Vervreemding en vreemdelingschap

1974-09-27
  • Jaargang 18
  • nummer 35

• HET MATERIALISME

Voor vele mensen betekent de term "materialisme" niet veel meer dan een instelling van de mens die streeft naar een zo groot mogelijke materiële welvaart. En omdat Karl Marx het materialisme als uitgangspunt van de verklaring van de werkelijkheid heeft genomen, zijn voor vele mensen Marx ,en de marxisten verantwoordelijk voor het overdreven streven naar materiële behoeften-bevrediging dat zo kenmerkend zou zijn voor de moderne tijd.
Nu is het voor ieder die enigermate vertrouwd is met het denken van Marx, zoals dat uit zijn vele geschriften naar voren komt, duidelijk dat het streven naar materiële welvaart bij Marx haast geen aandacht krijgt, Hij schrijft wel over de nood bij de arbeiders en wat minder over de welvaart bij de kapitalisten en hij wil hierin wel verandering zien optreden, maar de materiële positie van de mensen speelt bij hem geen grote rol. Indien Marx van "materialisme" spreekt bedoelt hij iets geheel anders. Bij hem is deze term een uitdrukking van de beslissende rol die de productieverhoudingen in deze werkelijkheid spelen. Voor het verstaan van de werkelijkheid en voor het begrijpen van de geschiedenis van de werkelijkheid is inzicht in de bestaande productieverhoudingen noodzakelijk benevens een wetenschappelijk inzicht in de wetmatigheden die de ontwikkeling van de productieverhoudingen bepalen. Onder de productieverhouding verstaat Marx de verhouding tussen de productiefactoren, de eigendomsverhoudingen en de wijze waarop in het productieproces de beslissingen worden genomen.
Dit materialistisch uitgangspunt is ook bepalend voor de zienswijze van Marx op het mens-zijn en op het welzijn van de mens. In fundamentele zin betekent het materialisme niet dat de mens geheel en al bepaald is door de maatschappelijke verhoudingen; in tegendeel, de mens heeft door bewuste menselijke activiteit deze maatschappelijke krachten geschapen. Zo gezien houdt de aanvaarding van het marxistisch uitgangspunt niet in dat de mens zal streven naar zoveel mogelijke materiële welvaart, maar houdt het in, dat de mens door de verschijnselen heenziet en onderkent dat de wereld waarin de mens leeft zijn eigen arbeidsproduct is. De "materialistische" mens is op weg om de wereld in haar wetmatige structuur te doorzien en zodoende deze weer onder controle te krijgen.
De mens die de macht over zijn eigen schepping verloren heeft en daardoor in zijn menselijkheid wordt bedreigd, kan slechts op een menselijke toekomst hopen als hij de werkelijke samenhangen kan bloot leggen.
Het gaat in het marxisme om de mens en het marxisme pretendeert een wegwijzer te zijn naar het beloofde land van de vrijheid van de mens.
Marx graaft in zijn formulering van het materialisme dieper omdat het hem om de mens gaat. Hij bestudeert de kapitalistische maatschappij waarin de mens niet vrij is en hij speurt naar wetmatigheden in de geschiedenis van de mensheid om de niet-vrije mens perspectief te geven. De mens is op weg naar zijn vrijheid.
Essentieel is hierbij de opvatting dat dit een revolutionaire weg is.
Revolutionair in deze zin, dat de vrijheid van de mens dan pas zal kunnen worden verkregen als de bestaande maatschappelijke structuren, de bestaande eigendoms- en machtsverhoudingen zijn verdwenen.
De mens die zich bewust is van zijn sociaal-zijn ziet een perspectief, ziet een wereld in het verschiet waarin de mens niet meer bezig is met de zorg om het bestaan, maar met de zorg voor het mens-zijn.
Wat dit betreft is het onbelangrijk of Marx betreffende de feitelijke ontwikkeling altijd gelijk heeft gekregen. Het geloof wordt niet bestreden door een verzameling van feiten. In het oordeel over het denken van Marx zal het altijd moeten gaan over de rol en de zin van de mens.

