De hand van de dichter (2)
1974-08-30
Zoals ik de vorige week al schreef, heeft Ida Gerhardt geen gemakkelijke jeugd gehad. Ze heeft sterk geleden aan het tekort aan liefde van haar moeder, een tekort dat de vader maar ten dele kon aanvullen.- Jaargang 18
- nummer 31
Daar komt nog bij dat de tijd vóór de tweede wereldoorlog een benauwende periode was, uitzichtloos en dreigend.
Wat hebben veel mensen, vooral de gevoelige, daaronder geleden.
Daarna komt de bezettingstijd. Een gedicht als "Het Carillon" laat wel aanvoelen hoe de dichteres deze tijd beleefde. Het is opgenomen in de bundel "Het Veerhuis", die in 1945 werd uitgegeven.
Al spoedig was het boekje uitverkocht en volgde een herdruk. Marie v. d. Zeyde vertelt: "Ida was gelukkig. Nog gelukkiger toen het bleek dat haar de Van der Hoogtprijs was toegekend. Wanneer een auteur inmiddels 40 is geworden, en wel het nodige gehad heeft, komt een dergelijk succes anders aan dan bij iemand van 25. De ijdelheid speelt er in die omstandigheden geen rol bij, maar des te meer de vreugd dat .het zich tóch nog realiseert; dat het leven het, zij het laat, toch nog heeft opgeleverd.
Vreemd: in Ida's leven is misschien geen dag zo afschuwelijk geweest als de dag van de Van der Hoogtprijs; geen dag die zich zo in haar herinnering heeft gebrand. De uitreiking - de toekenning zelf was al een tijd bekend - was in Leiden. Het had voor Ida niet beter kunnen treffen, want het was juist het begin van de Kerstvakantie, en dan rou ze toch naar haar vader gaan, die in Voorschoten woonde.
Zo verlangend was zij, dat ze zelfs na de uitreiking vanuit Leiden een taxi nam naar Voorschoten - zij die zo geleerd had- om de dubbeltjes om te keren -, om maar des te eerder bij hem te zijn; zijn verheugde gezicht te zien, zijn gelukwensen in ontvangst te nemen. Wat zou hij blij zijn, blij en trots!
Maar toen zij in Voorschoten aankwam, was daar geen zweem van feestelijkheid. De vader was er, de beide zusters waren er: de oudste die in Den Haag woonde, de jongste, student, - maar alle drie met bewolkte gezichten. Het leek of er iets akeligs was gebeurd; iets waar men mee verlegen was en maar liever niet over praten wou. Ida begreep het niet. Geen bloemetje, geen tractatie, geen geïnteresseerde vragen. Niemand feliciteerde haar.
Langzaam begon de verklaring tot haar door te dringen. Voor de familie stond het a priori vast, dat een onderscheiding voor iemand die Gerhardt heette, een onderscheiding voor Truus had behoren te zijn.
Truus had ook verzen geschreven, ook twee bundels gepubliceerd, en die waren goed ontvangen in de litteraire wereld. Waarom nu - stel je voor! - een bekroning voor de jongere zuster? Truus was diep gekrenkt, en Ida, argeloos gekomen om haar vreugde met. vader en zusters te delen, (haar moeder was toen al overleden) bevond zich plotseling tegenover een gesloten front. Het was niet de afgunst van Truus, die zij zich het meest heeft aangetrokken en ook heus niet de uitgebleven feestelijkheid. Het was het onmiddellijk "omvallen" van vader en van de toch zo kritische jonge zuster, en bovenal het oneerlijke van de hele situatie."
Zij is halverwege die avond naar Kampen terug gereisd.
Het is naar aanleiding van deze gebeurtenis dat Ida Gerhardt het, voor mij althans, meest schokkende gedicht schreef van heel haar oeuvre.
Radiobericht
Te Grave beneden de sluis
voorbij de zware deuren
mag mij het water sleuren
en kantelen met geruis .
. . . Grave beneden de sluis.
"Wij geven de waterstand".
o God, hoe kon het gebeuren ...
gesloten het venster, de deuren,
gebannen uit liefde en huis .
.. Grave beneden de sluis.
"Wij geven de waterstand".
Grave, dat is groen land en water,
dat draagt mij thuis.
"Grave, beneden de sluis".
