Tussen walging en angst
1974-10-04
'Snap je dat nu?', vroeg mijn collega onlangs, toen we een praatje maakten op de gang. Hij geeft geschiedenis aan de HBS (o, pardon; ik bedoel de Atheneum-afdeling van de Scholengemeenschap). 'Hoe is dat nou toch mogelijk? Vroeger hadden de meeste mensen het slecht, maar NU mogen wij in Nederland niet meer klagen. Als we ziek zijn, worden we redelijk goed verzorgd en de kosten worden grotendeels afgewenteld op de verzekering. Honger is hier niet. Als er geen werk is, zijn er de sociale voorzieningen. Iedereen heeft een fatsoenlijk dak boven zijn hoofd: in Pakistan is dat anders. Nee, reden tot klagen is er niet. EN NOU GAAN ZE AAN DE DRUGS!"- Jaargang 18
- nummer 36
Het is inderdaad een benauwend probleem. Eens heb ik er zoiets als een antwoord op gekregen: de reden zou gelegen zijn in het feit, dat ze geen toekomst meer hebben. Maar wie iets ouder is, begrijpt er dan helemaal niets meer van. Was er dan wèl toekomst in de crisisjaren? Was er dan méér uitzicht tijdens de bezetting?
Waren er zoveel mogelijkheden in de tijd vlak na de oorlog, toen alles in puin lag en er een moeizaam begin gemaakt moest worden met de wederopbouw?
Zag het er toen allemaal zoveel beter uit dan nu, in de zo gesmade 'consumptiemaatschappij'?
Waarom dan die negatieve houding en dat gebaar van walging, als ze het woord 'welvaart' horen?
Toch brengt die wederopbouw van zo'n 25 jaar geleden ons misschien wel in de richting van een - gedeeltelijke - verklaring.
Een dergelijke onderneming is momenteel immers niet nodig; er is nu niets moeilijks te doen, althans zo voelen ze het aan. Het gaat allemaal erg gemakkelijk en de maatschappij kan dat (tot nu toe) ook wel dragen. Ze staat het toe; het is een 'permissive society'.
Het echte vechten voor het bestaan, om vooruit te komen in de wereld, dàt is er niet meer bij.
De jonge mensen moeten weer iets hebben om te veroveren. er moet weer zoiets als een heroïsche periode in hun leven komen.
Ze zeggen, dat ze geen toekomst hebben en veelal wordt daarmee bedoeld, dat ze geen levensideaal hebben om voor te strijden.
Dat verklaart wellicht ook de sympathie van velen - althans in woorden - voor de Cubanen.
"Die lui bouwen wat op", zeggen ze dan. Het gaat om een levensdoel. En dat wijst meteen op de leegte, die er in veel jongeren is ontstaan.
Die leegte is een griezelige zaak.
De oorzaak ligt natuurlijk ook in het falen van de kerken, die helaas vaak meer stenen dan brood leveren. Ze krijgen er niets, dus waarom zouden ze erheen gaan?
Om een praatje aan te horen van een meneer, die zijn eigen twijfels op de preekstoel brengt? En eigen menselijke filosofie aangaande maatschappij en moraal en daarbij vergeet, dat hij het evangelie verkondigen moet? Worden ze daar veel wijzer?
En het gevolg van die leegte kan verschrikkelijk zijn. Ze wordt namelijk vroeg of laat op de een of andere manier gevuld. Dat kan gebeuren, als de verkeerde man op de goede r laats komt en als de 'omstandigheden' zo'n man de kans geven. Het kan wel even een anarchistisch en nihilistisch feest zijn, maar lang zal dat niet duren.
Daarna komt de dictator en degenen, die van binnen zo leeg zijn, zullen als eersten weer meemarcheren in de ganzenpas. In dat opzicht had Franz Josef Strauss waarschijnlijk wel gelijk, toen hij de zeer linkse ordeverstoorders toebeet: "Hoe harder jullie schreeuwen, hoe meer sympathie de mensen voor ons krijgen: 30 jaar geleden zouden jullie in de 'Hitlerjugend' geweest zijn."
Het waren inderdaad fascistoïde methoden, die de heren toepasten.
Of echter de heer Strauss nu wel deaangewezen man was om dit te zeggen, is natuurlijk een andere vraag!
Het vervelende van deze dingen is. dat ze zo gauw polariserend gaan werken. Van de weeromstuit wordt dan door de anderen gedreigd met de zweep, die maar eens moet knallen op de luie ruggen.
