Evangelische politiek
1974-09-20
A. Inleiding- Jaargang 18
- nummer 34
Is de term Evangelische politiek wel verantwoord? Terecht schrijft Prof. dr A. Troost 1), dat het niets behoeft uit te maken of we de oude vraag stellen: Wat is Schriftuurlijk?, of de latere formulering hanteren: Wat is Bijbels", of de moderne zegswijze gebruiken: Wat is Evangelisch? Van deze verschuiving in woordgebruik behoeft op zichzelf inderdaad geen kwaad gesproken te worden. "AIIe genoemde termen zijn prachtig en indien ze goed verstaan worden ook identiek. De Schrift, de Bijbel, het Evangelie zijn voor Gods volk synoniemen, d.w.z. woorden, die allemaal hetzelfde betekenen". Daarom kán zonder voorbehoud of reserve gesproken worden over Evangelische politiek of Christelijke politiek.
In "reformatorische" kringen is altijd al veel geschreven over Evangelische of Christelijke politiek.
Ook in "Opbouw" 2). Op zich zelf is ook dàt een goede zaak Zelfs noodzakelijk gezien de ontwikkeling van de AR naar een christendemocratische partij (groeimodel) en gezien het bestaan van drie kleine prot.-chr.partijen. (SGP, GPV en NEV) (versnippering).
Waarom dan ook nog deze bijdrage?
Is die niet overbodig? Afgezien van de uitnodiging tot schrijven lijkt het mij noodzakelijk om nog eens nadrukkelijk de uitgangspunten en de normen voor een Christelijke politiek aan de orde te stellen en vooral ook de konsekwenties, die daaruit voortvloeien. Daarnaast, hoewel minder belangrijk. mis ik nogal eens de onderscheiding tussen: a. De bundeling van christenen in één politieke partij enerzijds en b. het samenwerken van verschillende partijen voor het bestuur van het land of de gemeente anderzijds.
Bij a.: Samenwerken binnen één politieke organisatie gebeurt vrijwillig en op grond van een keuze.
Men beoogt beginselpartij te zijn.
Zou men de meerderheid van de stemmen verkrijgen, dan zou men de beginselen zó en zó concreet willen toepassen in de politieke praktijk.
Bij b.: Samenwerken tussen meerdere partijen voor het bestuur van het: land of de gemeente is noodzakelijk in de Nederlandse situatie. Iedere andere partij behoort van een Evangelische partij te weten, wat haar uitgangspunten, haar normen en haar concrete praktische doelstellingen zijn. Pas daarna mogen er compromissen worden gesloten. Niet eerder. De compromissen zijn dan bij ieder bekend.
In het vervolg van dit artikel worden een aantal opmerkingen gemaakt, die uitsluitend betrekking hebben op samenwerken binnen één politieke organisatie.
B. Uitgangspunten voor politieke partijvorming
1. Wel samenwerken in één politieke organisatie, Men behoort gezamenlijk op te trekken met allen, die onvoorwaardelijk het gezag van de Heilige Schrift (van kaft tot kaft) aanvaarden. Met allen, dus ook met de SGP, het GPV en met die AR- en CHUleden, die de Bijbel, naar de uitleg van art. 2-7 van de NGB als richtsnoer en inspiratiebron voor geloof en politiek hanteren. Wie dat willen zijn geestverwanten 3), zelfs al is hun optreden niet altijd sympathiek en ook al is hun politieke opstelling soms conservatief, traditioneel, biblicistisch of onvoldoende deskundig. Door studie en discussie, door het naast en tegenover elkaar stellen van argumenten kan men komen tot een verantwoorde stellingname.
Blijkt door de gebrokenheid van dit leven, als gevolg van de zonde éénzelfde standpunt niet mogelijk, dan behoeft dit toch nog de aanvaarding van elkaar binnen één partij niet te verhinderen.
Men weet van elkaar, dat men één is in het allerbelangrijkste. 4)
2. Niet optrekken binnen één partij. Er mag geen gezamenlijke band binnen één politieke organisatie bestaan met hen. die slechts een deel van de Bijbel voor hun rekening nemen of naast de Bijbel bewust andere inspiratiebronnen voor hun politiek werk accepteren. Bij deze andere richtsnoeren kan men denken aan de kerk, de rede, of het menselijk welzijn. Verschillen van mening binnen een partij als gevolg van verschil in levensbeschouwing maken uiteindelijk een partij krachteloos. Middenfiguren gaan dan links en rechts van een vage politiek bij elkaar houden. Zulk een partij kan deskundigen bezitten en bekwame bestuurders, maar is principieel door interne compromissen machteloos.
Zo'n partij kán geen zoutend zout meer zijn; ze wordt smakeloos en een sta-in-de-weg voor een christelijke politiek.
