Het trefwoord "verbond"
1974-08-30
Onze kerken ondervinden op het ogenblik moeite om aan hun onderlinge verbondenheid nadere vorm te geven. Dit is aan ieder die meeleeft bekend. "Kerknieuws" van 12 juli houdt zich er ook mee bezig en laat weten dat de kerkeraad van Doom de zusterkerk (bedoeld zal zijn de zuster kerken) erop heeft gewezen dat het mogelijk is een verbond van zelfstandige kerken te vormen in plaats van een synodaal verband.- Jaargang 18
- nummer 31
Deze kerk ziet zulk een verband of federatie als een uitweg uit de impasse, waarin we ons als kerken momenteel bevinden.
Wat is echter de zaak?
Volgens het gereformeerde kerkrecht zoals wij dat kennen - niet in zijn afwijkingen maar in zijn zuivere aard - is het verband der kerken juist zulk een verband van zelfstandige kerken. Dit kerkverband - hoezeer voortvloeiend uit de geestelijke eenheid - is in kerlkrechtelijke zin geheel vrijwillig.
Geen kerk kan een andere kerk tot toetreding dwingen en ook de staat kan dat niet.
Met grote duidelijkheid hebben o.a. dr F. L. Rutgers en Jhr. mr A. F. de Savornin Lohman dit in het licht gesteld in hun boek over de rechtsbevoegdheid van de plaatselijke kerken. De grote kwestie t.o.v. hun opponenten in de Hervormde Kerk was welke het karakter is van het Gereformeerde kerk verband.
Is dat laatste eene confoederatie, of is het een hiërarchie?" - zo omschrijft prof. Greijdanus de kwestie van die dagen. Dat was ook de kwestie in de tijd, waarin Greijdanus schreef. Ik citeer uit De Reformatie van 2 juni 1939.
Hier duikt het woord confoederatie op als een typering van het Gereformeerde kerkverband. Het heeft dezelfde betekenis als federatie of verbond en als zodanig komen we het slag op slag tegen bij de schrijvers over de gereformeerde kerkregering ter kenschetsing van het Gereformeerde kerkverband. Dat is een federatie, een confoederatie, een verbond van vrije, zelfstandige kerken, die vrijwillig zijn samengekomen op de grondslag van dezelfde belijdenis. 1)
Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn dat wij geen enkel bezwaar hebben tegen de voorslag van de kerkeraad van Doorn een verbond van zelfstandige kerken te vormen. Maar waar we op willen wijzen is dat dat zulk een verbond op zichzelf geen tegenstelling vormt met een synodaal verband.
Alles hangt hier af van de aard van het verbond of de federatie.
Het is in zichzelf denkbaar een verbond van kerken te sluiten, waarin men zijn rechten en vrijheden prijs geeft, maar dan heeft men al niet meer een verbond van zelfstàndige kerken, Het gereformeerde systeem van kerkelijke organisatie heeft daar nooit van willen weten. O.a. het bekende art. 31 uit de Kerkorde is een dam, opgeworpen tegen de overheersing van de zelfstandige kerken door elkaar en handhaaft de vrijheid onder het Woord en volgens de vrijwillig overeengekomen orde. Art. 85, vroeger art. 1 waakt eveneens over de zelfstandigheid van de kerken van Christus: Geen kerk zal over andere kerken ... enige heerschappij voeren.
Daarmee is niet gezegd dat in de historie altijd de hand is gehouden aan deze artikelen en dat er geen misbruiken zijn geweest. En evenmin dat de kerken in wèlk verbond of welke correspondentie ook niet altijd waakzaam hebben te zijn, met name tegen all hiërarchie, maar het gaat nu niet over wat de boosheid der mensen kan doen, maar over de structuur van de samenleving der kerken als zodanig.
In geen enkel verband mag de zelfstandigheid .der gemeente weggenomen worden en haar vrijheid onder het Woord worden beknot.
Maar er is ook geen enkel samengaan, hoe dan ook, mogelijk, tenzij men als kerken naar elkaar wil luisteren en een bepaalde inschikkelijkheid opbrengt om samen te werken, Er is in deze wereld geen enkele samenwerking - waar ook - mogelijk zonder deze inschikkelijkheid. Als ieder zijn eigen zin wil hebben kan men slechts afzonderlijk optrekken.
Dat moet bij elk verbond bedacht worden, Dat is. in het huwelijk zo en ook in het kerkelijke samenleven. Zelfs in het plaatselijke gemeenteleven. Nooit mag deze inschikkelijkheid zover gaan dat men gaat handelen tegen het Woord van God in, maar wat de Schrift zegt over de ene mijl en de twee mijlen voor de persoonlijke omgang, geldt met verandering van wat gewijzigd moet worden toch ook voor het kerkelijk samenleven, Matth. 5: 41, nl. de inschikkelijkheid met name in praktische aangelegenheden.
Het woord praktisch is hier wellicht wat vaag, maar ik bedoel er mee aangelegenheden, die de vrijheid der plaatselijke kerken niet raken en denk aan kwesties als opleiding van studenten, examinaties van candidaten, wijze van vergaderen en meer zaken van dergelijke aard. Ook al zit er uiteraard een principiële kant aan, ik denk nu in het bizonder aan de praktische vormgeving daarvan.
Elk verbond berust op en vraagt bepaalde afspraken. Dat is nu eenmaal eigen aan een verbond.
Het bestaat uit de regeling van wederzijdse rechten en verplichtingen.
Aan het gereformeerde kerkrecht is eigen dat de grondslag van het verbond der kerken ligt in de door alle deelnemers beleden waarheid van het Woord van God en dat verder het getal der regelingen zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Daarbij werd dan ook nog sterk gelet op wat tijd en omstandigheden eisten, natuurlijk altijd in gebondenheid aan Bijbelse normen en gegevens. Van een onveranderlijke bundel regelingen heeft de gereformeerde kerkorde nooit willen weten. Ze heeft die in een van haar slotartikelen nadrukkelijk afgewezen.
En in haar geschiedenis waren de gereformeerde kerken stipter in het vasthouden aan de belijdenis dan aan de bepalingen van de kerkorde, zegt Rutgers ergens.
Vanzelfsprekend gold dat dan de meer praktische bepalingen. Want er is in het Kerkrecht ook een Goddelijk recht, dat duidelijk beschreven is en waaraan niet mag getornd. Daarover een volgende keer.
1) Een paar citaten mogen dit bevestigen, Sprekend over het fundament van classis of synode zegt Voetius, dat dit dubbel van aard is, nl. van een eerste en van een tweede instelling.
De eerste (illud) is het goddelijk recht (ius divinum), ons geopenbaard in de regelen en voorbeelden van de regering der apostolische kerk, Hand. 15. 2 Cor. 8 (waarover beneden). Het tweede (istud) is de wederzijdse toestemming van de kerken tot zulk een correspondentie en confoederatie ... enz. (onderstreping van m . G.J.) De woorden correspondentie en oonfoederatie komen bij Voetius herhaaldelijk naast elkaar voor, ed. Rutgers. pag. 250, 251.
"In de Nederlanden is het kerkverband der Gereformeerde Kerken tot stand gekomen ongeveer op dezelfde wijze als waarop het 15 eeuwen vroeger oorspronkelijk in de Christenheid was gevormd: door vrijwillige confoederatie der plaatselijke kerken zelve." En wel "alleen door inwendige drang en uit motieven van geestelijken aard." A.w. van Rutgers en De Savornin Lohman, pag. 188, 189. Zie ook pag. 190-193.