"Geen toekomst? 't Mocht wat! De toekomst ligt in de rug, als die maar goed bewerkt wordt." Ja, dat kan nu allemaal wel zo zijn, maar, ziet u, ik ben niet zo erg voor de zweep en ik hoop, dat we het er zonder kunnen doen. Het is echter wel duidelijk, dat we zo op een langzame, maar doeltreffende manier worden 'gebrainwashed', dat we geprepareerd worden om tegen onze zin ergens voor te zijn. Dat kan! Dan zeggen we, dat er maar eens opgetreden moet worden en dan applaudisseren we, als de Jantjes de Dam schoonvegen.
Maar laten we hopen en bidden, dat de geschiedenis zich niet nog eens hoeft te herhalen: weer een dictatuur, Ook weer een bevrijding?
Geen toekomst en een walging van de huidige maatschappij, inderdaad.
Maar ik denk, dat hiermee niet alles is gezegd. Er is ook nog de angst. Angst voor oorlog en atoombom? Ja, dat ook, maar de meeste jonge mensen, die nu in het Westen wonen, hebben zelf geen oorlog meegemaakt.
De kosmische angst, waarvan ook Pascal sprak, kan zich meester maken van de jongeren.
o nee, dit geldt natuurlijk lang niet voor allemaal, maar misschien we voor meer jonge mensen dan wij denken. Zeker, ze filosoferen niet zo plechtig en ze houden er geen diepzinnige referaten over (soms ook wel), maar ze voelen het aan; het wordt hun levensgevoel. De mens tussen twee oneindigheden: het oneindig grote en het oneindig kleine en dan de plotseling oplaaiende vrees in de eenzame mens. Want wat moet de mens al zonder God beginnen. Welnu, God zijn ze kwijt, ze hebben Hem naar het rijk der fabelen verwezen. Maar gelukkig zijn ze niet. En ze hebben meer gelijk dan ze zelf beseffen: welke toekomst zouden ze zo hebben? Hun vrees gaan ze nu weglachen, weggillen, wegvloeken of - heel eventjes maar verdoven in de mistige nevels van de drugs.
Maar dat balanceren op de grens van de kosmische oneindigheden - en dan nog wel zonder God dat houdt tenslotte geen mens vol. Ze moeten wel wat missen, als ze vanuit de diepte van hun eigen leegheid nooit eens kunnen spreken tot een hemelse Vader, omdat ze Hem dood verklaard hebben. Immers, eens komt de tijd, dat zelfs de jonge mensen het niet meer weten. Dan komen ze in de radeloosheid terecht. Dit zullen ze zeker niet allemaal zo voor zichzelf 'uitredeneren', maar het werd mij enige tijd geleden wel toegestemd door een leerling die gebruiker is van harddrugs.
Nee, dan zijn wij beter uit! Wij hebben een God, die ons bewaart en met ons meegaat en op ons past veel beter dan wij het zelf weten. Misschien zullen wij het 'na dezen' nog wel eens verstaan, hoe ontroerend er voor ons is gezorgd, hoe subtiel we zijn bewaard.
Dan zullen we ook beter woorden kunnen vinden om onze dank uit te spreken in aanbidding en verwondering. Ik herinner mij hoe ik een tijd geleden een middag doorbracht aan het strand samen met een vriend, die zijn kleine zoontje toestond de zee in te gaan. De vader zat de hele tijd met mij te praten, maar hij keek mij nauwelijks aan en soms rende hij ineens weg, als een pijl uit de boog! Zijn kleine peuter wilde hij geen moment uit het oog verliezen.
Zo doet God nu ook met ons.
We krijgen het wel eens benauwd en we gaan ook wel eens 'kopje onder' maar Hij tilt ons er weer bovenuit.
En kijk, dat moeten zij nu missen, die anderen. Tenminste, voorzover het aan henzelf ligt.
Ze schuifelen voort, voetje voor voetje, langs de bergwand: aan de ene kant de veel te hoge rots en aan de andere de gapende diepte van de afgrond. Ze moeten verder, terug kunnen ze niet. En ze gaan alleen, want hun Gids hebben ze uitgevloekt en weggejaagd.
Dat valt niet mee! Dat is moeilijk. En met drugs bereik je dan niet veel.
Toch denk ik, dat ze maar één keer hoeven te roepen, of Hij is er weer. Hij wacht erop. Maar al zo lang. En vaak tevergeefs. Maar Hij blijft in de buurt. Is de Zoon des mensen niet gekomen om te zoeken wat verloren was?
De redaktie beschouwt het als een eer, dat dit artikel van de enige maanden geleden overleden drs F. van der Meer in "Opbouw" geplaatst mag worden.