C. Uitwerking
1. Wel samenwerken binnen één politieke organisatie of desnoods in een federatief verband kan dus met de SGP, het GPV en met sommige AR- en CHU-leden. Zij aanvaarden het onvoorwaardelijk gezag van de Bijbel. Alleen de Heilige Schrift is voor hen richtsnoer en inspiratiebron in de Politiek.
Gods Woord is voor hen veel belangrijker dan de woorden van mensen, De eer van God en Zijn dienst staan voor hen centraal.
Niet zodat zij dit ideaal reeds gegrepen hebben 5) maar ze zijn er wel door gegrepen. De politieke vertolking verloopt gebrekkig met fouten. onvolmaakt en met zonden. Niet het getuigenis alleen is hun doel, maar ook een wijs bestuur, rechtvaardige wetten en een goede rechtspraak; het volk ten baat.
2. Onaanvaardbaar is het groeimodel van het CDA, omdat daar mensen met ongelijke levensbeschouwingen gaan samenwerken, Daarbij denk ik niet alleen aan de KVPpartijvoorzitter De Zeeuw en aan Huyssen uit de CHU. Maar ook in de huidige AR mis ik helaas steeds meer de reformatorische kerngedachte: Alleen de Heilige Schrift. (Men leze Oriëntatie 1974. noot 3).8)Binnen de AR bestaat kennelijk geen overeenstemming meer over het gezag van de Overheid (zie noot 6, pag. 170) en over het communisme (zie noot 6, pag. 173).
Ondanks het bezit van veel deskundigheld en zeer bekwame bestuurders maken interne compromissen de partij als partij vaak machteloos voor een christelijke politiek.
3. Is de CDA-gedachte dan onbegrijpelijk?
Of zelfs niet voor de hand liggend? Althans verklaarbaar?
Tijdens het opkomend humanisme met zijn twee polen: socialisme en liberalisme enerzijds en de deconfessionalisering anderzijds zou het CDA een politieke machtsfactor van betekenis zijn, indien men werkelijk een zoutend zout zou kunnen zijn. Aan de goede bedoelingen van een CDA valt niet te twijfelen, maar men is machteloos, doordat men binnen het CDA niet absoluut kan vasthouden aan de Bijbelse normen.
Men heeft binnen de partij fundamentele compromissen gesloten (zoals de CDA-gedachte), men aanvaardt onjuiste dilemma's (zie noot 3, pag. 145) en wordt vaag in het kenmerken van een christen-democratisch profiel (zie Mr. W. Aantjes, noot 6, pag. 159).
D. Hoe dan wel?
Hoe dienen Bijbelse christenen dan wel hun politieke samenwerking op te bouwen? Allen, die een Schriftuurlijke politiek voorstaan, de SGP, het GPV, het NEV en een deel van de AR en de CHU dienen samenwerking te overwegen.
Uiteraard zou dit binnen één partij moeten gebeuren, maar dit ideaal is helaas niet haalbaar. Federatieve samenwerking is echter wel te realiseren. Dit betekent voor deze AR- en CHU-Ieden, dat men zich binnen eigen partij tot een Bijbels-georiënteerde werkgroep zou moeten organiseren.
Beide werkgroepen dienen contact te houden met de genoemde rechtzinnige partijen. Men kan dan samenwerken aan gemeenschappelijke organen, aan congressen, aan gezamenlijke politieke acties, enz. Op deze wijze wordt versnippering van krachten en het elkaar bestrijden van Schriftuurlijk gerichte politici voorkomen.
Tot mijn spijt zie ik geen andere weg voor de Christelijke politiek in Nederland dan deze:
a. In eigen partij het ideaal zuiver houden, namelijk het Bijbels-christelijk uitgangspunt.
b. Federatieve samenwerking met anderen, die dit ideaal ook voor ogen staat.
Misschien, dat op langere termijn daaruit nog eens iets nieuws geboren wordt. Voor vandaag echter staat dit voor mij vast: In het isolement ligt onze kracht. Het beginsel: het onbekrompen uitgaan van het onverkorte Evangelie is het zout voor elke Evangelisch politiek. Door interne compromissen met andere levensbeschouwingen (synthese) wordt het zout smakeloos en waard om weggegooid te worden.
1) Prof. dr A. Troost: Wat is "Evangelisch"? Tot Vrijheid Geroepen, dec. 1970.
2) Drs H. E. S. Woldring: Het CDA. Opbouw, 22-3-1974.
S) Oriëntatie 1974, pag. 146, ARstaatkunde, april/mei 1974.
4) Nederlands Dagblad, hoofdartikel 27-4-1974 .
5) Mr W. Aantjes, Nederlandse Gedachten, 25-5-1974.
6) Conferentie oriëntatie 1974, ARstaatkunde juni 1974.