• VERVREEMDING

In het denken over de zin van het mens-zijn en de mogelijke en noodzakelijke toekomst van de mens speelt het begrip "vervreemding" een centrale rol.
Bij Marx is de vervreemding een voorbijgaande fase; zowel de arbeider als de kapitalist zijn vervreemd van hun mens-zijn. De arbeider maakt een product dat van hem wordt afgenomen. Zijn mens-zijn wordt in het productieproces geobjectiveerd tot waardevolle arbeidskracht, maar het werk van zijn handen komt ter beschikking van de kapitalist die er niets van zich zelf heeft ingelegd. Maar ook de kapitalist is vervreemd omdat hij door de productiestructuur, d.i. de kapitalistische wijze van voortbrenging, wel gedwongen is de arbeiders uit te buiten. Wanneer eenmaal, door in het kapitalisme besloten wetmatigheden deze structuur zal verdwijnen; wanneer er geen onderscheid meer zal zijn tussen arbeider en kapitalist; wanneer het eigendom zal zijn verdwenen, dan kan de arbeider weer beschikken over het wenk zijner handen en is de vervreemding opgeheven.
In het op Marx geïnspireerde denken, zoals dat o.m. wordt gevonden in de geschriften van de Frankfurter Schule en die b.v. Marcuse op boeiende wijze bekend zijn gemaakt legt men veelal wel andere accenten dan door Marx gelegd zijn (te denken is hierbij aan de rol van de techniek), maar in fundamentele zin wordt de kern van de vervreemding in het horizontale vlak gevonden. De vervreemding is principieel een historisch bepaalde relatie tot de medemens en is onlosmakelijk verbonden met maatschappelijke structuren.
Men wenst van geen andere werkelijkheid te weten dan de aardse werkelijkheid en alle spanningen in deze wereld vinden hun verklaring in aardse ontwikkeling. En een oplossing van de vervreemding kan de mensheid zonder hulp van buitenaf vinden. De mens raakt vervreemd doordat hij overheerst wordt door de productieverhoudingen, maar er is perspectief als de mens zich zelf weer leert te zijn.
Daarom won Marx ook oproepen tot een vereniging van proletariërs aller landen. Daarom kan Marcuse ook oproepen tot revolutie tegen de heerschappij der techniek en de bestaande ordeningen. Daarom kon Lenin ook stellen dat het echte zijn van de mens wordt gevonden in de revolutionaire daad. En daarom proberen de moderne marxisten het beloofde land met eigen middelen te verwezenlijken.

