Ingezonden
1974-09-20
Zeer Geachte Collega de Jong, - Jaargang 18
- nummer 34
Met belangstelling maar ook met stijgende verbazing heb ik in Opbouw" van 30 augustus j.l. Uw commentaar op de "oproep" van Waarheid en Eenheid/Schrift en Getuigenis gelezen.
Er zijn bij mij enkele vragen gerezen, die ik hier, omdat U publiek van Uw gevoelens kennis gaf, ook openlijk wil stellen.
a. U schrijft, dat "Opbouw" tot ongenoegen van velen gekenmerkt wordt door "een zekere schroom om z'n partij mee te blazen in het concert der verontrusting tegen de synode van de (synodaal) gereformeerde kerken en haar beschermelingen".
Is dit nu inderdaad een schroom van de gehele redaktie, van alle medewerkers en van de ganse lezerskring? Ik kan in ieder geval die schroom niet delen, en ik geloof ook velen met mij in onze lezerskring niet.
b. Onderschat U niet de grote geestelijke nood van de verontruste broeders en zusters in de syn. gereformeerde kerken? Ik vrees, dat U zich niet voldoende hebt ingedacht, hoe erg het is, als in een kerk niet maar enkele rand waarheden, maar de kern van het evangelie wordt aangetast, en als een synode de dwaalleer niet radicaal veroordeelt. Het ongenoegen over Uw opvattingen van velen - waarover U spreekt - is een verdriet en een zekere verbijstering, dat U niet voldoende aanvoelt, dat het hier niet gaat om een aantal mensen, die ten koste van alles het bij het oude willen houden, maar dat men hier te maken heeft met broeders, die bemerken dat in hun kerk nu zo langzamerhand alles kan en alles mag. Uit Uw schrijven krijg ik de indruk, dat U de zaken niet geheel juist taxeert. U wilt van mij, die de zaak jaren lang “van binnen uit" heb meegemaakt, en me er nog mauw bij betrokken voel, wel aannemen, dat ik het nog wat beter kan bekijken dan U. Al neem ik van harte aan, dat U niet wilt denken en schrijven als iemand, tegen wie ook "maatregelen" genomen zijn, U bent blijkbaar niet los van een zekere afweerhouding. En als U zegt, dat de leertucht ook wel zegenend heeft gewerkt en gediend heeft om de gemeente te bewaren, waarom er dan niet voor alle duidelijkheid bij gezegd, dat in de geref. kerken (synodaal) tuchtmaatregelen in dit stadium ook niet anders dan zegenrijk konden zijn tot behoud van de gemeente en ook tot behoud - als het mogelijk was - van de dwalenden zelf? Nu blijft dat in het onzekere.
c. Ik kom nu tot de kern van mijn bezwaren (al woog het onder 'a en b gezegde mij ook zwaar). Wat bedoelt U met de woorden: "Als we ons voor de verkondiging alleen maar oriënteren op het evangelie in een eindredactie van Paulus - ... werken we eigenhandig mee aan een onverstaanbaar worden van de boodschap".?
Natuurlijk is het de H. Geest, Die ons ook nu tot de volle waarheid leidt. Natuurlijk herhalen we in de prediking niet steeds precies de woorden van Paulus, ook niet die van de confessie.
Maar dat doet men in de kring van Waarheld en Eenheid ook niet.
Het gaat in de "oproep" echter wel om de kern van het evangelie, in de sym. geref. kerken is de belijdenis van het plaatsbekledend lijden van onze Here Jezus in geding, ook de werkelijkheid van de lichamelijke opstanding, ook het echt "God zijn" van God, om niet meer te noemen. En dan grijpen we tot behoud der kerk terug op het belijden van de vaderen, ja, ook en vooral op de woorden van Paulus "in een eindredactie".
De H. Schrift is geïnspireerd. Dit komt in Uw stuk met voldoende tot uiting, en wat U zegt over Schrift en belijdenis geeft minstens reden tot misverstand. Graag wil ik U zo gunstig mogelijk interpreteren, maar wat is Uw principieel verweer tegen theorieën als van Kuitert en Schillebeeckx, dat we de bijbel steeds opnieuw moeten uitleggen?
Mij bekruipt de vrees, dat U de zaken niet in de juiste verhoudingen ziet. De schrik slaat U om het hart, als U merkt, dat er misschien iets van een verkeerde behoudzucht is bij verontruste broeders. U ziet dat door een sterk vergrootglas. Maar U loopt zo makkelijk heen over de vreselijke kerkverwoestende ontwikkelingen in de synodale geref. kerken.
Tenslotte. Zo graag hadden wij gezien, dat onze kerken een zeker toevluchtsoord" konden zijn voor verontruste gereformeerden. U geeft te kennen, dat U ze liever niet hebt. Dan blokkeert U de weg voor hen. En zou Uw stellingname er niet toe kunnen leiden, dat U - ongewild - de weg wel opent voor allerlei progressieve mensen en krachten, zodat we uiteindelijk nog verkeerd terecht komen?