Na de troonrede
1974-09-27
De troonrede is weer gehouden.- Jaargang 18
- nummer 35
En ondanks vele dringende verzoeken daartoe werd de bekende bede om Gods hulp bij en Zijn zegen over de arbeid van Regering en Staten-Generaal daarin weer niet opgenomen.
Er zijn aan deze zaak verschillende aspecten. Maar het belangrijkste daarvan is zonder twijfel dit dat de regering van ons volk bewust besloten heeft die bede weg te laten. Ze verklaarde daarmee die hulp en zegen niet nodig te hebben. Er althans onverschillig tegenover te staan. Ongetwijfeld zullen er een aantal regeringspersonen en leden van de Staten-Generaal zijn die om die hulp en zegen bidden en daarop hopen.
Maar de regering als zodanig verklaarde door haar daad dat zij dat niet doet.
Sinds de invoering van de grondwet van 1848 is die bede maar éénmaal weggelaten. Dat was in 1869. Maar toen daarover in de Tweede Kamer werd gesproken vroeg minister v. d. Bosse "verschoning" daarvoor. Er had, zo verklaarde hij, een "noodlottige vergissing" plaats gevonden. De bede had namelijk wel in het ontwerp van de troonrede gestaan, maar was per abuis uit de troonrede zelf weggevallen. Alleen de bekende radikale atheïst Mr. Sam van Houten juichte die weglating toe en betreurde het excuus van regeringszijde.
Onwillekeurig denkt men, als men zich ,met deze kwestie bezig houdt. aan een ander parlementair .gebeuren.
En wel aan de invoering van de onderwijswet van 1857.
Groen van Prinsterer, die zich in de debatten over die wet geducht liet gelden, streed met alle kracht voor de handhaving van het christelijk karakter van de Staat der Nederlanden. Dat moest naar zijn overtuiging ook, en vooral in de door de overheid in het leven geroepen scholen tot uitdrukking komen. Maar omdat hij volstrekte vrijheid van godsdienst en godsdienstoefening voorstond streefde hij naar een zgn. "facultatieve splitsing" van de staatsschool.
D.w.z.: waar dat nodig of gewenst was moesten er, of alleen, of naast elkaar, protestants-christelijke, rooms ...katholieke en joodse scholen worden opgericht.
De wet van 1857 bracht evenwel de "neutrale" openbare school. 1) De school waarin niets mocht worden geleerd dat strijdig was met iemands godsdienstige overtuigingen - wie deze "iemand" ook mocht zijn!
Wel werd er in de wet van gesproken dat het onderwijs dienstbaar moest worden gemaakt aan de bevordering van "christelijke en maatschappelijke deugden."
Maar wanneer in de wet van christelijke deugden werd gesproken, diende men wel te bedenken dat deze term een geheel eigen inhoud had! Opleiding tot christelijke deugden, zo verklaarde minister Van der BrugghenThorbeeke's omschrijving daarvan tot de zijne makend -: "mag in geen andere zin worden opgevat, dan dat alle leerstellige en dogmatische bestanddelen, alles met één woord wat tot het begrip des Christendoms, van zijn waarheden, van zijn feiten, van zijn geschiedenis behoort, van de gemengde school verwijderd moet blijven!" Het ging dus in die wet om een christendom zonder Christus, zonder de heilsfeiten, zonder de Heilige Schrift!
Groen van Prinsterer was verbijsterd over dit wetsontwerp.
Toen de wet aangenomen was verliet hij tot aller ontsteltenis onmiddellijk de vergadering van de Tweede Kamer, een brief achterlatend waarin hij ontslag nam als lid van de Staten-Generaal.
Groen constateerde met ontzetting dat de Staat der Nederlanden door wat geschied was in feite, niet-christelijke, een godsdienstloze, zo niet een anti-christelijke staat was geworden.
"Wat wij hier op het ogenblik meemaken", zo schreef hij, "is het meest beslissende moment in ons staatkundige bestaan sinds eeuwen, ingrijpender dan wat in 1795 of in 1848 is voorgevallen.
De christelijke staat wordt verlaten, straks de humanistische staat ingevoerd. De gevolgen daarvan zullen ernstig zijn, misschien niet aanstonds, maar zeker op den duur."
Zoals steeds doorzag Groen ook toen met profetische scherpte de wezenlijke betekenis van wat geschied was. De onkerkelijkheid, de ontkerstening, de steeds voort schrijdende sekularisatie van ons volksleven is voor een niet gering deel te wijten aan dat zgn. "neutrale" onderwijs. De openbare scholen werden naar Groens tekenende kwalificatie al meer "secte-scholen der modernen".
Later vooral propaganda-instituten van allerlei humanisme en ideologie.
In de laatste helft van de vorige en het begin van deze eeuw ontstond er in alle sectoren van het volksleven een wonderlijke, nieuwe en krachtige opleving van christelijke activiteit.
Op staatkundig terrein traden de christelijke politieke partijen op die van jaar tot jaar in kracht en betekenis toenamen. Er kwamen ministeries die zich vooral de handhaving en versterking van de christelijke grondslagen van het volksleven ten doel stelden. Dat wem in de troonrede ook met ronde woorden verklaard. En ze beleden nadrukkelijk dat ze de kracht en wijsheid voor hun arbeid van Boven verwachtten.
Vooral na de tweede wereldoorlog veranderde dat successief. De "doorbraak", de sekularisatie, greep al verder om zich heen en drong steeds dieper in het volksleven door. De kracht van het christelijke politieke getuigenis verzwakte. Mee als gevolg daarvan werden de christelijke politieke partijen gehalveerd.
Kort na de oorlog leefde er in de leidende kringen van de geherstructureerde Ned. Herv. Kerk nog een hooggestemd optimisme ten aanzien van haar invloed op het volksleven. Er werd gesproken van "een herkerstening van het volksleven in de zin van de Reformatie" En van "een strijden van de kerk in al haar geledingen voor het reformatorisch karakter van staat en volk" Maar dit enthousiasme is volledig geblust.
En van die aostolaire activiteit is niets terecht gekomen. Voor het eerst in haar geschiedenis daalde het ledental van die kerk tot beneden het miljoen.
De situatie van de Geref. Kerken is mee ten gevolge van de scheuring van 1944 en de invloed van allerlei moderne theologieën ook weinig opwekkend. Een steeds toenemende polarisatie onder haar leden, niet het minst ten gevolge van hun tegenstrijdige politieke opstelling, veroorzaakte grote spanningen die fnuikend zijn voor haar kracht en invloed naar buiten. En alle mogelijke christelijke organisaties en instituten verloren al meer hun christelijke authenticiteit en identiteit.
Er is overal aanpassing aan de geest van de tijd en ten gevolge daarvan het doen van concessies die haar kracht verlammen.
In het licht van deze gang van zaken is het bewuste weglaten van de bekende bede uit de troonrede geen incident maar een symptoom.
Men kan wel zeggen: daartoe moest het komen. Het wachten is nu nog alleen op het schrappen van het opschrift boven wetten en besluiten: Wij Juliana bij de gratie Gods koningin der Nederlanden.
De duitse keizer zei eens: christelijk sociaal is onzin. De masse die verklaart dat christelijke politiek onzin is wordt in ons land steeds groter. Vijf en dertig procent van de bevolking brak reeds met het christelijke geloof. Maar ook onder hen die zich christenen noemen wordt het getal van hen die van een christelijke politiek niet willen weten voortdurend groter.
Steeds meer van hen scharen zich in de rijen van de illusionistische P.P.R., de socialistische P.v.d.A., de liberalistische V.V.D. De tijd van een kamermeerderheid van christelijke politici en van een christelijk ministerie is, naar de mens gesproken, voor goed voorbij!
En wie gelooft in het woord Gods denkt met vreze en beving aan het psalmwoord :
Nu dan, gij koningen, weest verstandig.
Laat u gezeggen, gij rechters der aarde.
Dient de HEERE met vreze en verheugt u met beving.
Kust dé Zoon, opdat Hij niet toorne en gij onderweg te gronde gaat,
want zeer licht ontbrandt zijn toorn.
Welzalig allen die bij Hem schuilen!
1) Neutraliteit tegenwoordig spreekt men van (moderne) algemeenheid - is t.o.v. het onderwijs uiteraard onmogelijk. Er is in het onderwijs dat alzijdige vorming beoogt, en dus niet uitsluitend "technisch", altijd overdracht van "visie", "houding", "instelling" die religieus is bepaald.