• CHRISTELIJKE REACTIE

Ook van de kant van de kerken wordt veel aandacht geschonken aan de toekomst van de mensheid. Vaak spitst deze aandacht zich toe op het vraagstuk van de ongelijke verdeling van de welvaart in deze wereld, maar deze vraagstelling wordt veelal geplaatst in het kader van de onderlinge verhouding der mensen in bepaalde maatschappelijke structuren. Nu kan men allerlei bezwaren inbrengen tegen de onderscheiden boodschappen van kerkorganisaties en met name wijzen op het grote gevaar, dat men de toekomst van deze wereld en de verhouding tussen mensen in het horizontale vlak projecteert. In vele gevallen wordt dan de waarde van het woord, dat de kerk voor de wereld heeft, afgemeten aan de mate waarin de kerk partij kiest voor de verdrukte mens. De kerk moet één zijn met de verdrukte mens om zo het bijbelse woord tot gelding te brengen.
Hoe juist deze kritiek ook moge zijn in die zin dat men bezwaar heeft tegen de versmalling van de betekenis en de functie van de kerk en van de woordbediening. dit maakt de vraag des te klemmender welk woord de kerk wel heeft voor de mens die in de moderne samenleving dreigt onder te gaan? Heeft de kerk iets zinnigs te zeggen als antwoord op de uitdaging van het marxistisch perspectief?
Want het moge zo zijn, dat verschillende marxistische theorieën niet houdbaar zijn gebleken, voor vele mensen blijft het toch als een waarheid gelden, dat de moderne mens dan pas weer vrij zal zijn als de bestaande structuren zijn verdwenen. De mens is niet op weg naar zijn hemels huis, maar hij is op weg naar het aardse huis der vrijheid waarin slechts menselijke normen rullen gelden.
Nu kan men inderdaad terecht opmerken, dat de kern van het christelijk geloof wordt gevonden in het geloof in de vergeving van de zonde als enige mogelijkheid tot vrijmaking van het leven. Christus heeft de weg tot de Vader weer vrij gemaakt en daardoor weer perspectief gegeven. Maar wat betekent dit nu in concreto als wij spreken over de vervreemding? Bestaat deze vervreemding of moeten wij ontkennen dat er een vervreemding bestaat, omdat dit een term is die niet zo gemakkelijk past in onze christelijke denkhouding. Want als men erkent dat in een bepaalde maatschappelijke structuur de vervreemding onontkoombaar is, dan kan men niet mer volstaan met het oproepen tot een mentaliteitsverbetering, maar dan moet men ook de bestaande structuur ter discussie stellen. En dat is iets wat voor vele christenen een moeilijke zaak is. Veel gemakkelijke is het om de vervreemding te ontkennen en slechts. louter aandacht te schenken aan de mentaliteit van de mens in de moderne samenleving.
Ook op een andere manier wordt in het christelijke kamp wel over de vervreemding nagedacht en dan gaat het veelal om de positie van de moderne mens in een industriële samenleving. Men wijst op de steeds toenemende specialisatie waardoor de mens de blik op het geheel dreigt te verliezen en ten ondergaat in de monotonie van een door technocraten geleid productieproces. Omdat men zich niet op het fundamenteel marxistisch uitgangspunt wil baseren, maar toch pretendeert een woord voor de wereld te hebben, beklemtoont men de medemenselijkheid als remedie voor de toenemende vervreemding.
Veelal vertoont de beschouwing een horizontalistische trek in die zin dat men in de opwekking tot naastenliefde, medemenselijkheid en verantwoordelijkiheidsbesef de mens perspectief biedt voor een betere samenleving.
Hoezeer men ook bezwaar kan maken tegen de overheersing van het horizontalisme bij vele christenen die zich bezorgd maken over de mens en de wereld, aan de andere kant moet toch de bewogenheid positief worden gewaardeerd. Men wil afrekenen met het beeld dat de kerk zo lang heeft gehad, een kerk die geen boodschap heeft aan deze wereldproblemen en die de verdrukte mens niets anders wist te bieden dan een problematisch uitzicht op het hiernamaals, Maar ondertussen moest de gewone gelovige mens zich wel uitsloven en verteren in dienst van de bezittende klasse.
Toch is in zekere zin het christelijke horizontalisme inferieur aan het marxisme. In het marxisme vindt men een analyse van de bron van het kwaad, de oorzaak van de vervreemding van de mens van zijn ware zijn. De heersende productieverhouding zoals die ontstaan zijn in een dialectisch en historisch materialistische ontwikkeling maken de mens vervreemd van zijn ware mens-zijn en slechts in een verandering van de productieverhoudingen kan de oplossing van het mensprobleem worden gevonden. De mentaliteit is geen oorzaak van het kwade, maar het kwade d.z. de eigendomsverhoudingen waardoor er een klasse van uitbuiters zich stelt tegenover de klasse van de niet bezitters, heeft de slechte mentaliteit ten gevolge.
Hoewel er ook in het christelijke kamp wel opvattingen zijn die verwijzen naar een ingrijpende verandering in de maatschappelijke verhoudingen, is toch overheersend de gedachte dat het van een verandering in de mentaliteit moet komen.
Daarbij is dan de vraag van belang waardoor deze mentaliteitsverandering moet worden bewerkstelligd.
Men kan vaak het gevoel niet van zich afzetten dat men in het christelijke kamp toch nog niet het juiste antwoord heeft gevonden op de uitdaging van het marxisme in de onderkenning van het vraagstuk van de vervreemding.

