Voorbereiding op het Avondmaal

2005-04-22
  • Jaargang 49
  • nummer 8
Over dat onderwerp ligt al een hele tijd een aardig artikel op mijn bureau.
Het is van de hand van ds. J.J. Poutsma, een van de deputaten Eredienst van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).
Aanleiding tot het schrijven ervan zijn vooral vragen die Poutsma kreeg in zijn nieuwe gemeente (De Bilt-Bilthoven), waar mensen vonden dat hij, op de zondag voor de viering van het Avondmaal, te weinig aandacht besteedde aan de voorbereiding. Poutsma schreef erover in het Gereformeerd Kerkblad van 12 juni vorig jaar:

Kerkordelijk is een voorbereidingsprediking niet voorgeschreven. En zeker een specifieke voorbereidingszondag niet. Altijd is deze zaak in de vrijheid van de kerken gelaten. De synode van Middelburg 1581 heeft als laatste over deze materie een uitspraak gedaan.
En wel de volgende (in hedendaags Nederlands): ‘t kan wel nuttig zijn; iedere kerk moet echter maar doen wat ze zelf oordeelt het beste te zijn.
Bij de reformatoren Luther en Calvijn wordt de officiële voorbereidingsprediking ook niet gevonden.
De voorbereidingsprediking zoals wij die kennen is afkomstig uit Zuid- Duitsland en is gegroeid uit de persoonlijke biecht die aan de viering voorafging.
Via ondermeer de vluchtelingengemeente te Londen, van Nederlandse origine, is deze voorbereidingsprediking in Nederland doorgedrongen.
Van de dankzeggingsprediking (ook wel nabetrachtingspreek genoemd) valt, maar dit terzijde, ook te zeggen: kerkordelijk is zij niet voorgeschreven.
De Gereformeerde Kerken hebben aanvankelijk zich er zelfs tegen verzet.
Een aparte dankzeggingspreek heeft iets van een doublure: de dankzegging vindt immers al tijdens de viering plaats. () In de voorbereidingsprediking werd in de loop der eeuwen steeds meer vooral de nadruk gelegd op de ‘zelfbeproeving’.
Dit had twee oorzaken:
a. de vermaning van de apostel Paulus uit 1 Kor. 11:28 ‘ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker’;
b. het voornamelijk volkskerkelijk karakter van de Gereformeerde kerken in de eeuwen na de Reformatie.
Ten aanzien van deze punten valt het volgende op te merken: a. Paulus’ oproep tot zelfbeproeving is geadresseerd. In de gemeente te Korinthe heersten misstanden rond de maaltijd van de Heer. Er was liefdeloosheid en egoïsme. De rijke leden van de gemeente zaten te zwelgen, terwijl de arme leden gebrek leden. Er was het opbreken van de gemeenschap. In het kader van het vermaan hiertegen klinkt dan de oproep tot zelfbeproeving.
Want juist het Avondmaal dient gevierd te worden als maaltijd van gemeenschap met Christus en met elkaar.
b. deze situatie is gedateerd; de Gereformeerde kerken hebben vandaag geen volkskerkelijk karakter meer. () De kerken van de Reformatie hebben te weinig gehonoreerd de geadresseerdheid van Paulus’ oproep en te gemakkelijk van deze oproep een voorschrift voor iedere Avondmaalsviering gemaakt. En de kerken in de eeuwen daarna hebben te weinig in rekening gebracht de specifieke situatie van de Gereformeerde Kerken in de eerste decennia na de Reformatie.
Vandaar dat er een sterke nadruk is komen te liggen op de voorbereiding en vooral de rol van de zelfbeproeving daarin. () Kerkordelijk gezien is er gezien vorenstaande niets tegen de voorbereidingsprediking (evenals de dankzeggingsprediking) af te schaffen. Zeker wanneer het betreft het nadrukkelijke element van de zelfbeproeving er in. () Een gegroeide traditie hoeft niet per definitie te worden afgeschaft.
Pastorale overwegingen kunnen een rol spelen in het toch handhaven van een voorbereidingsprediking. Je merkt bij gemeenteleden nog wel eens de angst dat de heiligheid van het Heilig Avondmaal wordt aangetast als voorbereiding en nabetrachting al te rigoureus worden afgeschaft. Daar moeten we wel pastoraal en zorgvuldig mee omgaan. () In sommige gemeenten wordt op de zogenaamde voorbereidingszondag al een gedeelte van het formulier gelezen.
() Het gedeelte dat dan, een week voor de viering dus, wordt gelezen bevat de zelfbeproeving en de nodiging en terugwijzing. Mijns inziens wordt door deze praktijk de nadruk op de zelfbeproeving nog groter. Dat was niet gewenst, zo zagen we, en een andere invulling van de voorbereiding komt zo in de knel. Het lijkt me daarom niet terecht de formulieren op deze wijze in tweeën te knippen. Mede niet omdat de formulieren als eenheid gegeven zijn. De K.O. is daarover ook duidelijk als ze in artikel 61 zegt dat de vastgestelde formulieren bij de viering gebruikt zullen worden. En de viering begint niet na de lezing van het formulier of zelfs een week later, nee de viering zelf vraagt om de lezing, deze is onderdeel van de viering. De synode van ‘s Gravenhage 1586 besloot al: het formulier zal op de Avondmaalszondag aan de tafel gelezen worden.
Het is dus liturgisch niet juist het formulier over twee zondagen te verdelen.
Tevens is het niet juist omdat zo de voorbereiding en daarin vooral de zelfbeproeving te veel nadruk ontvangt.

M.H.T. Biewenga

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief