Boekbespreking
1974-09-20
- Jaargang 18
- nummer 34
Huib Verweij, De boom der kennis
Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1974. f 12,90.
De schrijver, bekend door zijn eerder bij Buijten & Schipperheijn verschenen boeken - "Ik ben Die Ik ben" en "God in Israël" - heeft zijn boek de ondertitel "variaties op een thema" meegegeven. Deze ondertitel verraadt al veel. Het gaat in een zestal opstellen over één en het; zelfde thema. Dit is zowel de kracht als de zwakte van het boek. Eén thema naar verschillende zijden uitwerken getuigt veelal van een brede kijk en een verrassend inzicht, maar wanneer de diepgang ontbreekt krijgt het thema iets van een herhaling in een steeds wisselend jasje, Dat het dat laatst geworden is komt omdat de opstellen niet bewust op elkaar zijn afgestemd, maar voordrachten zijn, waarin het thema op verschillende wijzen aan de orde komt. De indruk bestaat dat de onderwerpen van de verschillende lezingen het thema niet geheel dekken, en dat onderwerp en thema op een wat geforceerde wijze op elkaar zijn betrokken.
De schrijver is bezield door één ding: De waarheid van Gods openbaring.
En hij bindt het zijn lezers voortdurend, op het hart; wat de Here God in de Bijbel zegt is ook voor ons vandaag de enige waarheid. En all een door het verstaan van de bijbelse taal verstaat de mens zichzelf. Door te lezen in de Bijbel wordt de mens een spiegel voorgehouden, waarin hij zichzelf ontdekken kan, Verweij legt vooral nadruk op het paradijsverhaal, toegespitst op de zondeval, het eten van de boom der kennis.
steeds weer benadrukt de schrijver wie de mens van vandaag is: "De vruchtener van de boom der kennis van goed en kwaad. De mens die door te eten van de verboden boom niet voldeed aan de door Zijn Maker gestelde voorwaarden. Dit falen houdt een zodanig bederf in van zijn gehele bestaan, dat de mens aktief aan zijn ondergang werkt."
Rondom dit centrale thema heeft Verweij in zes opstellen zijn stof verwerkt. Indringend, getuigend, apologetisch, gedreven door een diepe zorg voor de mens van de 20e eeuw: Wat doet die mens met de bijbelse waarheid?
In zijn zorg en in zijn bezield-zijn door die waarheid vraagt de schrijver veel van zijn lezers. Zoveel zelfs dat het boek eigenlijk een tweede ondertitel. "Voor de welwillende lezer" nodig heeft. Want de schrijver legt verbanden en trekt konklusies, waarbij de lezer zijn wenkbrauwen fronst. Verweij verwekt nogal wat irritatie doordat hij de lezer langs wegen en paden voert die eigenlijk onbegaanbaar zijn, zó is hij gefasineerd door zijn thema. Wie deze welwillendheid kan opbrengen zal na lezing erkennen dat het grondmotief dat Verweij aanwijst juist is.
En eigenlijk is dan welwillendheid te zwak geformuleerd. Wie de zorg van Verweij kan delen zal over de vele bedenkingen die de schrijver zelf oproept kunnen heen stappen, zij het soms met veel moeite.
Een paar van zulke hindernissen wil ik u voorleggen.
In het eerste opstel "De boom der kennis en het begrip links" wil Verweij aantonen dat links en rechts scheppingsgegevens zijn. Links (de grondtoon van deze wereld) is de oppositionele, vijandige macht t.o.v. "rechts" als Goddelijk beginsel. Wat authentiek "rechts" is kan uit de Bijbel afgeleid worden. O.a. uit de positieve uitspraken over Gods rechtenhand.
Nu heeft de mens voor links gekozen door te eten van de boom der kennis, op aandrang van de tegenstander - de satan-, die het linkse bij uitstek is in zijn opstand tegen God, Tot zover volgt Verweij - weliswaar in ongewone taal - getrouw het bijbelverhaal.
De mens die het gebod van God ongehoorzaam Is door te eten van de boom der kennis. De overtreding van het gebod maakt de mens tot zondaar. Verweij volstaat hier echter niet mee, maar zoekt het eigenlijke van de zondeval in de kwaliteit van de twee met name genoemd de bomen in de hof, en daarmee gaat hij verder dan exegetisch verantwoord is, "De boom der kennis is de boom die vrucht maakt, de boom des Levens is de boom die vrucht is en vrucht maakt. Had de mens van de Levensboom gegeten dan zou hij geen vruchten hebben gemaakt, maar hij zou, door de éénmaking met dé vrucht die de Levensboom is, reeds vrucht zijn en het doel bereikt hebben. Het eten van de Levensboom is de rechte weg, de rechtse weg. De mens heeft de linkse weg gekozen, is eigenmachtig met de schepping op de loop gegaan, is eindeloos verdwaald in de veelheid buiten God, die de boom der kennis bewerkt. De boom der kennis is geen vrucht, hij kan alleen maar vruchten maken. Dat betekent dat de mens die boom verder gaat ontwikkelen in tijd en ruimte.