• HET VREEMDELINGSCHAP

Toch is in zekere zin het horizontalisme niet geheel wezensvreemd aan de bijbelse boodschap. Aan de éne kant is er het vreemdelingschap van de christen in deze wereld. Hij is wel in deze wereld maar mag niet van deze wereld zijn. De mens is op weg naar zijn eeuwig huis om daar zijn Maker te ontmoeten die hem in het gericht laat komen.
Daar teert ook bij de vraag naar wat de mens (en wel ieder individueel) met de schepping heeft gedaan.
Daarbij komt de profetie van Petrus waarin tot uitdrukking komt dat de elementen brandende zullen vergaan. De wereld is in deze zin vergankelijk en onderworpen aan een kosmisch destructieproces.
Aan de andere kant laat de bijbel duidelijk zien dat deze wereld de woonplaats is en blijft van de mensheid. De verloste mensheid zal op de nieuwe wereld leven en er is een onlosmakelijk verband tussen deze en de toekomstige wereld. Dat geeft dan ook zin aan de opdracht aan de mens om deze wereld te bouwen en te bewaren, zodat aan het einde der tijden deze wereld kan worden overgedragen aan de Schepper aller dingen. Hoe deze overgang van oude naar nieuwe wereld zal gaan is ons niet geopenbaard en heeft dus geen betekenis voor het verstaan van de zin van het mens-zijn in deze wereld.
Indien de bijbel spreekt van het vreemdelingschap van de christen gaat het om een stellingname ten aanzien van de in religieuze zin wereldse houding. Hij is niet thuis in deze wereld omdat in deze wereld anti-goddelijke normen gelden ten aanzien van de ontwikkeling van deze wereld. Hij kijkt uit naar een wereld waarin de bijbelse normen als normaal worden beschouwd; een wereld waarin zowel de Schepper als het schepsel zich thuis voelen. Dit vreemdelingschap dat noodzakelijk is vloeit voort uit de fundamentele daad van de mens waardoor hij zich van Zijn Schepper heeft vervreemd.
Uiteindelijk is de mens vervreemd van zijn ware mens-zijn doordat hij als God wilde zijn. Hij heeft de principiële grens tussen Schepper en schepsel willen oversteken en heeft zich daardoor van zijn menszijn vervreemd.
Hoewel men van iemand die opgaat in de monotonie van een productieproces kan zeggen dat hij vervreemd is en hoewel men ook kan stellen dat in een wereld waarin de arbeider slechts vanwege zijn arbeidskracht wordt gewaardeerd en uitgebuit de mens vervreemd is, moet toch worden vastgehouden aan de zienswijze dat uiteindelijk de fundamentele vervreemding waaruit alle andere, manifestaties van vervreemding voortvloeien veroorzaakt wordt door het in stand houden van een bepaalde verhouding tussen God en mens.
Deze zienswijze hoort het centrale punt te zijn in de dialoog met hen die zich bezorgd maken over het welzijn van de moderne mens. Maar dit maakt daarom een gesprek met elkaar over de diverse manifestaties van de vervreemding niet zinloos. Ook een christen kan er niet omheen om toe te geven dat de optredende uitbuiting in het kapitalistische stelsel in de loop der geschiedenis ontstellende vormen heeft aangenomen. Wij kunnen er ook niet omheen in te zien, dat het ontbreken van de wil bij vele mensen om verantwoordelijkheden te dragen grotendeels is toe te schrijven aan die mentaliteit, waarbij arbeiders slechts waardevol werden geacht als zij bijdroegen aan de winsten van de ondernemingen. Het moet ook voor een christen niet moeilijk zijn in te zien, dat in de geïndustrialiseerde maatschappij de grote massa steeds onmondiger wordt. En in zekere zin zal de christen ook een affiniteit hebben met het marxistisch denken. Immers in het marxisme worden de bestaande verhoudingen in het maatschappelijk leven niet alleen ter discussie gesteld, maar ook verantwoordelijk gesteld voor de feitelijkheid van de vervreemding. Een affiniteit, omdat voor een christen ook de bestaande verhoudingen nimmer normatief gegeven zijn, maar altijd onderworpen moet zijn aan de keur der bijbelse normen.
Een christen die van mening is dat de gegeven maatschappelijke ordening goed is, omdat deze er nu eenmaal is, heeft nog niet veel begrepen van het vreemdelingschap. Want hij is juist vreemdeling als hij in de dialoog met de bestaande verhoudingen deze verhouding wil onderwerpen aan de normen der Schriften.
Op dit niveau kan de christen dan ook zijn pretenties formuleren; de pretentie dat hij beter inzicht heeft in het karakter van de fundamentele vervreemding, Een vervreemding van zijn Schepper, waardoor hij zich berooft van de mogelijkheid om de relatie tot zijn naaste en zijn zin in deze geschapen werkelijkheid in juist perspectief te zien.
In het marxistisch denken vindt men twee klassen t.w, de klasse van de kapitalisten en de klasse van de arbeiders. Er is geen naaste-relatie tussen beide klassen mogelijk. Maar dat is een mistekening van de verhouding van mens tot mens.
De mens is geschapen in een relatie tot zijn Schepper en in een relatie tot de naaste. Deze relaties komen tot elkaar in de opdracht om de wereld te bouwen en te bewaren om daarin de Schepper tot Zijn Heerlijkheid te laten komen. De mens is op de ander aangewezen omdat de mens zijn Maker slechts kan ontmoeten in samengang met de naaste. Mijn verhouding tot God is niet wezenlijk verschillend van mijn relatie tot mijn naaste. Vandaar dat er ook maar één gebod is, nl. de liefde tot God en de liefde tot de naaste.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief