LANDJUWEEL
1974-08-23
- Jaargang 18
- nummer 30
Ha, dat is een gek woord. Dat bekende lied: "Holland met je malse wei" en wat daar verder volgt, eindigt met een op hoge toon uitgejubeld: "Holland is een landjuweel!" En niets is minder waar. Want een landjuweel is niet een juweel-van-een-land, maar een ontmoeting, speciaal van culturele aard. In vorige eeuwen hielden rederijkers, welbespraakte lieden, wedstrijden in de. eloquentie. Dat heetten landjuwelen.
In België wordt het woord nog gebruikt, voor toneelwedstrijden, En als we vandaag dat woord gebruiken bedoelen we er mee: een cultureel-sociale landdag, zoals die zich eind mei in Uddel afspeelde op de historische Hunenschans.
Ja, dat was me een Veluws feest van kleuren en geuren, van ambachten en vrije kunsten, van paarden en schapen, van kraampjes en bezienswaardigheden, van ingetogen jolijt tot uitbundige pret. Alles gegroepeerd rondom het historische schapen-scheren, welk jaarlijks feest (u zie naar de geschiedenis van Nabal) als een vroegzomers oogstfeest wordt gevierd. De eeuwen door reeds werd gevierd.
Het Veluwse schaapscheerdersfeest, door zo'n elfduizend lieden bijgewoond, bleek het centrum te zijn van ponywedstrijden. concourswerk, paardenbeslaan, wolspinnen, weven, glasblazen, klompenmaken, mattenvlechten, calligraferen van teksten en miniaturen, kortom van al die schone en nuttige - en in elk geval historisch waardevollezaken en gebruiken, die de afstand van "de goede oude tijd" tot het harde, materialistische heden aangeven. Jawel, in deze tijd van "terug naar de natuur", staat de mens verder van de natuur af dan ooit. Zelfs de ",geruste landman" kent nu zijn harde acties, zijn barricades en zijn protestmeetings. En de hardste roepers, die terug naar de natuur willen.
bezorgen de boer overlast en gebruiken de eeuwenoude bossen alleen als coulissen voor hun kamperen en barbekjoeën. Maar voor hen zingt een vogelijn op groene tak; zij zien geen hagedis; zij ruiken geen hars.
Welnu, op het Uddelse schaapscheerdersfeest. het Veluwse landjuweel, was mede een groep jachthoornblazers uitgenodigd. Want ook die kerels bestaan, jachthoornblazers. Als ze disputeren willen gaat het over de vraag: of ze blazende jagers dan wel jagende blazers zijn. Maar ze willen niet eens disputeren. Ze willen blazen. Ze willen die schone weidelijke jachtgebrulken doen herleven, waarbij de jacht eeuwenlang een ridderlijk gebeuren is geweest.
Vandaar dat ook een groep jachthoornblazers was genodigd. Om het landjuweel op te luisteren met koperen klanken, zingende fanfares, tonen die met hondengeblaf en hijgende herten verbonden zijn. Die groep werkte graag mee, onder beding dat een van hen een ogenblik de microfoon zou vasthouden, om daar iets over jacht en natuurbeheer te vertellen. Wij zijn in de unieke gelegenheid, zijn verhaal nagenoeg woordelijk weer te geven. En doen dat dan ook maar.
"Dames en heren, zojuist hebt u de jagersgroet gehoord: het hoornsignaal, waarmee jagers elkaar begroeten. Vandaag hebben de jachthoornblazers een groet gebracht. Want in dit weidelijke feest, in deze schone landelijke omgeving, behoren ook de jagers thuis.
U bent hier op historische bodem. De alleroudste opgravingen zijn in deze omgeving geschied. Reeds 3500 jaar geleden is op de Veluwe menselijke beschaving geweest.
Geen wonder, dat de alleroudste roman in onze taal: De Schaapherder van J. F. Oltmans, de Hunenschans en het Uddelermeer al noemt.
Die roman speelt in de 15e eeuwen gaat over de bisschop David van Bourgondië, over Jan van Schaffelaar, over Perrol met de Rode Hand en over de Schaapherder.
Wanneer u vandaag in deze omgeving belangstelling toont voor de oud-hollandse ambachten, voor het schaapscheren. voor stoelenmatten, klompenmaken. voor de Oudheidkamer van Uddel en voor alle andere twaalf ambachten (zonder ongelukken) - dan hóórt hier de jacht bij. En vooral de luister van de jacht; het ceremonieel van de jacht.
Want in vroeger eeuwen was de Veluwe een aaneengesloten vorstelijk jachtgebied, dat aansluiting had op de Westduitse vorstelijke gebieden.
Er werd één jachttaalgesproken, die bij de jagers van heden nog in allerlei termen opduikt. Ik bedoel niet het jagerslatijn van de snoevers - maar de weidelijke taal van goede jagers.
De hertenjacht en de valkenjacht waren, in de eeuwen van de Oranjeprinsen en later van de Franse Lodewijken, vorstelijk privilege.
Het edelhert heeft zijn naam aan de adel te danken, die het privilege van de jacht op dit soort wild had. Maar heel het landvolk was er mede bij betrokken. Het ging immers om de wildschade aan de landbouwgewassen; het ging om de koningswegen of jachtwegen die u hier in Uddel heel goed kent, en die het verkeer tussen mensen en dorpen mogelijk maakten. En veel jachtpersoneel was bij die vorstelijke jachten betrokken.