De vermenigvuldiging en differentiatie van de kennis zou zelfs tot een volledige chaos, tot een geestelijke entropie leiden, als de machtige mens niet steeds aan zijn macht zou bezwijken."
Het tweede opstel "de boom der kennis en het oernarcoticum" behandelt het drug-probleem. Verweij voert dit hedendaagse drugprobleem terug naar "de beginne". Het geestelijke narcoticum, het als God willen zijn is het resultaat van het eten van de boom der kennis.
In dit opstel last Verweij een excurs in over de getallensymboliek in de Bijbel. Het Hebreeuws kent geen cijfers, de letters hebben een bepaalde getalswaarde, En nu brengen volgens Verweij de in de getalswaarden uit te drukken bijbelwoorden van het O.T, de meest elementaire en fundamentele achtergronden van de openbaring aan het licht. Verweij geeft tal van voorbeelden, die hij zelfs wat de volgorde betreft, bijna letterlijk (zij het ingekort) ontleent aan het boek van F. Weinreb, "de Bijbel als Schepping".
Maar, waarom noemt Verweij hier Weinreb niet? Zowel Weinreb als Verweij proberen hun methode af te grenzen tegen de joodse kabbalistiek, een poging die Weinreb beter afgaat dan Verweij, Het grote bezwaar tegen deze methode wordt eigenlijk al gegeven met de titel van Weinreb's boek.
Dit had Verweij voorzichtig moeten maken. Door de bijbelse verkondt, ging op te sluiten in de getalswaarden van de letters verliest men het verhaal uit het oog. De verteller wil immers juist met zijn verhaal iets zeggen! En de betekenis van de woorden ligt toch niet enkel opgesloten in de getalswaarden van de letters maar in het gebruik ervan?
Uit de ook in de reformatorische theologie gebezigde regel - verbavalent usu - (door het gebruik krijgen woorden hun betekenis) had Verweij dit kunnen leren.
Er zijn nog tal van bezwaren in te brengen tegen de manier waarop Verweij zijn thema uitwerkt. Uit het opstel "het funktioneren der demokratie" noem ik het onderscheiden van Verweij tussen. een hemels leven in de hemelen en een hemels leven op aarde. Waar haalt Verweij dit onderscheid vandaan? Ook de opmerking dat de gemeente "substantieel" het lichaam van Christus is en dus de Goddelijke natuur deelachtig en dus ook alom vertegenwoordig is, is nauwelijks te verenigen met wat de Bijbel ons over de gemeente leert.
In het slothoofdstuk “Balans en manifest" schrijft Verweij al te gemakkelijk het falen van de' kerk op rekening van de randkerkelijken. Deze groep is tijdens en na de regering van Constantijn de Grote tot het christendom overgegaan. Het zijn geen authentieke christenen maar het is een in wezen heidense massa van christelijken. Hun christen-zijn is niet een existeren in Christus, maar een aanhangen van een leer over Christus. Dan zit Verweij al dicht in de buurt van de theologie, die vervolgens de schuld op haar dak krijgt gesohoven.
Verweij ziet hier echter over het hoofd dat bedoelde christenen zich niets gelegen lieten liggen aan de leer, maar meer bezorgd waren over hun boterham. Toen het christendom tijdens Konstantijn religiolicita (d.w.z. er kwam godsdienstvrijheid voor de kerk) en de kerk later onder Theodosius zelfs de bevoorrechte staatskerk werd, betekende dat in de praktijk, dat men om een goede baan beter christen kon worden.
Ook de suggestie van Verweij dat tot Konstantijn sprake is van authentiek, puur christendom is feitelijk niet vol te houden. Reeds in de 2e eeuw is er sprake van leer in de kerk. De kerk had toen immers al te maken met ketters tegen wie zij het christelijke geloof afschermde d.m.v. de leer.
Bij deze opmerkingen wil ik het laten.
De lezer zal er zelf nog vele tegenkomen waarover hij zich verbazen zal.
Het boek is door Buijten en Schipperheijn keurig uitgereven. Het boek telt, als ik het wel heb, geen zetfouten.
Alleen, en dat is mijn enige bezwaar tegen de uitvoering, de gladde bladspiegel bemoeilijkt het lezen onder een bureaulamp.