volgt kan de synode met deze formulering instemmen: b. de synode belijdt, dat deze verzoening bereikt wordt doordat Christus het gericht Gods in onze plaats heeft gedragen."
Daarbij overwoog de synode ook nog dat dr Wiersinga "de synode vanuit de Heilige Schrift er niet van heeft kunnen overtuigen, dat zijn bezwaren tegen de leer dat Christus in onze plaats het gericht heeft gedragen steun vinden in de Heilige Schrift."
En de synode sprak daarna uit dat ,,zij blijft bij de belijdenis der kerk ten aanzien van de aard van het plaatsbekledend verzoeningswerk van Christus, ook als het dragen van het gericht van God."
Uit dit alles kon uiteraard' maar één juiste, wettige conclusie getrokken worden. Deze namelijk dat in de Gereformeerde Kerken niets mag worden geleerd dat in strijd komt met de boodschap van het Evangelie dat Christus in onze plaats het gericht Gods gedragen heeft.
Helaas dat heeft de synode niet gedaan.
Ze heeft - dat is de essentie van haar besluit - alleen maar "een ernstig beroep" op dr Wiersinga gedaan om naar het oordeel van de synode te luisteren, hem "verzocht" zich nauwgezet te willen bezinnen over de vraag of zijn confessionele en theologische positiekeuze niet herziening behoeft, en de "verwachting" uitgesproken dat hij in zijn ambtelijk werk het belijden der kerk.
Dit is een beslissing die zeer te betreuren is.
De zaak waar het in de kwestie-Wiersinga om gaat is van allerbeheersende betekenis voor de kerk. Ja, het is een zaak van leven of dood.
Het gaat daarbij waarlijk niet om een theologische kwestie! De kern van het Evangelie is daarbij in geding. Want het gaat daarin om de vraag: Was het noodzakelijk dat Jezus Zichzelf, als het Lam Gods de zonde der wereld, onze zonde, wegdraagt, opoffert aan het kruis? Konden Gods gerechtigheid en zijn barmhartigheid in deze wereld alléén openbaar worden, alléén onze verlossing bewerken, doordat Christus in onze plaats de toorn van God over onze zonde droeg? Kon de verzoening tussen God en de mensen, die geheel en al Gods werk is, het werk van Zijn genade, alléén tot stand komen doordat Christus ons "vrijgekocht" heeft van de "vloek der wet" - van die wet die wij dagelijks met gedachten, woorden en daden overtreden - door Zelf een vloek te worden? (Gal. 3 : 13) Is het waar dat God Christus tot een "zoenoffer in zijn bloed" gesteld heeft voor wie geloven om zó zijn gerechtigheid - de vrijspraak van onze zonden - te tonen? (Rom. 3 : 24) Is het waar dat God Christus voor ons "tot zonde gemaakt heeft" (2 Kor. 5: 2) en dat onze Heiland zó "in zijn eigen lichaam" onze zonden op het kruishout heeft gebracht, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven?
(1 Petr. 2 : 24) Kort gezegd: Kàn, màg de kerk nog zingen: "Welk een vriend is deze Jezus die in onze plaats ging staan"? En "Jezus, Uw verzoening sterven blijft het rustpunt van ons hart"? Zullen wij eenmaal nog kunnen zingen: "Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed"? (Openb. 5: 9)