Dat is in onze democratische tijd wel wat veranderd. Vandaag kunnen veertig duizend Nederlandse jagers aan de jacht deelnemen - hoewel er nog altijd een vorstelijke jacht binnen het Kroondomein overblijft.
En zeer veel jachtpersoneel vindt zijn boterham in dit vak, waarvan ze niet eens weten of ze voor hun werk of voor hun hobby leven.
Die jagers! Ze worden in ons land niet altijd even sympathiek bejegend.
In deze tijd van groeiend besef voor onze natuur bestaat grote bezorgdheid voor alles wat leeft: voor flora en fauna. Dat is op zichzelf wel goed en fijn. Maar laten we even de jagerij op zijn plaats mogen zetten, waar die behoort: namelijk als sluitstuk van een verantwoord natuurbeleid.
Een jager is maar niet een mannetje met een geweertje, dat alles neerpaft wat daar loopt, vliegt en rent. Een jager heeft de verantwoordelijkheld voor het evenwicht van zijn wild bestand. Sedert de grote roofdieren als beer, wolf en lynx verdwenen zijn is het de jager, die de soorten op de been houdt. Hij voedert en verzorgt, bewaakt en selecteert, ruimt het zieke wild op en zet vers bloed uit. En als alles dan goed gaat, oogst hij op zijn tijd een bescheiden deel van zijn wildstand - maar laat voldoende wild over voor het voortbestaan van zijn veld. De wet staat in dezen naast hem: die gebiedt hem het schadelijk wild kort te houden en verbiedt hem, het andere wild al te zeer te bejagen.
Het vorig jaar kwam een boek uit van onze jachtfotograaf Fred. Hazelhof.
Het heet "Dierenrijk Nederland". Het werd in 75.000 exemplaren binnen twee weken uitverkocht. Ieder van ons wilde meegenieten van de kostelijke foto's, van het boeiende leven in Nederland's jachtvelden.
Want allemaal hebben we die atavistische trek naar de natuur: naar primitieve vreugden, simpel wonen, natuurlijk eten en drinken en gerond en blij zijn.
In ons hart zijn we allemaal jagers. De een jaagt op geld, de ander op eer, de derde jaagt op een gelukkig leven, de vierde jaagt op postzegels, de vijfde jaagt op vrouwen (zegt men) en de jager jaagt op het ongrijpbare wild.
Maar al deze jagers jagen op idealen. Ze zijn idealisten. Ze willen de volkomenheid zien te bereiken. Ze stellen zichzelf hoge eisen. En ze stellen zichzelf strenge regels. Want elk spel, elke sport kent zijn regels, zijn erecodes.
Zo ook de jagers. Zij zijn het, die zorgen dat u op de Veluwe herten kunt zien, reeën, vossen en dassen zelfs, konijnen en hazen, ontelbaar.
Zij zijn het, die de duizend wilde varkens verzorgen, welke u met wat geluk hier kunt zien. Zij zorgen ... dat u hier leeft in een dieren-rijk Nederland.
Want ons land, dat nauwelijks nog plaats biedt aan nieuwe inwoners, is rijk aan dieren. Niet ondanks de jagers - maar dank zij de jagers.
Vindt u dat sterk gezegd? Dan noem ik u twee dingen. Eerst dit: tegenover elke jager in ons land staan twintig vissers in ons land. Hoort u daar ooit een kwaad woord over? - En de tweede opmerking is deze. Er is een wetenschappelijk-biologisch axioma dat zegt: wildsoorten, die niet meer bejaagd worden, sterven uit!
Wilt u daar eens over nadenken? Morgen misschien?
En tenslotte nog iets over de jachtmuziek. Van oude tijdere-af hebben over de Veluwe het hondengeblaf en de jachthoorn geklonken. In ons koninklijk wapen is deze jachthoorn zelfs opgenomen. Bij een historisch feest als vandaag in Uddel heeft ook de jachthoorn zijn functie.
Hier blazen jagers van het Kroondomein en andere, samen vormende de afdeling Vierhouten van de Nederlandse Vereniging van Jachthoornblazers.
U hebt de fanfare Begroeting gehoord. Nu meteen blazen enkele mensen van ons de Réveille. Daarna blazen we samen enkele Dood-signalen: dat zijn fanfares, die voor elke wildsoort afzonderlijk een eerbewijs vormen. Het zijn de signalen Hert Dood, Ree Dood. Varken Dood en Veerwild Dood. U zult bemerken dat al deze Dood-signalen eenzelfde refrein hebben, waaraan ze als Dood-signaal te herkennen zijn. Het zijn eeuwenoude en internationale signalen.
Straks, bij de vossenjacht-op-ponies en bij de afsluiting, zullen wij nog enkele fanfares blazen. Dat zijn de fanfares Vos Dood. Trofeeënshow, Jacht Voorbij en Haláli. Intussen veel dank voor uw aandacht".
Zo was het landjuweel van Uddel, op de Hunenschans, in de bloeimaand van het jaar onzes Heren negentienhonderdvierenzeventig.
Een feest van kleuren, geuren en klanken. Ongecompliceerd en nauwelijks georganiseerd - maar vlekkeloos, massaal en natuurlijk.
Een grootscheepse confrontatie van cultuur en natuur. van heden en verleden; van stedelingen en landvolk. Alles overgoten van gouden zonlicht: een glimlach van 's Heeren genä, zegt de dichter.