De hand van de dichter (1)
1974-08-23
Onder deze titel schreef Marie H. v. d. Zeyde een boekje over het leven en het werk van haar vriendin, de dichteres. Ida Gerhardt.- Jaargang 18
- nummer 30
Ida Gerhardt is wel het meest bekend door haar gedicht:
Het Carillon
Ik zag de mensen in de straten
hun armoe en hun grauw gezicht, ...
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokketoren
na 't donker-bronzen urenslaan
ving over heel de stad te horen
de beiaardier te spelen aan
Valerius: …een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
"Wij slaan het oog tot U omhoog".
En één tussen de naamloos velen
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luisteren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad ...
Nooit heb ik wat mij werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad
Ook kennen velen haar door het gedicht:
De mantel
Met uw zwarte mantel aan
door de witte sneeuw gegaan:
aan het einde van de laan
ligt het wit gesticht.
Met uw zwarte mantel aan
door de witte gang gegaan
in het naakte licht.
Met uw zwarte mantel aan
hebt gij aan de wand gestaan,
door uw kinderen gericht,
die gij baarde
naakt in 't licht.
Toen uw mantel werd ontdaan zijn we heengegaan.
Als er één iets over Ida Gerhardt vertellen kan. dan is het wel Marie v. d Zeyde. Zij kent haar vanaf de eerste klas van het gymnasium en ze is nog altijd met de, bijna zeventigjarige, bevriend.
Samen hebben zij de psalmen uit de grondtekst vertaald. een gigantisch werk, waarvoor Ida Gerhardt zo'n twintig jaar geleden nog Hebreeuws ging studeren.
"De hand van de dichter" is dan ook een biezonder boeiend boekje geworden. Je leert er de dichteres en daardoor de achtergrond van haar werk, beter door kennen.
Ida Gerhardt werd 11 mei 1905 te Gorcum geboren. Haar vader was daar direkteur van de ambachtschool. Hij had een snelle carrière gemaakt, maar was een bescheiden mens gebleven.
Met haar moeder lag dat anders Die scheen revanche te moeten nemen op vele moeilijkheden uit haar jeugd. Zij probeerde althans op alle mogelijke manieren haar drie dochters, waarvan Ida de middelste was, naar haar hand te zetten.
Ida heeft het daar heel moeilijk mee gehad. Dat kun je goed merken in de gedichten onder de verzamelnaam: "In memoriam matris" (ter nagedachtenis van moeder). In het "Sonnet voor mijn moeder"zegt ze in de laatste strofen:
Machtig zijn wij in liefde en in haat.
Gij hebt u doodgehaat, hatend het meest
uzelve, om de liefde die gij schond.
Ik ben genezen van het bittere kwaad.
En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:
van mijn talent de donkre moedergrond.
Toen zij van het gymnasium kwam ging zij klassieke letteren studeren, eerst in Leiden, later in Utrecht. Zij slaagde in 1933 voor haar doctoraal examen.
In de sombere jaren '30, gekenmerkt als zij waren door de werkloosheid, was het niet eenvoudig een baan te krijgen. Het lukte Ida pas na vier jaar. In 1937 werd zij tijdelijk benoemd tot lerares aan het gymnasium te Groningen en in 193~ ging zij naar Kampen, waar zij een aanstelling had gekregen als docente aan het lyceum In 1942 promoveerde zij, cum laude, tot doctor in de klassieke letteren.
Haar eerste verzenbundel "Kosmos" verscheen in 1940.
Daarin staat een gedicht met de titel "In memoriam", een vers ter gedachtenis aan de dichter J. H. Leopold.
Van hem heeft ze op het gymnasium les gehad en er was een sterke band gegroeid tussen haar en de, veel oudere en erg gesloten, dichter.
Marie v. d. Zeyde vertelt hiervan: "Er heeft in die jaren iets bestaan wat men niet anders kan noemen dan een vriendschap Natuurlijk een vriendschap op een voet van ongelijkheid: hij was een kunstenaar op het hoogtepunt van zijn scheppend vermogen, zij een kind dat zwaar met zichzelf in de knoop zat. Zij waren - merkwaardig genoeg - op één dag jarig, maar zij scheelden precies veertig jaar. Maar wat de jongere alm hun wandelingen en gesprekken beleefde, is nauwelijks voor te stellen."
Van die wandelingen en die gesprekken klinkt iets na in genoemd gedicht, dat zij maakte na de begrafenis van Leopold.
In memoriam
Met duizend fijne zaden
ving het te sneeuwen aan,
de ongerepte paden
ben ik alleen gegaan.
Roerloos ligt het volkomen
herschapen land om mij, .. ,
die mij werd weggenomen
nu is hij zo nabij,
als nadert een ontmoeten
in deze sneeuwen laan, ...
ik zie het spoor der voeten
waar wij tezamen gaan.
In dit "doodstille" vers zie je haar lopen over de vers besneeuwde paden. Als haar blik over de velden gaat komt de herinnering aan de vroegere wandelingen met onweerstaanbare kracht naar boven. 't Is of ze weer samen lopen, sterker, ze gaan samen verder.
Nu, dat zijn ze ook dn zekere zin, want in het werk van Ida Gerhardt, hoe eigen geaard ook, ontdek je toch iets van de dichter Leopold.
Ook hij, de eenzame (het meisje waarvan hij hield trouwde met zijn broer) spreekt onnavolgbaar van de liefde en van het gemis Hoe prachtig is van Leopold het gedicht over de stervende, die, ondanks haar hevige pijnen, nog spreekt van haar liefde.
En een stem verwezen en ingezonken
en die nog stervende aanbad:
ik heb zo zielsveel van je gehouden
ik heb je zo lief, zo lief gehad.
Als Ida Gerhardt terugdenkt aan een gestorvene waarvan ze heel veel gehouden heeft, dan dicht ze:
De Gestorvene
Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten,
zeven maal, om de éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren,
wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan ...
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
Tot zover, deze week. Volgende week graag nog iets over dit boekje en over de dichteres