Grave, beneden de sluis.
Wat is dit radiobericht tot een kreet geworden, vol associaties. Grave, zware deuren, wegsleuren, graf, afgesloten zijn van alles, weggevoerd worden ondanks wanhopige worsteling.
Wat een wanhoop spreekt eruit.
Gelukkig kan de schrijfster ook over veel hoopvoller periodes uit het leven van de dichteres vertellen. Ook over haar geloof.
Als klein kind liep Ida al achter het Leger des Heils aan en altijd heeft zij verlangt om er echt en voluit "bij te behoren".
Een Grieks Nieuwe Testament heeft ze altijd bij zich gehad en haar kennis van het Hebreeuws heeft de Liefde tot de Psalmen zeer versterkt.
Van haar geloof spreken meerdere gedichten.
Apocalyps 1 Cor. 13 : 12
lk zat in de wachtkamer van de trein
op dit veilig terrein God te ontkomen.
Toen zag ik, dat de zaal vol goud ging stromen
en engelengelijk werden in die schijn
de wachtenden. - Die met het fretgezicht,
het känd dat met zijn limonade knoeide
en al de elkaar aanstarende vermoeiden
toefden als zaligen in een baan van licht.
"Verzet de wissel, wachter baanvak zeven;
laat men zich aanstonds naar 't perronbegeven":
uit de oude vouw rijst elk in 't grauwe licht.
Het laatst zag ik de wandspiegel beslaan.
Eénmaal, van aangezicht tot aangezicht ...
als ik versta, gelijk ik bèn verstaan.
Haar gedicht De Disgenoten eindigt
Waar aan de witte dis
Uw teken wordt beleden
verschijnt Gij - "u zij vrede"
gij Brood - gij Wijn - gij Vis.
Aan het slot van "De hand van de dichter" vertelt de schrijfster nog over hun samenwerking bij de vertaling van de Psalmen.
"Toen Ida, ongeveer 20 jaar geleden, Hebreeuws ging leren, was dat het meest van alom de Psalmen. Zij kon zich maar niet onttrekken aan de gedachte, dat die bijbélse psalmen waarschijnlijk zouden blijken heel mooi te zijn, ook als poëzie heel mooi, - wanneer ze eindelijk maar eens een keer goed waren vertaald. Maar dat wáren ze niet; welke vertaling zij ook ter hand nam, er was er geen die haar kon overtuigen.
De kennismaking met de Hebreeuwse grondtekst bevestigde haar vermoeden; men kan ook zeggen haar kunstenaarsintuïtie. Maar: de opwindende en diep verheugende ontdekking kreeg al gauw de aspecten van een opdracht."
Ze vertelt dan verder wat een geweldige vaak daarmee was aanvaard.
De keren waren niet te tellen dat hun door vrienden de vraag werd gesteld of ze ook psalm 119 dachten te doen.
Nu, die hebben ze inderdaad "gedaan" en de psalm beslaat dertien volle bladzijden.
Ik kan het niet laten enkele gedeelten van de psalmen aan U door te geven.
Psalm 19
De hemel verkondigt de majesteit Gods,
het zwerk meldt het werk zijner handen.
De dag heft zijn roep tot de dag, d
e nacht aan de nacht zegt de mare.
Geen spreken verluidt er, geen woorden,
geen taal voor het oor te verstaan;
maar hun maning vaart over het aardrijk,
tot het einde der wereld hun aanroep.
En de inzet van het feestlied, Psalm 47.
Alle gij volken, klapt in de handen,
schalle voor God de klaroen van uw jubel.
Waarlijk, geducht is de Heer, de Allerhoogste,
Koning grootmachtig, het aardrijk beheersend.
Volkeren heeft Hij voor ons zich doen buigen,
heeft op hun stamland de voet ons doen zetten.
Hij heeft dit erfdeel gemaakt tot het onze, pronkjuweel Jacobs: hèm schonk Hij zijn liefde.
Laat ik maar ophouden. U moet die vertaling heus kopen. U zult er geweldig van genieten, Wat waren de door Gods Geest geïnspireerden echte dichters bij Zijn Gratie.
Ten slotte, het boekje "De hand van de dichter" is een zgn. Athenaeum Paperback, uitgegeven door Polak & Van Gennep, te Amsterdam, en in elke boekhandel te verkrijgen